Skip to content
Case Law
NL

Geen vormverzuimen of andere onrechtmatigheden bij de verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03/129902-21 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum 1] 1991, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J. Verstegen, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 mei 2025. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen de volgende medeverdachten: [naam medeverdachte 1] , met parketnummer 03/129939-21 (hierna: [naam medeverdachte 1] ); [naam medeverdachte 2] , met parketnummer 03/097919-21 (hierna: [naam medeverdachte 2] ); [naam medeverdachte 3] , met parketnummer 03/129965-21 (hierna: [naam medeverdachte 3] ). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van 28 oktober 2019 tot en met 16 december 2020 samen met anderen de productie van, handel in en import/export van cocaïne heeft voorbereid en/of bevorderd; Feit 2: in de periode van 2 april 2020 tot en met 17 mei 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had (grootschalige) productie van, handel in en import/export van hennep; Feit 3: op 17 mei 2021 samen met een ander 40.920 (37.920 + 3.000) gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad; Feit 4: op 17 mei 2021 een Mauser (38S) revolver en 6 patronen (GECO 38 Special) en 1 patroon kaliber .45 voorhanden heeft gehad; Feit 5: op 17 mei 2021 samen met een ander ter voorbereiding en/of bevordering van de productie van cocaïne en/of heroïne 8.000 gram versnijdingsmiddel (coffeïne) voorhanden heeft gehad. Ten gevolge van een kennelijke schrijffout wordt in de tenlastelegging van feit 5 als pleegdatum vermeld ‘17 mei 2017’. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat de pleegdatum 17 mei 2021 behoort te zijn, zoals deze ook luidt bij feit 3 en 4. De rechtbank overweegt daartoe dat de politie in meerdere processen-verbaal heeft gerelateerd dat de doorzoeking van de verschillende woningen van de verdachten, alsook de garagebox aan de [adres 2] te Tegelen op 17 mei 2021 heeft plaatsgevonden. De rechtbank beschouwt de genoemde pleegdatum daarom als een kennelijke verschrijving en herstelt deze verschrijving. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen of verdediging geschaad. 3 EncroChat en SkyECC verweren 3.1 Inleiding In het onderzoek Otus hebben de raadslieden van de verdachten [verdachte] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] verweren gevoerd met betrekking tot de verkrijging, overdracht, verwerking en betrouwbaarheid van de EncroChat- en SkyECC-data. Deze verweren dienen volgens de verdediging te leiden tot (meest verstrekkend) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting, dan wel tot strafvermindering. De rechtbank zal de verweren gezamenlijk bespreken, omdat deze met elkaar samenhangen en om de leesbaarheid van het vonnis te bevorderen. Dit brengt met zich mee dat mogelijk in dit deel van het vonnis verweren worden besproken die niet uitdrukkelijk door de verdediging van de verdachte zijn gevoerd, maar door de verdediging van een medeverdachte. De gebruikte term verdediging zal in dat verband dus in dit hoofdstuk niet steeds betrekking hebben op de verdediging van de verdachte in deze zaak. De standpunten van de verdediging zullen hierna, voor zover van belang, nader worden weergegeven dan wel impliciet worden besproken. Het openbaar ministerie heeft telkens gemotiveerd aangevoerd dat de verweren moeten worden verworpen. 3.2 Het oordeel van de rechtbank I. Notificatieplicht en rechtmatigheid interceptie De verdediging heeft betoogd dat de notificatieplicht uit artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het onderzoeksbevel in strafzaken d.d. 1 mei 2014, L130/1 (hierna: Richtlijn 2014/41/EU) geschonden is. Het ontbreken van een dergelijke notificatie is in strijd met Richtlijn 2014/41/EU en levert een onherstelbaar vormverzuim op. De notificatie had door een Nederlandse rechter-commissaris op basis van de Nederlandse wetgeving beoordeeld moeten worden. De verdediging stelt dat de Franse autoriteiten, door deze notificatie achterwege te laten, in strijd hebben gehandeld met de EOB-richtlijn. Nu er volgens de verdediging geen sprake is van enige wettelijke grondslag voor de gedane intercepties, was de vastlegging van de EncroChat- en SkyECC-gegevens onrechtmatig en dient dit verzuim te leiden tot bewijsuitsluiting van de aldus uit die gegevens verkregen informatie en de berichten zelf. Arrest HvJ EU 30 april 2024, ECLI:EU:C:2024:372 In een zaak betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), ingediend door het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) in een strafprocedure heeft het Hof van Justitie bovengenoemd arrest gewezen. Er zijn door het Landgericht Berlin prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van de Richtlijn 2014/41/EU. Uit dit arrest van het Hof (antwoord 3) volgt dat de EncroChat-data afkomstig uit het Franse onderzoek op zichzelf kunnen vallen onder de werking van deze EOB-Richtlijn. Omdat de SkyECC-data in dezelfde categorie gegevens vallen als de EncroChat-data en deze gegevens eveneens vanuit Frankrijk zijn gedeeld, geldt deze vaststelling onverkort ook voor de SkyECC-data. De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of de EncroChat- en SkyECC-data met Nederland zijn gedeeld in het kader van een EOB, en zo ja, of er om die reden een notificatieplicht ex artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU jegens Nederland bestond. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. EncroChat: artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU van toepassing? In navolging van het Gerechtshof Den Haag in haar arrest van 2 juli 2024 overweegt de rechtbank dat het toepassingsgebied van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) wordt bepaald in artikel 3 van Richtlijn 2014/41/EU. Dit artikel 3 luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “ Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen lidstaten van de Europese Unie en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad (…) .” Dit betekent dat Richtlijn 2014/41/EU niet van toepassing is als het gaat om bewijsgaring en uitwisseling/overdracht van die bewijsgegevens tussen twee (of meerdere) lidstaten die een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) hebben gevormd. De rechtbank stelt, in navolging van de Hoge Raad in haar arrest van 13 juni 2023 , vast dat Frankrijk en Nederland op 10 april 2020 een JIT-overeenkomst hebben gesloten inzake EncroChat. De bedoeling van een JIT is om gezamenlijk, onder verantwoordelijkheid van de leidende staat (in casu: Frankrijk) onderzoekshandelingen te verrichten en de resultaten daarvan vervolgens uit te wisselen. Als één van de twee JIT-leden was Nederland op de hoogte. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat Frankrijk de EncroChat-data buiten het JIT om met Nederland zou hebben gedeeld. Er is dus sprake van opsporing en het delen van gegevens binnen het JIT. Voor zover de stelling is ingenomen dat de EncroChat-data niet als bewijs mogen worden gebruikt omdat niet zou zijn voldaan aan de notificatieverplichting, wordt deze verworpen. Richtlijn 2014/41/EU is, conform het bepaalde in artikel 3 van die Richtlijn, immers niet van toepassing vanwege het gevormde JIT. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de interceptie buiten het JIT heeft plaatsgevonden en dat daarom de EOB-richtlijn van toepassing is op de Nederlandse situatie is deze stelling in de context van deze voorafgaande aan de interceptie bestaande samenwerking niet begrijpelijk. De interceptie heeft binnen het JIT plaatsgevonden en Nederland was daarvan op de hoogte zodat in dit kader geen schending van Richtlijn 2014/41/EU heeft plaatsgevonden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. SkyECC: artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU van toepassing? Onder verwijzing naar de brief van het Landelijk Parket van 30 oktober 2021 in de zaak Argus en het vonnis van rechtbank Den Haag van 12 september 2024 stelt de rechtbank vast dat er op 13 december 2019 een JIT-overeenkomst is gesloten tussen Frankrijk, België en Nederland. Het doel van het JIT was vanaf dat moment het gezamenlijk onderzoeken van de verdenkingen tegen SkyECC, haar bestuurders en werknemers, alsmede om onderzoek te verrichten naar criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van SkyECC voor het plegen en/of voorbereiden van strafbare feiten. Vanuit het Nederlandse openbaar ministerie is daarbij het onderzoek Werl in het JIT ingebracht. Door Frankrijk zijn alle gegevens – verkregen door de inzet van de interceptietool – gedeeld binnen het JIT. Vanaf 15 februari 2021 is binnen het JIT gestart met het actueel meelezen van een deel van het berichtenverkeer tussen de gebruikers van SkyECC. De rechtbank stelt vast dat zowel de verkrijging als de verwerking van de SkyECC-data daarmee vallen onder de genoemde JIT-overeenkomst van 13 december 2019. Daaruit volgt, in navolging van hetgeen de rechtbank hiervoor reeds ten aanzien van de EncroChat-data heeft overwogen dat artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU ook niet van toepassing is op de SkyECC-data. De hiermee verband houdende verweren van de verdediging worden eveneens verworpen. Rechterlijke toets voorafgaand aan interceptie De ontsleuteling van de EncroChat- en SkyECC-data heeft pas plaatsgevonden nadat het JIT was gestart en nadat door het Openbaar Ministerie in de onderzoeken 26Lemont en Argus machtigingen waren gevorderd van de rechter-commissaris voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie (artikel 126t Sv). Dit is gebeurd voordat de Franse autoriteiten de (in Nederland ontwikkelde) techniek, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakt, operationeel hebben laten zijn. Tevens zijn vervolgens machtigingen gevorderd voor het geven van een bevel tot het binnendringen van en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk (artikel 126uba Sv), welke machtigingen ook zijn afgegeven door de rechter-commissaris. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de interceptie van de EncroChat- en SkyECC-data op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Voor zover de verdediging in aanvulling op het voorgaande nog heeft betoogd dat in de zaak van de verdachte niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 126t en 126uba Sv, omdat geen sprake is van verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67 lid 2 Sv, gepleegd in georganiseerd verband dan wel misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, miskent dit verweer dat de bevoegdheden niet zijn ingezet in het onderzoek naar specifiek deze verdachte of in dit onderzoek (Otus). De rechtbank passeert derhalve dit verweer. Conclusie Nu bij genoemde cryptodiensten in Nederland geen sprake is van toepasselijkheid van Richtlijn 2014/41/EU, hoefde in beide situaties geen notificatie op basis van die richtlijn verzonden te worden. De interceptie van de EncroChat- en SkyECC-data heeft bovendien op rechtmatige wijze plaatsgevonden. Hierbij is geen sprake van enig vormverzuim. Van een inbreuk op fundamentele grondrechten, zoals door de verdediging is aangevoerd, is evenmin sprake. II. Interstatelijk vertrouwensbeginsel, machtigingen en ontbreken wettelijke basis Voor zover de verweren zien op de rechtmatigheid van de verkrijging van SkyECC-gegevens in Frankrijk, stuiten die naar het oordeel van de rechtbank af op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De verdediging heeft