Skip to content
Case Law
NL

Onderzoek aan telefoons zonder voorafgaande machtiging r-c leidt alleen tot constatering vormverzuim.

Rechtbank

Rechtbank

Case Summary

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-315219-20 vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) wonende te [woonplaats] raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2025, waarbij de officier van justitie, mr. K. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op 12 augustus 2025. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1: al dan niet samen met anderen [slachtoffer] heeft gegijzeld. Dit wordt in verschillende varianten verweten; 2: al dan niet samen met anderen het lijk van [slachtoffer] heeft verplaatst en op een afgelegen plaats achtergelaten; 3: al dan niet samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor handelingen met betrekking tot harddrugs in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 17 juni 2020; 4: al dan niet samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor handelingen met betrekking tot harddrugs in de periode van 3 april 2021 tot en met 10 juni 2021. 3 De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De verdediging betoogt dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 nietig is omdat de verdenking onvoldoende feitelijk is omschreven. Er zijn geen gedragingen geconcretiseerd, zodat niet blijkt welke specifieke handelingen verdachte worden verweten. De officier van justitie stelt dat de verweten termen voldoende duidelijk zijn en dat door het toevoegen van de naam van het slachtoffer voldoende duidelijk is waar de verdenking op ziet. De rechtbank moet beoordelen of het verwijt als genoemd in de dagvaarding voldoende duidelijk is zodat verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen. Of daaraan is voldaan, hangt af van de bewoordingen van de tenlastelegging en het dossier waarop deze is gebaseerd. De verfeitelijking van de in de tenlastelegging opgenomen delictsomschrijving is de toevoeging van de naam van het slachtoffer. Wanneer de tenlastelegging wordt gelezen in het licht van het dossier, dan is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een geldige dagvaarding. 3.2 De overige voorvragen De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Vormverzuim Voor het onderzoek aan de telefoons van verdachte is een machtiging verleend door de officier van justitie en niet door de rechter-commissaris. Gelet op de geldende jurisprudentie is hierdoor sprake van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De officier van justitie is echter van mening dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim en dat de verzamelde gegevens kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Feiten De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle verweten feiten heeft begaan. Voor het uitgebreide standpunt wordt verwezen naar het ter zitting overgelegde schriftelijke requisitoir. 4.2 Het standpunt van de verdediging Vormverzuim De verdediging is van mening dat de gegevens verkregen uit het onderzoek aan de telefoons van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat er voorafgaand aan het onderzoek geen machtiging is verkregen van de rechter-commissaris. Dit is een vormverzuim waardoor de privacy van verdachte is geschonden en een vergaande inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Daarnaast zijn er gegevens verkregen die niet voorzien waren. Indien niet wordt overgegaan tot bewijsuitsluiting, dan dient het voorgaande te leiden tot strafvermindering. Feit 1 Verdachte moet vrijgesproken worden omdat de gijzeling die uit de berichten naar voren lijkt te komen in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, maar in scène was gezet. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging meerdere punten aangedragen. De verdediging verzoekt behoedzaam om te gaan met de uitleg van de berichten vanwege de incompleetheid van de berichten, nu deze veelal eenzijdig zijn ontsleuteld en het feit dat [persoon 1] niet is gehoord. Feit 2 De verdediging is van mening dat verdachte ook van dit feit vrijgesproken moet worden, omdat: * het niet duidelijk is of het slachtoffer met de Ford Transit is vervoerd; * de telefoon van verdachte niet bij verdachte zelf was, maar in de uitgeleende Mercedes Benz lag; * daardoor ook niet kan worden vastgesteld dat verdachte op dat moment gebruikmaakte van de Mercedes Benz; * onbekend is welke handelingen verdachte zou hebben verricht nu de Mercedes Benz niet zichtbaar is op de beelden; * er geen sprake van het wegmaken van een lijk, omdat het lichaam niet verborgen is; * niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van medeplegen; * niet gebleken is dat verdachte het lichaam heeft vervoerd. Feit 3 Verdachte is nooit verder gegaan dan enkel praten. Dit feit zou nooit plaatsvinden nu de tegenpartij nooit de intentie heeft gehad om drugs naar Nederland te sturen. Er kan ook niet vastgesteld worden dat de 60 blokken base naar Nederland zouden komen. Uit de berichten volgt immers dat deze blokken binnen Colombia zouden worden vervoerd. Feit 4 Verdachte moet worden vrijgesproken omdat de verdenking is gebaseerd op gesprekken vol roddels en luchtkastelen. De gesprekken zijn onvoldoende concreet en er is niet gebleken dat er gevolg aan is gegeven. Hierdoor is geen sprake van voorbereidingshandelingen. Voor het uitgebreide standpunt van de verdediging wordt verwezen naar de ter zitting overgelegde schriftelijke pleitnotities. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vormverzuim De rechtbank stelt vast dat de telefoons van verdachte zijn uitgelezen op basis van een machtiging die is gegeven door de officier van justitie. Dit was ten tijde van het onderzoek de gebruikelijke werkwijze. Echter, op 4 oktober 2024 heeft het Hof van Justitie het zogeheten Landeck-arrest gewezen . Hieruit blijkt dat voorafgaand aan het onderzoek van telefoons een machtiging van de rechter-commissaris moet worden gevraagd en daartoe ook moet worden verleend. Hoewel dit arrest ten tijde van het onderzoek in deze zaak nog niet gewezen was, blijkt uit de jurisprudentie, die op het Landeck-arrest volgde , dat de machtiging van de rechter-commissaris ook toen al nodig was. Het bestaande recht werd destijds verkeerd uitgelegd. Dat betekent dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek van deze zaak. De verdediging heeft een 359a Sv-verweer gevoerd. De rechtbank zal hierna beoordelen of en zo ja welke consequenties er aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. De Hoge Raad heeft hiervoor het volgende kader geformuleerd: Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast. De verdediging heeft betoogd dat er in dit geval sprake is van een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte (art. 8 EVRM) en er gegevens zijn verkregen die niet te voorzien waren. De rechtbank begrijpt dat de verdediging met dit laatste punt doelt op gegevens die uiteindelijk hebben geleid tot de verdenking van de verweten Opiumwetfeiten. Hoewel verdachte zich hierdoor wellicht benadeeld zal voelen, is het enkele feit dat er strafbare feiten aan het licht komen door het verrichte onderzoek geen rechtens te respecteren belang. Dit is dan ook geen nadeel waarvoor verdachte zou moeten worden gecompenseerd. De rechtbank stelt vast dat het inherent is aan het onderzoek aan telefoons dat er een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van degene van wie die telefoons zijn. Een enkele inbreuk levert echter niet direct een ernstig nadeel voor de verdachte op. De rechtbank moet dan ook beoordelen hoe ernstig de inbreuk was. Uit het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat er door het doorzoeken van de telefoons een min of meer volledig beeld van de persoonlijke levenssfeer van verdachte is verkregen. Daarnaast blijkt uit het procesdossier dat het aantal privézaken dat is aangetroffen zeer beperkt is gebleven. Dit brengt met zich dat de rechtbank vaststelt dat verdachte in beperkte mate nadeel heeft ondervonden. Bij de beoordeling van de vraag welke consequentie aan het vormverzuim dient te worden verbonden, houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de verdenking. Verdachte werd ten tijde van het onderzoek verdacht van betrokkenheid bij een ontvoering, een moord dan wel doodslag en het wegmaken van een lichaam. Dit zijn zeer ernstige verdenkingen. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in de lijn der verwachting dat de rechter-commissaris direct een machtiging zou hebben verleend voor het onderzoek aan de telefoons wanneer die machtiging zou zijn gevraagd. De officier van justitie heeft destijds gehandeld volgens de op dat moment geldende en gebruikelijke werkwijze en in die zin is er dus bewust gekeken naar de noodzaak van het onderzoek aan de telefoons. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat er weliswaar sprake was van een inbreuk maar gesteld noch gebleken is dat deze inbreuk dusdanig vergaand en indringend was dat er consequenties aan het vormverzuim verbonden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat daarom de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim. De gegevens die in de telefoons zijn aangetroffen mogen dan ook worden gebruikt voor het bewijs. 4.3.2 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.3 Algemene overwegingen 4.3.3.1 Duiding gesprekken De rechtbank stelt vast dat het procesdossier deels bestaat uit een weergave van gesprekken in al dan niet verhullend taalgebruik. Bij het duiden van de betekenis en strekking van die gesprekken moet behoedzaamheid worden betracht, nu niet zonder meer kan worden aangenomen dat die gesprekken over strafbare feiten gaan. Hierbij weegt ook mee dat de SkyECC-gesprekken in het dossier grotendeels eenzijdig zijn weergegeven. Hierbij geldt evenwel dat de rechtbank constateert dat verdachte een groot deel van de uitleg die door de politie is gegeven aan de in de chatgesprekken gebruikte verhullende (straattaal)termen heeft bevestigd. Bovendien bevat het procesdossier stukken waaruit blijkt dat de inhoud van de gesprekken ook steun vindt in de realiteit. Daarnaast beschikt de rechtbank ambtshalve over kennis van drugsgerelateerde bewoordingen en processen. De rechtbank betrekt alle voorgenoemde elementen in haar beoordeling en duiding van de gesprekken. Zij zal hierbij de nodige behoedzaamheid betrachten. 4.3.3.2 Volgorde beoordeling De rechtbank zal de feiten chronologisch beoordelen. Dit betekent dat niet de volgorde van de feiten in de tenlastelegging wordt aangehouden. 4.3.3.3 Verklaringen verdachte De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie en ter zitting uitvoerige en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Uit die verklaringen volgt een veelvoud aan mogelijke scenario’s en verweren. In haar beoordeling van de feiten zal de rechtbank ingaan op de verweren die uiteindelijk bij de inhoudelijke behandeling op 24 juni 2025 expliciet door de verdediging zijn gevoerd. Voor zover verdachte met zijn verklaringen heeft bedoeld ook andere verweren te voeren, merkt de rechtbank die verweren niet aan als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Zij zal hier verder niet op reageren. 4.3.3.4 Aanduiding slachtoffer In de tenlastelegging is opgenomen dat feiten 1 en 2 zien op het slachtoffer [slachtoffer] . In het procesdossier komt deze persoon onder verschillende namen terug. De [achternaam slachtoffer] is op verschillende manieren geschreven en af en toe worden uitsluitend de [voornamen slachtoffer] gebruikt. Verdachte zelf heeft het slachtoffer in meerdere verhoren [alias] genoemd. Uit het dossier volgt echter dat de meeste mensen [slachtoffer] kennen onder zijn bijnaam [bijnaam slachtoffer] . Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voor alle partijen duidelijk is en er dus ook geen twijfel bestaat dat met de verschillende gebruikte namen steeds dezelfde persoon wordt bedoeld. Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank het slachtoffer hierna steeds [slachtoffer] noemen. 4.3.3.5 Identificatie SkyECC-accounts Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van SkyECC-accounts [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . Verdachte heeft dit gebruik bevestigd, maar heeft betoogd dat hij zijn telefoon met een daaraan gekoppeld Sky-account enkele keren heeft uitgeleend aan [slachtoffer] . De Spaanstalige berichten, zouden door [slachtoffer] zijn geschreven. Voor zover dit relevant is voor de bewijsconstructie zal de rechtbank daar later op ingaan. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat [persoon 1] gebruikmaakte van SkyECC-account [nummer 4] en dat [slachtoffer] gebruikmaakte van SkyECC-account [nummer 5] . 4.3.4 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 4.3.4.1 Feit 3 Vaststelling feiten en omstandigheden In de periode van 4 oktober 2019 tot en met 7 februari 2020 vonden er via SkyECC gesprekken plaats tussen verdachte en [persoon 1] . Er werd gesproken over de mogelijkheid om cocaïne te importeren vanuit Colombia via Ecuador. De cocaïne zou verborgen worden in karton dan wel dozen. De dozen zouden via het bedrijf [persoon 2] met een deklading bloemen naar Nederland worden gebracht. In Nederland zou de cocaïne uit het karton en/of de dozen worden gehaald door een persoon uit Colombia. Hiervoor zou een locatie in de buurt van Rotterdam geregeld moeten worden. Uit het dossier volgt dat verdachte in ieder geval op 16 december 2019 in Colombia was en daarna ook in Ecuador om te zien hoe het proces in zijn werk ging. Toen [persoon 1] twijfels uitte over [persoon 2] kennelijk naar aanleiding van een waarschuwing door een ander, overtuigde verdachte hem ervan dat zij wel met het bedrijf moesten samenwerken. Hij gaf hierbij door dat hij live bij het bedrijf was. Hij stuurde foto’s van kartonnen en dozen en van grond die voor bloementeelt gebruikt zou gaan worden. Uit de gesprekken blijkt dat verdachte op een boerderij in Ecuador geweest is waar het proces van het verwerken van de drugs in het karton plaatsvindt. Foto’s van het omzettingsproces waarbij cocaïne uit de kartonnen wordt gehaald, zijn door verdachte aan [persoon 1] gestuurd. Uiteindelijk is er eind december 2019 geïnvesteerd in dit bloemenproject. Uit de gesprekken na de investering blijkt dat de cocaïne en de deklading niet zijn geleverd. Beoordeling en reactie op de verweren Verdachte bekent dat hij deze gesprekken heeft gevoerd en ook dat hij in verband met de mogelijkheid om cocaïne in te voeren in Colombia en Ecuador is geweest. Hij verklaart dat [persoon 1] de investeerder is en dat hij zelf niets heeft geïnvesteerd. De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte meermalen en op verschillende momenten spreekt over zijn geld en over een investering samen met [persoon 1] . Zelfs met een behouden uitleg van de gesprekken kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte ook zelf heeft geïnvesteerd in het project. De rechtbank stelt vast dat de handelingen van verdachte niet hebben geleid tot het daadwerkelijk importeren van cocaïne. Dit neemt echter niet weg dat de handelingen nog altijd zijn aan te merken als voorbereidingshandelingen. In dat verband wijst de rechtbank op de gesprekken, de bezoeken in Colombia en Ecuador en de investering die is gedaan. Deze gedragingen waren er allemaal op gericht om de import van de cocaïne mogelijk te maken. In tegenstelling tot wat verdachte ter zitting heeft verklaard, blijkt uit de handelingen en de gesprekken niet dat hij al die tijd al wist dat [persoon 1] en hij werden opgelicht. Integendeel, uit de berichten volgt juist dat hij de voorbereiding ten behoeve van de invoer van drugs heeft voortgezet. Bovendien doet het feit dat de cocaïne niet is geleverd niets af aan vorenbedoelde intentie van verdachte en de opzet op de voorbereiding. Met de verdediging is de rechtbank wel van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat het de bedoeling was om de 60 blokken base waarover in de chats ook is gesproken naar Nederland te vervoeren en aldus in te voeren. Uit de berichten volgt dat de base in Colombia van Ipiales naar Bogota zouden moeten worden vervoerd om daar te verkopen. Het geld zou vervolgens naar verdachte en [persoon 1] gaan. De voorbereidingshandelingen van verdachte waren in het geheel niet op deze handel gericht. De toezegging over het vervoer en de verkoop van deze blokken in Colombia maakten onderdeel uit van de deal ter compensatie van het geïnvesteerde geld. De rechtbank merkt de gesprekken rondom deze blokken niet aan als voorbereidingshandelingen en zal verdachte daarvan partieel vrijspreken. Verdachte heeft bij het opzetten van een drugslijn samengewerkt met [persoon 1] en met personen in Colombia en Ecuador. De rechtbank is van oordeel dat uit de gesprekken volgt dat er daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij verdachte een grote, essentiële rol had. Hij was degene die de contacten onderhield en ter plaatse ging kijken. Hij overtuigde [persoon 1] om mede te investeren, hij nam beslissingen en maakte afspraken. Alles overwegende is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen. Conclusie De rechtbank acht het medeplegen van de verweten voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne via een bloementraject wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank gaat hierbij uit van een kortere pleegperiode dan ten laste is gelegd, nu zij van oordeel is dat de voorbereidingshandelingen eindigen op het moment dat [slachtoffer] in Nederland aankomt, te weten op 4 maart 2020. Zij spreekt verdachte partieel vrij van de voorbereidingshandelingen met betrekking tot de 60 blokken base. 4.3.4.2 Feit 1 Vaststelling feiten en omstandigheden Zoals hiervoor overwogen, stelt de rechtbank vast dat ondanks de investering van verdachte