aangevoerd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is voor wat betreft de verkregen EncroChat- en SkyECC-data, omdat Nederland (mede)verantwoordelijk was voor de verkrijging van voornoemde data. De in Frankrijk ingezette bevoegdheden hebben bovendien rechtsgevolg gehad op Nederlands grondgebied, omdat de communicatie van Nederlandse gebruikers is onderschept. Dat betekent dat de Nederlandse rechter zelfstandig dient te toetsen of de verkrijging van de gegevens in overeenstemming is met de nationale rechtsorde. Toetsingskader In zijn prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 heeft de Hoge Raad vragen beantwoord over de rechtmatigheid van de vergaring en verwerking van EncroChat- en SkyECC-data. De Hoge Raad heeft zich onder meer uitgelaten over de betekenis van het internationaal vertrouwensbeginsel voor de beoordeling van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van resultaten die zijn verkregen met toepassing van opsporingsbevoegdheid door autoriteiten in een ander land dan Nederland, terwijl die bevoegdheid in dat andere land is toegepast, en de mogelijkheden voor een verdediging om de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging te onderzoeken. De Hoge Raad heeft in deze beslissing overwogen dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd in strijd is met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten, die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, dienen te worden gerespecteerd, waarbij ervan moet worden uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter, aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim. Volgens de Hoge Raad geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet alleen voor de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, maar ook voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van de resultaten (het bewijs) uit de onderzoeken. De Hoge Raad heeft deze overwegingen in zijn arrest van 13 februari 2024 herhaald. EncroChat: rechtsmacht Nederland? De rechtbank overweegt dat zij in de onderbouwing van de verweren van de verdediging onvoldoende argumenten ziet om af te wijken van het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader. De rechtbank acht het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing ten aanzien van de verkregen EncroChat-data in deze zaak. De rechtmatige toepassing van door autoriteiten van een andere lidstaat toegepaste bevoegdheden ligt dus niet ter toetsing aan de rechtbank voor. Wanneer in het buitenland een opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende (potentiële) bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders. Daarvan is hier echter geen sprake, aangezien de interceptietool is ingezet door de Franse autoriteiten, op basis van Franse wettelijke bevoegdheden. Dat Nederland op de hoogte was van het inzetten van de respectievelijke tools en wist dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang zouden kunnen zijn, maakt dat niet anders. Ook wordt dit niet anders indien sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland. De informatie-uitwisseling vindt immers plaats in het kader van de samenwerking binnen een JIT. Een en ander leidt niet tot verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het inzetten van opsporingsbevoegdheden. Zelfs als ervan uitgegaan zou moeten worden dat Nederland inzake EncroChat (al dan niet voorafgaande aan de totstandkoming van het JIT) enige technische of tactische bijdrage heeft geleverd, kan daar volgens de rechtbank – in lijn met het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 september 2024 – evenmin uit volgen dat de inzet van de bevoegdheid in Frankrijk door Franse autoriteiten onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. De interceptie heeft namelijk plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op alle EncroChat-toestellen bij eindgebruikers. Zowel het kopiëren van EncroChat-data vanaf de server van EncroChat als het ‘live’ onderscheppen en kopiëren van EncroChat-data vond plaats door de Franse politie in/vanuit Frankrijk. Hoewel dit dus betekent dat de Franse politie ook is doorgedrongen tot de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied en ook gegevens van die toestellen heeft verzameld en gekopieerd, leidt ook dit niet tot de conclusie dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer van toepassing is. De rechtbank volgt de verdediging namelijk niet in haar stelling dat de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden ook in Nederland heeft plaatsgevonden. De tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring van data vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich mee brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat Nederland de leiding heeft gehad over de Franse autoriteiten bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied. Het bedrijf EncroChat bood digitale diensten aan. Het is inherent aan een dergelijke dienstverlening dat deze over traditionele landsgrenzen heen gaat. In navolging van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch is de rechtbank daarmee van oordeel dat het binnendringen van telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied door de Franse autoriteiten niet kan worden beschouwd als een onderzoekshandeling waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten plaatsvond. De rechtbank volgt daarom niet de stelling van de verdediging dat Nederland met betrekking tot EncroChat rechtsmacht heeft inzake de interceptie van data op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlandse grondgebied en dat genoemde data derhalve onrechtmatig zijn vastgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is in deze zaak voor wat betreft de interceptie als ook de overdracht van de EncroChat-data. De rechtbank verwerpt dan ook de verweren die de verdediging dienaangaande heeft gevoerd. SkyECC: rechtsmacht Nederland? De rechtbank ziet ook ten aanzien van de SkyECC-data geen aanleiding om af te wijken van de lijn die door de Hoge Raad is bepaald. Op basis van de feitelijke gang van zaken rondom de SkyECC-tap gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is geweest van een tap in Frankrijk, gedurende een Frans opsporingsonderzoek, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. Voorafgaand aan de aansluiting van de tap heeft een Franse rechter, op basis van het Franse recht, toestemming verleend voor interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de SkyECC-servers aldaar. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, strookt met de rechtsregels in Frankrijk. De rechtbank heeft bovendien geen aanwijzingen dat onherroepelijk is gebleken dat het buitenlandse onderzoek niet in overeenstemming zou zijn met de aldaar geldende rechtsregels. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is dus onverkort van toepassing. De omstandigheid dat een team van Nederlandse opsporingsambtenaren en technici bijstand heeft verleend aan een inbeslagneming in Frankrijk maakt niet dat sprake is van “uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied” in de zin van artikel 5.2.2 Sv, ook niet indien die bijstand van meer dan geringe betekenis is. De leiding en de verantwoordelijkheid van het onderzoek rust namelijk bij de Franse autoriteiten. Ook ten aanzien van de digitale dienstverlening van SkyECC geldt dat daaraan inherent is dat deze over traditionele landsgrenzen gaat. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd over de aard en intensiteit van de samenwerking tussen Frankrijk en Nederland onvoldoende reden om aan te nemen dat de samenwerking zodanig was dat (mogelijk) sprake zou zijn van een verschuiving van de (juridische) verantwoordelijkheid en dat daar nader onderzoek naar zou moeten worden gedaan. De conclusie van de verdediging dat ook een tactische samenwerking heeft plaatsgevonden op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, deelt de rechtbank niet. Dat er SkyECC-data zijn uitgewisseld en door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn geanalyseerd, betekent op zichzelf niet dat sprake was van een zodanige samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing dat sprake was van een situatie dat het gezag in overwegende mate toekwam aan de Nederlandse autoriteiten. De verdediging wordt evenmin gevolgd in het standpunt dat de locatie van de opsporing (ook) in Nederland is geweest. Dat bij de interceptie gegevens zijn onderschept die (naar later blijkt) afkomstig zijn van telefoons die zich op Nederlands grondgebied bevonden, maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt daarom de stelling van de verdediging dat Nederland inzake SkyECC rechtsmacht heeft inzake de interceptie van gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlandse grondgebied en dat genoemde data derhalve onrechtmatig zijn vastgelegd. De verweren dienaangaande falen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is in deze zaak, zowel voor wat betreft de interceptie als de overdracht van de SkyECC-data. Conclusie Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onverkort van kracht inzake zowel EncroChat als SkyECC. In beide onderzoeken is het bewijsmateriaal afkomstig uit de toestellen verkregen onder leiding en verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten of op Nederlands grondgebied is geen sprake geweest. III. Fair trial De verdediging heeft betoogd dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), omdat de verdediging niet heeft kunnen controleren of de EncroChat-data en SkyECC-data op rechtmatige wijze zijn verkregen en verwerkt, nu zij geen inzage heeft gekregen in het onderliggende Franse strafdossier, de technische werking van de interceptietool of de exacte wijze van selectie, verwerking en overdracht van de data. Met andere woorden: het digitale bewijs is vergaard op een wijze die controle van de betrouwbaarheid, authenticiteit, volledigheid en integriteit van de data onmogelijk maakt. De betrouwbaarheid van de data wordt door de verdediging betwist in die zin dat die niet kan worden aangenomen zonder de gevraagde inzage in onder meer de metadata. Daarmee is gehandeld in strijd met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende beginsel van equality of arms , dat een recht omvat op kennisname van materiaal dat potentieel relevant is voor de verdediging. Verkrijging en betrouwbaarheid data De rechtbank stelt voorop dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich brengt dat van de rechtmatigheid van de interceptie (en de daarop volgende verstrekking) van data moet worden uitgegaan. Het is niet de taak van de Nederlandse strafrechter om de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen van buitenlandse autoriteiten (van een land dat is aangesloten bij het EVRM) te toetsen. De taak van de Nederlandse strafrechter is er toe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van deze data in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen schending oplevert van zijn recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Dat is uitsluitend anders indien in de betreffende staat, in dit geval Frankrijk, onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de geldende rechtsregels is verricht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter in een strafzaak als uitgangspunt moet nemen dat onderzoek onder buitenlandse verantwoordelijkheid zodanig is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt dat de verdediging in de onderbouwing van de verweren geen concrete aanwijzingen heeft aangevoerd voor het tegendeel. De verdediging stelt