en [persoon 1] in het kader van de voorbereiding van de invoer van cocaïne de contacten van verdachte niet zijn overgegaan tot de daadwerkelijke uitvoering van hetgeen waartoe is voorbereid, namelijk de invoer van cocaïne door middel van kartonnen dozen met bloemen. Er is niet geleverd door de partij met wie verdachte samenwerkte in Zuid-Amerika. Uit de chatgesprekken tussen verdachte en [persoon 1] blijkt dat verdachte hier zeer boos over was en het geld terug wilde. Om dit voor elkaar te krijgen is er een plan gemaakt, te weten [slachtoffer] laten pakken en vasthouden. [slachtoffer] had eerder voor verdachte getolkt bij de gesprekken met de contactpersonen in Colombia. Op 16 en 17 februari 2020 is dit plan in de chats met [persoon 1] uitgewerkt en besproken en was daarmee dus al concreet voordat [slachtoffer] in Nederland aankwam. Toen [slachtoffer] vervolgens op 4 maart 2020 in Nederland kwam, werd hij ontvoerd door personen uit Amsterdam die verdachte daarvoor had geregeld. Hij werd vervolgens vastgebonden en vastgehouden in een flat in Oost. Uit de gesprekken die daarop volgen blijkt dat [slachtoffer] is mishandeld, dat er een pistool op zijn hoofd is gezet en dat hij toen heeft gebeld met Colombia. Er zijn foto’s gemaakt die zijn verzonden aan [persoon 1] en er is er in ieder geval één verzonden aan de contactpersonen in Colombia. Hiermee wilde men hen onder druk zetten om het geïnvesteerde geld terug te betalen, maar dit werkte niet. Uit het gesprek op 25 maart 2020 begrijpt de rechtbank dat [persoon 1] bereid was om [slachtoffer] te laten gaan, maar dat verdachte dit stellig weigerde, ondanks dat de jongens die hem vasthielden ook al meerdere malen hadden aangegeven dat [slachtoffer] er eigenlijk niets mee te maken had. Uiteindelijk is er door verdachte genoegen genomen met het feit dat hij in Colombia nog de 60 blokken base had, ten aanzien waarvan eerder het voorstel was gedaan om die in Bogota te verkopen en met de opbrengst de investering van verdachte en [persoon 1] terug te betalen. In een gesprek op 7 april 2020 heeft verdachte aan [persoon 1] bevestigd dat hij [slachtoffer] heeft laten gaan. Beoordeling en reactie op de verweren De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake was van een daadwerkelijke gijzeling, maar dat het fictief was zodat de mensen in Colombia zouden betalen. Verdachte heeft verklaard dat de gijzeling niet alleen in scène was gezet om het geld terug te krijgen, maar ook om [persoon 1] aan het lijntje te houden. Ook heeft hij verklaard dat de gijzeling het idee van [slachtoffer] was en met de medewerking van [slachtoffer] in scène is gezet. De rechtbank stelt vast dat verdachte deze laatste verklaring pas voor het eerst tijdens de inhoudelijke behandeling heeft afgelegd. De rechtbank leidt uit de gesprekken af dat het plan om [slachtoffer] te ontvoeren al ruim voordat [slachtoffer] naar Nederland kwam concreet en tot in detail was uitgewerkt. Uit het dossier volgt niet dat er enig contact met [slachtoffer] is geweest over het in scène zetten van de gijzeling. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen juist dat verdachte het plan bedenkt waarbij [slachtoffer] vanaf het moment van aankomst in Nederland wordt gebruikt als drukmiddel om het geld terug te krijgen, omdat de overige contactpersonen onbereikbaar bleken voor verdachte. Verdachte heeft verklaard dat de Spaanstalige berichten over de gijzeling zijn geschreven door [slachtoffer] en via het SkyECC-account van verdachte zijn verzonden. Dit neemt echter niet weg dat uit de inhoud van de berichten blijkt dat de gijzeling van [slachtoffer] werd gebruikt om de contactpersonen in Colombia onder druk te zetten om de investering terug te betalen. Overigens, het enkele gegeven dat deze berichten door [slachtoffer] zouden zijn verstuurd, betekent op zichzelf nog niet dat daarmee geen sprake kan zijn van een gijzeling. Daarbij komt dat het verhaal dat [persoon 1] aan het lijntje moest worden gehouden, niet overeenkomt met het feit dat [persoon 1] heeft gevraagd [slachtoffer] vrij te laten en het feit dat er geen gevolgen waren voor verdachte toen verdachte [slachtoffer] uiteindelijk vrijliet en de investering nog niet was terugbetaald. Uit de berichten van 25 maart 2020 volgt juist dat het verdachte was die [slachtoffer] absoluut niet wilde laten gaan, terwijl anderen hem zeiden dat er een eind moest komen aan de gijzeling. De rechtbank ziet in de gesprekken geen enkele indicatie dat de gijzeling in scène is gezet. Door de verdediging is gewezen op de verklaring van getuige [getuige 1] die stelt dat [slachtoffer] op verzoek van verdachte bij hem heeft gelogeerd en dat van dwang geen sprake is geweest. Deze verklaring zou ondersteuning bieden voor de stelling dat de gijzeling in scène is gezet. De rechtbank stelt echter vast dat de getuige pas lange tijd na de verweten periode is ondervraagd. Hij kan geen antwoord geven wanneer hem naar details wordt gevraagd. Daarnaast is de verklaring van [getuige 1] op meerdere punten tegenstrijdig aan de verklaring van verdachte zelf. De rechtbank acht de getuigenverklaring dan ook niet betrouwbaar. Verdachte ontkent zelf te hebben geïnvesteerd in de voorbereidingshandelingen en betwist daarmee een motief te hebben voor een feitelijke gijzeling. Zoals eerder overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wel degelijk zelf ook geïnvesteerd heeft. Uit de gesprekken blijkt namelijk juist dat verdachte ontzettend boos is en zijn geld terug wil. De inhoud van de berichten sluit naar het oordeel van de rechtbank niet aan bij het scenario waarin alleen anderen geïnvesteerd hebben. Verdachte had hiermee dus wel degelijk een motief voor de gijzeling. Verder is door de verdediging gewezen op het feit dat het opmerkelijk is dat er geen contacten met de uitvoerders van de gijzeling terug te vinden zijn in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat er met de uitvoerders is gecommuniceerd via andere kanalen. Het ontbreken van die communicatie doet ook verder niets af aan de inhoud van de berichten, waaronder die met betrekking tot gemaakte foto’s, die zich wel in het dossier bevinden. Uit de terugkoppeling van verdachte aan [persoon 1] blijkt immers voldoende welke opdrachten de uitvoerders krijgen en welke handelingen zij verrichten, in die zin dat aan de opdrachten ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven. Voorts heeft verdachte betwist dat er foto’s zijn verzonden. De rechtbank stelt vast dat in verschillende gesprekken wordt gesproken over foto’s waarop te zien zou zijn hoe [slachtoffer] werd vastgehouden. Deze foto’s zijn verzonden aan [persoon 1] . Hij is er vervolgens door verdachte op gewezen dat hij de foto’s wel moet openen. In ieder geval één foto is daarnaast verzonden aan contactpersonen in Colombia. Zij hebben naar aanleiding van de foto gereageerd en gevraagd of het goed gaat met [slachtoffer] . Uit de inhoud van dit gesprek volgt dat op die foto [slachtoffer] was afgebeeld, vastgebonden in een kamer. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er wel degelijk foto’s zijn verzonden. De verdediging heeft aangevoerd dat er door getuige [getuige 2] en zijn familie geen letsel bij [slachtoffer] is waargenomen toen hij bij hen aankwam. Uit de gesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte al de eerste dag dat hij werd vastgehouden en dus begin maart 2020 is mishandeld en dat daar een foto van is genomen. [slachtoffer] is pas na 5 april 2020 bij getuige [getuige 2] aangekomen. Er kan daarnaast niet worden uitgesloten dat het letsel niet zichtbaar was omdat het verborgen was onder kleding of al genezen was. Tot slot heeft de verdediging betoogd dat het zeer vreemd is dat [slachtoffer] na de gijzeling in Nederland is gebleven en een vriendschappelijk contact heeft onderhouden met verdachte. Dit gedrag kan echter volgens de rechtbank worden verklaard door het feit dat [slachtoffer] op dat moment wist dat de personen in Colombia hem niet meer zouden helpen. Het is dan ook niet uit te sluiten dat [slachtoffer] verdachte na de gijzeling heeft geholpen om nog ernstigere gevolgen af te wenden. Alles overwegende acht de rechtbank het door verdachte geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. De rechtbank is ervan overtuigd dat wat er in de gesprekken is gezegd, aansluit bij en steun vindt in wat er in werkelijkheid is gebeurd. Hierbij wordt acht geslagen op het feit dat er sprake is van berichtenverkeer over de gijzeling, zowel richting [persoon 1] als naar de personen in Colombia, de gemaakte foto(’s) die zijn doorgestuurd, alsmede op de door verdachte aan [persoon 1] verzonden screenshots van gesprekken die met de telefoon van verdachte met CR7 zijn gevoerd. De chats met de Colombianen bevestigen de inhoud van de gesprekken met [persoon 1] . De inhoud van de chatberichten tussen verschillende personen wordt ondersteund door de toegezonden foto(’s). De verklaring van verdachte vindt daarentegen geen steun in het dossier, terwijl verdachte wel een motief of belang had bij een gijzeling. Zij volgt deze verklaring dan ook niet. Dit geldt te meer nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de verzonden foto(’s) en zelfs stelt daar niets van te weten. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte samen met anderen [slachtoffer] heeft gegijzeld om het geïnvesteerde geld terug te krijgen. De rol van verdachte bestond uit het initiëren en organiseren van deze gijzeling. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde medeplegen van de gijzeling van [slachtoffer] . 4.3.4.3 Feit 2 Vaststelling feiten en omstandigheden Op 17 oktober 2020 is rond 08.00 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer] gevonden op de stenen in de haven bij de Bergse Diepsluis in Tholen. Uit een getuigenverklaring blijkt dat het lichaam er op 16 oktober 2020 rond 18:00 uur nog niet lag. De schouwarts concludeert dat het feit dat de lijkstijfheid al was weggetrokken, kan passen bij een moment van overlijden twee tot drie dagen voor het aantreffen op de vindplaats. Uit het pathologisch onderzoek volgt dat de sporen op het lichaam erop wijzen dat het lichaam na de dood is verplaatst. Door onderzoek naar de waterstanden, de windrichting en de sporen op het lichaam kan uitgesloten worden dat het lichaam ter plaatse is aangespoeld. De beelden van [het schip] , die aan de steiger lag waar [slachtoffer] werd aangetroffen, zijn uitgekeken. De camera van dit schip was gericht in de richting van de vindplaats. Verbalisanten hebben de beelden van de periode van 16 oktober 2020 van 20:00 uur tot en met 17 oktober 08:00 uur bekeken. In dit tijdsbestek valt op dat om 00:39:19 uur een lichtkleurige bestelauto arriveerde, stopte en heeft stilgestaan. Er lijkt beweging waargenomen rondom het voertuig. Om 00:46:25 uur vertrok het voertuig weer. Buiten dit voertuig is er die genoemde periode geen enkel ander voertuig gestopt nabij de plaats van aantreffen van het lichaam tot getuige [getuige 3] in de ochtend aankwam en het lichaam zag liggen. De rechtbank leidt hieruit af dat het niet anders kan dan dat het lichaam van [slachtoffer] met de bestelbus naar de vindplaats is gebracht en daar op 17 oktober 2020 tussen 00:39:19 uur en 00:46:25 uur is achtergelaten. Op 8 december 2020 heeft de politie een anonieme tip ontvangen. In deze tip wordt een omschrijving gegeven van het conflict rondom de cocaïne import en de eerdere ontvoering van [slachtoffer] . Verdachte is door deze tip op de radar gekomen bij de politie. Tijdens het onderzoek is bekend geworden dat verdachte gebruikmaakte van de Mercedes Benz met [kenteken 1] . Dit gebruik in algemene zin is door verdachte niet betwist. Bij navraag van de ANPR-gegevens van dit voertuig bleek dat het voertuig op 16 oktober 2020 om 22:36 uur verplaatste van Rotterdam naar het zuiden, in de richting van Bergen op