niet in staat te zijn tot effectieve controle. In dat verband acht de rechtbank van belang dat op basis van de onderzoeksrapportages van het NFI van 25 januari 2021 en 22 juni 2022 mag worden uitgegaan van de juistheid en betrouwbaarheid van de ontsleutelde EncroChat- en SkyECC-berichten. Het NFI heeft in deze rapportages geconcludeerd dat de weergave van de berichten en metadata correct is. Dit standpunt wordt breed gedeeld in de huidige jurisprudentie. De rechtbank ziet geen aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat in het Franse onderzoek inzake EncroChat of SkyECC sprake is geweest van een evidente schending van artikel 6 EVRM, dan wel van een schending van artikel 8 EVRM, die zodanig ernstig is dat deze tevens een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Er zijn ook geen aanwijzingen dat het onderzoek in Frankrijk op een wijze is uitgevoerd dat de resultaten onbetrouwbaar zijn. Om deze reden verwerpt de rechtbank de verweren voor zover die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal, afkomstig van de EncroChat- en SkyECC-toestellen. Verwerking data De rechtbank overweegt dat de verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn 2016/680, die ziet op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. Die vaststelling brengt mee dat Unierecht van toepassing is, waaronder de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Daarnaast geldt in dit verband artikel 8 EVRM. Uit de bepalingen uit het Handvest en artikel 8 EVRM volgt dat beperkingen op die rechten zijn toegestaan, mits ze bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De vraag die voorligt is of met het gebruik van de EncroChat- en SkyECC-data een inbreuk is gemaakt op het privéleven van de verdachte. De rechtbank wijst er in dit verband op dat, gelet op hetgeen de Hoge Raad in haar prejudiciële beslissing heeft overwogen, de machtigingen van de rechters-commissarissen inzake EncroChat en SkyECC juridisch onverplicht zijn gevorderd en verleend. Daarbij is aansluiting gezocht bij een vergelijkbaar beoordelingskader, te weten artikel 126uba Sv. Van belang is dat de rechters-commissarissen, die de relevante machtigingen hebben verleend, hebben toegelicht dat zij hebben meegewogen dat de informatie niet op een andere, minder ingrijpende manier kon worden verkregen en worden gebruikt. Daarbij komt dat zij in hun respectievelijke machtigingen voorwaarden hebben geformuleerd om de inbreuk zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat in strijd met deze door de rechters-commissarissen gestelde voorwaarden is gehandeld. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat is voldaan aan de proportionaliteitseis en de subsidiariteitseis. In de zaak van de verdachte zijn er bovendien geen aanknopingspunten gegeven voor de stelling dat sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zich in politieverhoren en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Dat een inbreuk op het privéleven van de verdachte is gemaakt, is door de verdediging slechts met algemeenheden, en niet met concrete feiten, onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat met de data enig – laat staan een min of meer volledig – beeld is verkregen van het privéleven van de verdachte. De rechtbank concludeert dat voor zover de verwerking van EncroChat- en SkyECC-data al een inbreuk op de artikelen 7 en 8 van het Handvest en/of artikel 8 EVRM oplevert, die inbreuk bij wet is voorzien met inachtneming van de in het Unierecht en het EVRM neergelegde waarborgen. De rechtbank is aldus van oordeel dat er geen vormverzuimen of andere onrechtmatigheden zijn gebleken bij de verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data. De verwerking van deze data brengt dus geen schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM met zich mee. Conclusie De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging inzake de verkrijging en verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data. Zij ziet geen reden om de EncroChat- en SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten. Op basis van voorgaande overwegingen en uitgaande van het vertrouwensbeginsel deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging niet dat er onvoldoende mogelijkheden waren een effectieve verdediging te voeren waardoor er geen sprake zou zijn geweest van een eerlijk proces. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om haar standpunt over herhaalde, reeds eerder afgewezen onderzoekswensen te herzien. IV. Bulkinterceptie De rechtbank volgt de verdediging ten slotte niet voor zover is bepleit dat sprake is van bulkinterceptie en daarmee van een algemene en ongedifferentieerde dataverzameling. Niet alleen geldt, zoals door de rechtbank reeds hiervoor is overwogen, dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de toets van de rechtmatigheid van de interceptie, het verweer slaagt ook om andere redenen niet. Het verkrijgen van de EncroChat- en SkyECC-data richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van specifieke telecomdiensten (namelijk EncroChat en SkyECC), waarbij sprake was van een concrete verdenking dat deze diensten met name gebruikt zouden worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) bezighielden met zeer ernstige strafbare feiten. Dat is een wezenlijk andere situatie dan bijvoorbeeld het bewaren van alle metadata van alle gebruikers van een (willekeurige) telecomprovider ten behoeve van toekomstige strafrechtelijke onderzoeken. Daarnaast is van groot belang dat de dataverzameling anoniem is geschied. Pas na verder opsporingsonderzoek kon (in sommige gevallen) een specifieke persoon gekoppeld worden aan een gebruikersaccount. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een situatie zoals bedoeld in de door de verdediging aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de EU en het EHRM. Zoals hiervoor reeds uiteengezet, hebben de rechters-commissarissen die de machtigingen hebben verleend bovendien overwogen dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze kon worden verkregen en worden gebruikt en hebben de rechters-commissarissen vervolgens voorwaarden geformuleerd teneinde de privacy-schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. De geïndividualiseerde data zijn onderzocht en vervolgens op grond van de ‘combinatiemachtiging’, aan het dossier toegevoegd en gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldaan is aan de proportionaliteiteis en subsidiariteitseis. De rechtbank concludeert dat, voor zover er al sprake is of zou zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, die inbreuk bij wet is voorzien met inachtneming van de in het Unierecht opgenomen waarborgen. De verweren hierover worden om die reden dan ook verworpen, ook voor zover dit verweer is gevoerd met betrekking tot de bewaring en verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data. De stelling van de verdediging dat het doel van de interceptie is geweest om de volledige inhoud van alle berichten die op de servers aanwezig zijn geweest te verkrijgen, is niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en kan de rechtbank ook niet afleiden uit het strafdossier. De rechtbank gaat daarom ook aan die stelling voorbij. Eindconclusie De rechtbank is van oordeel dat alle verweren inzake de EncroChat- en SkyECC-data van de verdediging falen. Er is geen aanleiding om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren of om op enige grond de EncroChat- of SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten. Evenmin ziet de rechtbank hierin reden tot strafvermindering. De rechtbank verwerpt de verweren in al hun onderdelen. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Inleiding In de zomer van 2020 ontvangt het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Limburg informatie uit een in Nederland onder leiding van een officier van justitie lopend opsporingsonderzoek, te weten 26Lemont, over een vermoedelijk transport van verdovende middelen vanuit Colombia met als deklading bananen. De ontvanger van de lading is een bedrijf genaamd Freshly B.V., met als ontvangstadres Beitel 15 te Heerlen. Naar aanleiding van deze informatie is een onderzoek ingesteld. Het opsporingsonderzoek heeft geresulteerd in een omvangrijk dossier. Tijdens het onderzoek kwamen EncroChat-berichten en SkyECC-berichten ter beschikking van de politie. Op grond van de EncroChat- en SkyECC-berichten en de overige onderzoeksresultaten werden [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 1] , [verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] als verdachten aangemerkt voor onder meer de betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van de import van cocaïne en/of deelname aan een criminele organisatie ten behoeve van de hennephandel, het bezit van verdovende middelen en/of wapenbezit. De rechtbank zal hierna per ten laste gelegd feit vermelden of zij dit feit bewezen acht. Ten behoeve van de overzichtelijkheid zal de rechtbank ook per feit aangeven indien tot (partiële) vrijspraak wordt gekomen. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. 4.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2, 3 en 5. Subsidiair heeft zij ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de pleegperiode moet worden ingekort. De standpunten van de verdediging zullen hierna, voor zover van belang, nader worden weergegeven dan wel impliciet worden besproken. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Voor de leesbaarheid heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, in bijlage II opgenomen. 4.4.1 Identificatie EncroChat- en SkyECC accounts Het dossier van het onderzoek Otus bevat vele chatberichten. Deze berichten werden uitgewisseld via encrypted PGP (zogenaamde Pretty Good Privacy)-telefoons met EncroChat- en SkyECC accounts. Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van het ter beschikking gekomen berichtenverkeer. De rechtbank is zich gedurende de beraadslaging steeds bewust geweest van het feit dat deze chats niet volledig zijn. Een groot aantal van de berichten is eenzijdig ontsleuteld. Bovendien ontbreken er chats. Het is niet bekend hoeveel chats er ontbreken. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat behoedzaamheid moet worden betracht bij het duiden van de betekenis en strekking van de inhoud van de gesprekken. De onvolledigheid betekent echter niet dat op basis van de chats in zijn geheel geen vaststellingen kunnen worden gedaan. Voor zover de rechtbank op basis van de chats bepaalde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, zal zij dit bij de hierna te bespreken feiten uiteen zetten. De politie heeft onderzoek gedaan naar de identiteit van de EncroChat- en SkyECC gebruikers en heeft onder meer in processen-verbaal van bevindingen de redengevende feiten en omstandigheden opgenomen op grond waarvan de verdachte aan een bepaald account kan worden gekoppeld. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde processen-verbaal, in onderling verband en samenhang bezien, geen enkele reden om te twijfelen aan de conclusies die de politie daaruit trekt. De rechtbank leidt uit deze processen-verbaal het volgende af. Wovencider, Emupasta en 7OCM3K De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte [verdachte] als bijnaam ‘barman’ heeft en dat de EncroChat-accounts wovencider en emupasta en het SkyECC-account 7OCM3K aan hem toebehoorden. De rechtbank is – nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel – van oordeel dat [verdachte] ook daadwerkelijk de gebruiker was van deze accounts. Greypenguin en HC9OUB De rechtbank stelt vast dat de verdachte [naam medeverdachte 1] door de medeverdachten en andere gebruikers ‘bolle’ wordt genoemd. De rechtbank stelt daarnaast op basis van de bewijsmiddelen vast dat het EncroChat-account greypenguin en het SkyECC-account HC9OUB toebehoorden aan de verdachte [naam medeverdachte 1] en dat hij – nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel – ook daadwerkelijk de gebruiker was van deze accounts. Voor zover de verdediging de stelling heeft ingenomen dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld dat met ‘bolle’ de verdachte [naam medeverdachte 1] wordt bedoeld, wordt deze stelling verworpen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de inhoud en de context van de berichten – al dan niet in combinatie met andere (daaropvolgende) gesprekken – voldoende blijkt dat met de bijnaam ‘bolle’ in die gevallen steeds de verdachte [naam medeverdachte 1] wordt bedoeld. Bovendien blijkt uit de inhoud van de gesprekken dat de bijnaam ‘bolle’ ook door de verdachte [naam medeverdachte 1] zelf wordt gebruikt. Daar waar [naam medeverdachte 1] deelnam aan de gesprekken en de bijnaam ‘bolle’ voor een derde (dus een ander dan [naam medeverdachte 1] ) werd gebruikt, is ervan uitgegaan dat in die gevallen de medeverdachte [naam medeverdachte 3] werd bedoeld. Yellowostrich en VWEES2 De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte [naam medeverdachte 4] onder andere als bijnaam ‘piraat’ heeft en dat het EncroChat-account yellowostrich en het SkyECC-account VWEES2 aan hem toebehoorden. De rechtbank is – nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel – van oordeel dat [naam medeverdachte 4] ook daadwerkelijk de gebruiker was van deze accounts. Argostoli De rechtbank concludeert ten slotte op basis van de bewijsmiddelen dat de verdachte [naam medeverdachte 2] door de medeverdachten of andere gebruikers ‘rooie’, ‘rooije’, ‘rot’ of ‘rote’ werd genoemd en dat het EncroChat-account argostoli aan hem toebehoorde. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel kan de verdachte [naam medeverdachte 2] ook daadwerkelijk worden aangemerkt als de gebruiker van dit account. [naam medeverdachte 3] Op basis van het onderliggende dossier is de rechtbank ten slotte niet gebleken dat de verdachte [naam medeverdachte 3] over een PGP-telefoon beschikte en/of gebruikmaakte van de berichtendiensten EncroChat of SkyECC. 4.4.2 Feit 1: voorbereidingshandelingen handel en import cocaïne De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachten, gedurende de ten laste gelegde periode, schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van de handel in en de invoer van cocaïne. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op 28 oktober 2019 wordt door verdachte [naam medeverdachte 3] het bedrijf Freshly B.V. opgericht. Het bedrijf wordt bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als groothandel in groenten en fruit en op de website van Freshly B.V. worden onder meer bananen uit Colombia aangeboden. Het bedrijf huurt met ingang van 19 december 2019 een bedrijfspand aan het adres Beitel 15, unit 13, te Heerlen. Enkele weken later, op 13 januari 2020, wordt door verdachte [verdachte] een zesdaagse reis geboekt naar Colombia. Hij vertrekt een dag later en brengt volgens de gevorderde passagiersgegevens onder meer een bezoek aan Santa Marta in Colombia; de plek die in de zogenaamde ‘Bill of Lading’ staat genoteerd als ladingshaven en de plek waar ook de verzender van de container met 1000 dozen met bananen, te weten Expofrucol gevestigd is. Uit WhatsApp-berichten, aangetroffen op de telefoon van [naam medeverdachte 3] , blijkt dat [verdachte] op 29 en 30 juli 2020 informatie – afkomstig van ‘bolle’ – deelt over de aankomst van de ‘bak’. Op camerabeelden van de Beitel 15, unit 13, wordt waargenomen dat een persoon die grote gelijkenis vertoont met verdachte [verdachte] en die aan komt rijden in een Volkswagen Caddy die op naam staat van [verdachte] , op 29 juli 2020 – een dag voor de aankomst van de éérste container met bananen – op het terrein aanwezig is, kennelijk om een pompwagen in het bedrijfspand achter te laten. Op de camerabeelden van zowel 30 juli 2020 als 5 augustus 2020 wordt vervolgens waargenomen dat een vrachtwagen met trailer het laadperron op rijdt en op beide data worden (bananen)dozen (vanuit de vrachtwagen) naar het bedrijfspand verplaatst. Een persoon die grote gelijkenis vertoont met verdachte [verdachte] wordt op 5 augustus 2020 wederom op de camerabeelden waargenomen als degene die bananendozen verplaatst. Op 20 oktober 2020 vindt er vervolgens een ontmoeting plaats tussen de verdachten [verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] . Daarna wordt door de verdachte [naam medeverdachte 3] , op 28 oktober 2020, contact gelegd met een Colombiaans e-mailadres. Uit de e-mail blijkt dat hij op zoek is naar een leverancier van bananen voor de lange termijn en dat hij wekelijks één of twee containers naar de haven van Antwerpen wil laten verschepen, met min of meer onmiddellijke ingang. Uit het berichtenverkeer aangetroffen op de PGP-telefoons komt naar voren dat de verdachten [verdachte] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] zowel onderling als met andere gebruikers veelvuldig contact hebben gehad, onder meer over de twee containers met bananen uit Colombia bestemd voor Freshly B.V. in Nederland. In de berichten is verder te lezen dat er meermaals in verhullend taalgebruik wordt gesproken over ‘C’. Deze term wordt gebruikt in combinatie met aantallen, (kilo)grammen en bedragen. Er wordt gesproken over ‘colo/collo (in lockdown)’ en daarnaast worden er dingen gezegd als: ‘horeca dicht, daar wordt meeste gesnoven maat’, ‘beland uiteindelijk allemaal bij die snuuvers in de neus’ en ‘witte toei, wie noeme ze det vur te snuuve det grei’. De termen ‘C’ en ‘colo’ of ‘collo’ zijn gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank daarom uitsluitend aan te duiden als verhullend taalgebruik voor cocaïne en Colombia. Voorts blijkt uit dit berichtenverkeer dat er wordt gesproken over ‘containers’, ‘pallets’ en ‘bananen’. Door [naam medeverdachte 4] wordt gezegd ‘er wordt geen lege meer betaald’, dat ‘de bananen goed moeten zijn omdat ze de lading anders vernietigen met pakket en al’ en ‘wil volle achter elkaar sturen’. Ook zegt hij ‘wij hebben verstopt (…) als scanner komt die ziet niks’ en door [verdachte] worden foto’s gedeeld met [naam medeverdachte 1] van houten planken, voorzien van een holle ruimte waar zwarte blokken of pakketjes in verstopt zijn. Een dag later stuurt [naam medeverdachte 1] een foto met adresgegevens van Freshly B.V., te weten Beitel 15 te Heerlen, met daarbij de tekst ‘product of Colombia’ en ‘variety: Cavendisch’. Dit is een bananensoort, die ook vermeld staat op de eerder genoemde Bill of Lading en waar ook in het bericht van info@freshlyfruits.nl aan het Colombiaans e-mailadres van 28 oktober 2020 specifiek om wordt gevraagd. Op 11 juni 2020 stuurt [verdachte] ten slotte foto’s naar [naam medeverdachte 4] van etiketten met daarop de adresgegevens van Freshly B.V. en foto’s van bananendozen van het merk Expofrucol. Tevens wordt als exporteur op de etiketten genoemd: Expofrucol S.A.S. te Santa Marta, Colombia. Dit is de naam van het bedrijf waar blijkens de transactiegegevens van de bankrekening van Freshly B.V. op 12 mei 2020 en 5 juni 2020 ook betalingen aan zijn gedaan. De vestigingsplaats van Expofrucol S.A.S. is Santa Marta in Colombia, zijnde de bestemming van de reis van verdachte [verdachte] op 15 januari 2020. De rechtbank concludeert, gelet op het vorenstaande, dat de gesprekken betrekking hebben op het vervoeren en importeren van cocaïne vanuit Colombia naar Nederland, waarbij bananen als deklading werden gebruikt. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de twee uiteindelijk bij Freshly B.V. geleverde containers waren bedoeld om de (toekomstige) transportlijn voor cocaïne uit te testen, waardoor sprake is van voorbereidingshandelingen. De rechtbank neemt bij dit alles tevens in aanmerking dat het berichtenverkeer heeft plaatsgevonden via EncroChat en SkyECC, berichtendiensten die veelal gebruikt worden in het kader van de handel in verdovende middelen, en de omstandigheid dat de import van cocaïne vanuit Zuid-Amerika veelal geschiedt door middel van het verhullen van de cocaïne tussen partijen verse of bederfelijke waar, zoals tropisch fruit. Daarnaast wordt cocaïne veelal in geperste blokken getransporteerd, hetgeen past bij de aangetroffen foto’s van de houten planken, die zijn voorzien van een holle ruimte. De gesprekken die toe te schrijven zijn aan [verdachte] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank zeer specifiek en concreet, waarbij onder meer wordt gesproken over aantallen en kilo’s en waarbij afspraken worden gemaakt over de wijze van uitvoering, het verhullen van de cocaïne en de winstverdeling. Daarbij komt dat uit onderzoek aan de transactiegegevens, de verklaring van de verhuurder van het bedrijfspand aan het adres Beitel 15 te Heerlen, alsook uit het berichtenverkeer volgt dat er de gehele huurperiode tot en met 18 december 2020 geen bedrijfsmatige activiteiten zijn geweest en dat de transacties van Freshly B.V. enkel bestonden uit contante geldstortingen en (voornamelijk) huurbetalingen, waarbij de laatste transactie plaatsvond op 28 augustus 2020. Gelet op al het vorenstaande kan, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van het tezamen in vereniging met (deels) onbekende anderen plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. 4.4.3 Feit 2: criminele organisatie gericht op hennephandel De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een samenwerkingsverband met medeverdachten [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en een of meer anderen, dat als oogmerk had het plegen van misdrijven met betrekking tot hennep. Juridisch kader De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet. In deze zaak ziet de verdenking op het deelnemen aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van de grootschalige hennephandel. In de tenlastelegging zijn de volgende specifieke misdrijven opgenomen: het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van softdrugs (artikel 11, derde lid, Opiumwet); het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een grote hoeveelheid) softdrugs (artikel 11, vierde en vijfde lid, Opiumwet). Conclusie Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband tussen [naam medeverdachte 4] , [verdachte] , [naam medeverdachte 1] en andere personen, waaronder [naam medeverdachte 2] . Dit leidt de rechtbank af uit het intensieve chatcontact tussen de verdachten, waarin van 2 april 2020 tot en met 1 oktober 2020 veelvuldig wordt gesproken over, onder meer, het inkopen van stekjes, het drogen van hennep, het knippen van hennep, het ophalen of wegbrengen van hennep, transport over de grens, het stashen van hennep en geld, wat de huidige stand van de voorraden is en waarin overzichten van de in- en uitgaande geldstromen worden gedeeld. Ook kenmerkt dit samenwerkingsverband zich door een zekere hiërarchische structuur, waarbij de daadwerkelijke uitvoerders, worden aangestuurd door degenen met een meer coördinerende en/of leidinggevende rol binnen de organisatie. Uit de inhoud van de chatgesprekken blijkt voldoende duidelijk dat het oogmerk van deze organisatie was gericht op de handel in hennep. Er worden talloze berichten gestuurd over onder meer het drogen en kn