Zoom/Zeeland. Rond 22:47 uur is het voertuig geregistreerd ter hoogte van de Haringvlietbrug. Opmerkelijk is hierbij dat de Mercedes Benz over een traject van 17 kilometer op twee seconden werd gevolgd door een Ford Transit met [kenteken 2] . De Mercedes Benz was voorzien van [IMEI-nummer] . Dit voertuig straalde in de nacht van 16 op 17 oktober 2020 aan binnen het zendmastbereik van de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] . Op 17 oktober 2020 om 01:35 uur is de Mercedes Benz wederom gesignaleerd bij de Haringvlietbrug en om 01:42 uur bij knooppunt Hellegatsplein. Het voertuig reed dit keer in de richting van Rotterdam. Van de bestelbus [kenteken 2] waren uit een eerdere ANPR-melding afbeeldingen beschikbaar. Deze afbeeldingen zijn vergeleken met de beelden gemaakt in de avond/nacht van 16 op 17 oktober 2020 vanaf [het schip] . De politie concludeert aan de hand van vier overeenkomsten dat de bestelbus die is gefilmd door de camera van [het schip] mogelijk de bestelbus met [kenteken 2] is. Deze bus blijkt op 14 oktober 2020 te zijn gehuurd door [persoon 3] . De huurprijs is voldaan door [persoon 1] . Uit de ANPR- en ARS gegevens bleek dat dit voertuig op 14 oktober 2020 was opgehaald in Bergen op Zoom en naar Rotterdam is gereden om vervolgens, zoals reeds is vermeld, op 16 oktober 2020, aan het einde van de avond, vanuit Rotterdam richting Bergen op Zoom te rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2020 ’s ochtends met [persoon 1] heeft gesproken. Er is volgens verdachte gesproken over het huren van een bestelbus. Tijdens dit gesprek heeft verdachte telefonisch contact opgenomen met [persoon 3] en hem naar eigen zeggen gevraagd de bus te huren. Gedurende het onderzoek is bekend geworden dat verdachte gebruikmaakte van de telefoon met nummer [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is gekoppeld aan [persoon 3] . Wanneer op 14 oktober 2020 [persoon 3] de bestelbus gaat huren in Bergen op Zoom, verplaatsen ook de auto en de telefoon van verdachte zich vanuit [woonplaats] naar Bergen op Zoom en later terug naar Rotterdam. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar het telefoongebruik in de omgeving van de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] . De telefoon van verdachte straalde op 16 oktober 2020 om 23:11:23 uur aan op de zendmast [adres 5] , op 17 oktober 2020 om 00:07:37 uur op de zendmast [adres 1] en om 00:08:18 uur op de [adres 2] . De vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] ligt in het midden van het gebied dat door deze drie zendmasten kan worden bereikt. Opvallend is hierbij dat tussen 00:23 uur en 01:15 uur het toestel van verdachte in het geheel geen gebruik maakt van zendmasten. Uit de historische gegevens blijkt dat [persoon 3] in de periode van 28 september 2020 tot en met 23 oktober 2020 veelvuldig contact had met verdachte. Echter, precies tijdens de beweging van de voertuigen en de telefoons richting het zuiden en terug in de nacht van 16 op 17 oktober 2020 is er geen contact. Dit contact wordt in de loop van 17 oktober 2020 weer opgepakt. Uit de getuigenverklaring van [getuige 4] blijkt dat hij [slachtoffer] voor het laatst heeft gezien aan het einde van de dag op 28 september 2020. Hij heeft [slachtoffer] een lift gegeven naar een afspraak op het [straat] in Rotterdam alwaar hij bij een man in de auto is gestapt. Hij heeft hierbij het voertuig omschreven, wat volgens hem een Mercedes A-klasse kan zijn. De auto waarvan verdachte gebruik maakte betrof een Mercedes van dit model. Het telefoonnummer van verdachte straalt rond die tijd ook op het [straat] aan. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] daar op dat moment heeft ontmoet. De aan [slachtoffer] toegeschreven telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] straalden op 28 september 2020 respectievelijk om 19:28:09 uur en 19:29:50 uur beide voor de allerlaatste keer een zendmast aan op Nederlands grondgebied. De laatste zendmast was gelegen aan de [adres 3] , op ongeveer 475 meter afstand van het [straat] en daarmee dus relatief dichtbij dat plein. Op het moment dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van [slachtoffer] om 19:28:09 uur de zendmast “ [adres 4] ” aanstraalt, straalde het telefoonnummer van verdachte om 19:23:48 uur aan op de zendmast “ [adres 3] ”, zijnde de zendmast die de telefoon van [slachtoffer] als laatste heeft aangestraald. Beoordeling en reactie op de verweren De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat niet duidelijk is of het lichaam van [slachtoffer] met de Ford Transit is vervoerd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor genoemde feiten het niet anders kan dan dat het lichaam van [slachtoffer] met de bestelbus die op de camerabeelden van de [het schip] te zien is naar de vindplaats is vervoerd. Er is geen aannemelijk alternatief hoe het lichaam anders daar ter plaatse is gekomen. De rechtbank leest de bevindingen over de gelijkenis tussen de bus op de camerabeelden van de [het schip] en de afbeeldingen van de Ford Transit met [kenteken 2] in combinatie met de ANPR gegevens, de bevindingen over de betrokkenen bij en de gang van zaken rondom de huur van de bestelbus en de telefoongegevens van hen. Gelet hierop concludeert zij dat de bestelbus op de camerabeelden bij de vindplaats de Ford Transit met [kenteken 2] is. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet de bestuurder was van de Mercedes Benz met [kenteken 1] die bewuste avond, dat deze auto niet is geregistreerd nabij de vindplaats en dat de telefoon van verdachte met nummer [telefoonnummer 1] in dat voertuig lag. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto had uitgeleend aan [persoon 1] en dat het voornoemde telefoonnummer niet bij hem in gebruik was die avond. Verdachte betwist hiermee dat hij zelf in de nabijheid van de vindplaats van [slachtoffer] is geweest. De rechtbank stelt vast dat verdachte zeer wisselend heeft verklaard over de gang van zaken rond het uitlenen van de auto en het gebruik van zijn telefoon die bewuste avond en nacht. Telkens wanneer hij werd geconfronteerd met knelpunten in zijn verklaring, heeft verdachte zijn verklaring aangepast om, zo begrijpt de rechtbank, het scenario over het uitlenen van het voertuig met daarin zijn telefoon aan te laten sluiten op de informatie die hem werd voorgehouden. Zo verklaarde verdachte aanvankelijk dat hij de enige was die de code van de telefoon had, zodat hij er als enige gebruik van kon maken. Toen hij geconfronteerd werd met het feit dat de telefoon in gebruik was en er veelvuldig contact was met [persoon 3] in de periode waarin de auto zou zijn uitgeleend en de telefoon dus niet bij hem zou zijn, werd de verklaring over het uitlenen van het voertuig met daarin de telefoon aangepast. Op zitting heeft verdachte zijn verklaring wederom veranderd en verklaard dat er geen toegangscode op de telefoon zat. Gelet op al deze tegenstrijdigheden en wisselingen gelooft de rechtbank de verklaring van verdachte over het uitlenen van de auto inclusief de telefoon niet. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de bestuurder was van de Mercedes Benz in de nacht van 16 op 17 oktober 2020 en in de buurt is geweest van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is gevonden. Volgens de verdediging kan uit de camerabeelden niet worden afgeleid welke handelingen verdachte zou hebben verricht, omdat de Mercedes Benz niet zichtbaar is op de beelden. Het klopt dat in de bevindingen over de camerabeelden geen nadere beschrijving is opgenomen over wat er bij de bestelbus gebeurde. Wel is opgenomen dat de verlichting van het voertuig tijdens stilstand zeer wisselend was, hetgeen mogelijk kan duiden op het feit dat activiteit rondom de bestelbus heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment het lichaam van [slachtoffer] uit de bestelbus moet zijn gehaald en uiteindelijk is achtergelaten naast de steiger. Dit betekent logischerwijs dat [slachtoffer] van de bestelbus naar de vindplaats is verplaatst, er is immers geen enkele andere mogelijkheid waarop het levenloze lichaam anders naast de steiger kan zijn gekomen. Naar de mening van de verdediging kan het achterlaten van het lichaam op de uiteindelijke vindplaats niet worden gekwalificeerd als het wegmaken van een lijk, omdat het lichaam vindbaar op de stenen lag. De rechtbank stelt vast dat het wegmaken van een lijk strafbaar is gesteld om twee redenen. Allereerst wordt met het wegmaken van een lijk het belang van het behoud van het overleden lichaam geschonden. Daarnaast worden door het wegmaken van een lijk sporen gewist waardoor de bewijsvergaring die nodig is voor het onderzoek naar een eventueel strafbaar feit wordt verhinderd. Uit deze beschermde belangen leidt de rechtbank af dat het wegmaken niet zo beperkt uitgelegd moet worden dat hieronder alleen het langdurig of permanent verstoppen van een lichaam kan vallen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het achterlaten van een lichaam op een afgelegen plaats, zoals in onderhavig geval - niet zijnde de plaats waar de persoon in kwestie is overleden - wel degelijk worden aangemerkt als het wegmaken van een lijk. De verdediging heeft vervolgens betoogd dat er geen sprake is van medeplegen en dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die het lichaam heeft vervoerd. Nog daargelaten dat het voor een bewezenverklaring niet nodig is dat verdachte zelf het lichaam heeft vervoerd nu het medeplegen ten laste is gelegd, is de rechtbank van oordeel dat het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] moet worden geplaatst en bezien in de reeks van gebeurtenissen die hieraan vooraf zijn gegaan. Hieruit blijkt dat verdachte in Colombia kennis heeft gemaakt met [slachtoffer] die betrokken was bij de voorbereidingshandelingen voor de import van cocaïne. Toen dit misliep, heeft verdachte samen met anderen [slachtoffer] gegijzeld om zodoende het geïnvesteerde geld terug te krijgen. [slachtoffer] werd op 28 september 2020 voor het laatst gezien. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij die avond een afspraak had met [slachtoffer] op de locatie waar hij voor het laatst werd gezien. Verdachte vormt de link tussen [slachtoffer] , [persoon 1] en [persoon 3] . De noodzaak om deze bestelbus te huren, werd zeer waarschijnlijk ingegeven door de wetenschap van de dood van [slachtoffer] . Het geschatte tijdstip van overlijden ligt namelijk ook rond 14 oktober. Het is verdachte die ervoor zorgde dat [persoon 3] de bestelbus huurden op kosten van [persoon 1] . De bestelbus werd in de nacht van 16 op 17 oktober 2020 tijdens de rit naar de vindplaats vergezeld door de Mercedes Benz van verdachte. Gelet op de gegevens van deze Mercedes Benz en de telefoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte zelf gebruik heeft gemaakt van de Mercedes Benz. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte het vervoer van het lichaam heeft begeleid en toezicht heeft gehouden op het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] . De rechtbank merkt gelet op voorgaande verdachte aan als een organisator van het wegmaken van het lijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij daarbij nauw en bewust samen gewerkt met één of meerdere anderen. Dit levert het medeplegen op. Nu er sprake is van medeplegen is verdachte ook verantwoordelijk voor handelingen die door medeverdachten zijn gepleegd, zoals het daadwerkelijk wegvoeren van het lijk. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het wegvoeren en wegmaken van het lijk van [slachtoffer] . 4.3.4.4 Feit 4 Uit het dossier volgt dat verdachte in de periode van 3 april 2021 tot en met 16 juni 2021 veelvuldig gesprekken heeft gevoerd met verschillende personen. Hoewel er deels in verhulde termen werd gesproken, stelt de rechtbank vast dat de gesprekken gingen over drugs. Dit is door verdachte ook erkend. Daarnaast is verdachte in de verweten periode naar Peru en Colombia gereisd. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken niet kunnen worden gekwalificeerd als slechts roddels en luchtkastelen. De gesprekken geven juist sterke aanwijzingen dat de handel in drugs nog altijd de interesse van verdachte heeft en dat hij zich niet heeft onttrokken aan deze wereld. Anderzijds stelt de rechtbank ook vast dat de gevoerde gesprekken, buiten de reis van verdachte naar Peru, geen enkele bevestiging hebben gevonden in de realiteit. Daarnaast kan uit de inhoud van de gesprekken geen concreet plan worden afgeleid. Verdachte en zijn wisselende gesprekspartners spreken steeds over verschillende soorten drugs en wisselende mogelijkheden om drugs in te voeren. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over het misleiden van de douane en het doorgeven van baknummers. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit zaken zijn die bij de import van drugs moeten worden geregeld. Aan de andere kant ziet zij ook dat niet duidelijk wordt op welke manier en waar de misleiding zou moeten gebeuren of om welke concrete nummers het zou gaan. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte gelegenheid of middelen heeft verschaft of dat hij voorwerpen voorhanden heeft gehad. De rechtbank beoordeelt daarom uitsluitend of de handelingen zijn aan te merken als strafbare voorbereidingshandelingen door het verstrekken van inlichtingen. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken zeker de grens van de strafbare voorbereidingshandelingen opzoeken. Het dossier biedt echter onvoldoende concrete en feitelijke aanknopingspunten om vast te kunnen stellen wat er is voorbereid. Er is steeds sprake van losse gesprekken waarbij iedere context ontbreekt. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Zij zal verdachte vrijspreken van dit feit. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. primair in de periode van 4 maart 2020 tot en met 5 april 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, met dat opzet, - die [slachtoffer] meegenomen en/of overgebracht naar een woning en - die [slachtoffer] in die woning, tegen diens wil vastgehouden en belet en/of belemmerd die woning te verlaten en - die [slachtoffer] in die woning, vastgebonden (met handboeien) en - in die woning, geweld op het lichaam van die [slachtoffer] uitgeoefend en een of meer wapen(s), op het hoofd van die [slachtoffer] gericht en/of gezet, met het oogmerk anderen te dwingen iets te doen, te weten het afstaan van een of meer geldbedrag(en) en/of goed(eren) aan hem, verdachte; 2 in de periode van 16 oktober 2020 tot en met 17 oktober 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om de moord, althans de (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen het lijk van die [slachtoffer] hebben weggevoerd en weggemaakt; 3 in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 3 maart 2020 in Nederland en/of in Colombia en/of in Ecuador, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen - ( een) ander(en) heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of - voorwerpen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers hebben hij, verdachte en (een of meer van) zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats(en) - gesprekken gevoerd over de (internationale) handel in cocaïne en - het vliegtuig gepakt naar een of meer bronlanden in Zuid Amerika en in bronlanden in Zuid-Amerika ontmoetingen en afspraken gehad met mogelijke leveranciers van verdovende middelen en contacten gelegd en/of laten leggen en/of contacten onderhouden met een of meer leveranciers van verdovende middelen in een of meer bronlanden in Zuid-Amerika en - foto’s van karton en dozen (waarin de verdovende middelen verwerkt zullen gaan worden) en foto’s van het werkproces/verwerkingsproces doorgestuurd en foto’s van een stuk grond (alwaar bloemen verbouwd gaan worden) doorgestuurd en - een of meer aanbetaling(en) gedaan (ten behoeve van de (aankoop van) verdovende middelen en/of bloemen) en - (via Sky ECC) besproken dat er een busje geregeld moet worden om de (kartonnen) dozen (met daarin verwerkt de verdovende middelen) op te halen en/of dat er een ruimte (huis en/of boerderij en/of loods) in Nederland geregeld moet worden om de verdovende middelen uit de kartonnen dozen terug te halen / te winnen en/of dat de bloemen (daarna) verkocht moeten worden en/of dat er aceton gehaald moet worden en/of dat er een bestelling van (30) dozen gedaan moet worden en/of dat er 30 dozen gereed staan om verstuurd te worden en/of dat er iemand uit Colombia naar Nederland komt om de verdovende middelen terug te halen/winnen uit de kartonnen dozen en/of dat die dozen bij de douane 100% door de scan gaan komen en - aan meerdere chats deelgenomen die (vrijwel uitsluitend) betrekking hadden op de (internationale) handel in cocaïne, althans verdovende middelen (genoemd op lijst I van de Opiumwet) en - een of meerdere (PGP) telefoon(s) (met de (afgeschermde) applicatie Sky) (met chatberichten en/of foto’s en/of instructies en/of aanwijzingen over de import van verdovende middelen) ter beschikking gehad en/of zich(zelf) verschaft. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 Strafbaarheid feit Hoewel de feitelijke handelingen met betrekking tot het bloementraject als transportlijn voor de invoer van cocaïne bij feit 3 op basis van de bewijsmiddelen kunnen worden vastgesteld, zijn de handelingen naar de mening van de verdediging absoluut ondeugdelijk gebleken, omdat bij de contactpersonen uit Colombia nooit de intentie heeft bestaan de drugs daadwerkelijk aan verdachte of anderen te leveren. De verdediging stelt zich op het standpunt dat daardoor de handelingen niet strafbaar zijn en niet gekwalificeerd kunnen worden, en dat verdachte niet strafbaar is. Hier wordt geen nadere juridische conclusie aan verbonden. De officie