Strafbare belaging
Gerechtshof
Case Summary
Parketnummer : 20-003287-23 Uitspraak : 23 december 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 30 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-324882-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank Oost-Brabant heeft het aan de verdachte tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘belaging’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte - in zoverre opnieuw rechtdoende - zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2021 tot en met 15 oktober 2021 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - veelvuldig e-mailberichten te verzenden aan die [slachtoffer] en/of - die [slachtoffer] veelvuldig te bellen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 11 mei 2021 tot en met 15 oktober 2021 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - veelvuldig e-mailberichten te verzenden aan die [slachtoffer] en - die [slachtoffer] veelvuldig te bellen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en te dulden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, district en basisteam ’s-Hertogenbosch, registratienummer PL2100-2021162819, gesloten d.d. 10 november 2021 op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 173). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juli 2021 (dossierpagina’s 3 tot en met 6), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : Ik doe aangifte van stalking. (…) Ik werk als klachtencoördinator bij de politie Eenheid Oost-Brabant. Vanuit die functie ben ik in contact gekomen met meneer [verdachte] . Op 20 mei 2020 diende hij een klacht in bij de politie waarin hij schreef dat een schoonmaakbedrijf in Gemert de naam [verdachte] voerde en dat hij aangifte wilde doen van misbruik van die naamvoering. (…) De administratief medewerker van de afdeling klachten heeft op 28 mei 2020 een brief aan hem gestuurd waarin ze hem uitgelegd heeft dat dit gegeven geen strafbaar feit is zoals vermeld staat in het wetboek van Strafrecht en we om die reden geen aangifte van hem opnemen. Op 2 april 2021 ontving ik weer een klacht van meneer [verdachte] . Hij gaf hierin weer aan dat hij geen aangifte mocht doen van naam misbruik. Ik heb hierna gebeld met meneer [verdachte] om meer duidelijkheid te krijgen waarover hij aangifte wilde doen. (…) Ik heb mijn zakelijke telefoonnummer [telefoonnummer 1] hierbij zichtbaar gebruikt. Ik heb op 8 april 2021 15:25 uur een e-mail gestuurd vanuit mijn zakelijke e-mailadres [e-mailadres 1] aan meneer [verdachte] . Hierin heb ik hem uitgelegd dat hij eerder een klacht had ingediend met dezelfde inhoud. Ik heb hem nogmaals uitgelegd dat ik in zijn gegevens geen strafbaar feit kan ontdekken en dat de politie om die reden geen aangifte kan opnemen. Ik ben dezelfde dag, 8 april 2021 omstreeks 15:44 uur, gebeld op mijn zakelijke telefoonnummer door meneer [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit gesprek duurde enkele seconden en hierbij werd niets gezegd. Op 16 april 2021 ben ik gebeld op mijn zakelijke telefoonnummer door [telefoonnummer 2] op de volgende tijdstippen; 10:25, 10:26, 10:53, 16:23, 17:31, 17:52, 18:30, 18:47, 19:07,1 9:56, 20:07, 20:32, 20:43, 21:45, 21:46. Ik heb alleen het gesprek om 10:26 uur opgenomen, de overige oproepen heb ik niet opgenomen. Ik hoorde meneer [verdachte] aan de telefoon vertellen dat hij ontevreden is over de politie en daarbij had hij het over voor mij onbekende personen en situaties die jaren geleden afgespeeld hebben. Ik heb meneer [verdachte] uitgelegd dat ik klachtencoördinator ben bij de politie en vanuit die rol verder niets voor hem kan betekenen. Ik heb hem verzocht om mij niet meer te bellen en aangeven dat ik zijn telefoonnummer ga blokkeren. Op 17 april 2021 ben ik gebeld door [telefoonnummer 2] omstreeks 09:02, 09:05, 09:25, 11:34. Ik heb mijn telefoon niet opgenomen. Op 17 april 2021 om 12:31 uur ontving ik een e-mail van meneer [verdachte] (…). Op 19 april 2021 ben ik gebeld door [telefoonnummer 2] omstreeks 09:40, 09:42, 10:14, 11:40. Ik heb mijn telefoon niet opgenomen. Op 20 april 11:38 uur heb ik meneer [verdachte] een e-mail gestuurd waarin ik nogmaals uitleg dat ik geen strafbaar feit van hem heb vernomen waar de politie een aangifte van op kan nemen. Daarbij verzoek ik hem om mij niet meer te bellen. Op 20 april 2021 ontving ik 80 e-mailberichten van meneer [verdachte] vanaf zijn e-mailadres [e-mailadres 2] met oude documenten en oude foto’s. Op 20 april 2021 20:14 uur heb ik een e-mail gestuurd met een formele brief aan meneer [verdachte] waarin ik aangeef dat ik naar alle e-mailberichten heb gekeken, maar dat ik er geen strafbaar feit in kan ontdekken. Ik heb hem aangegeven dat als hij het niet eens is met mijn beslissing, dat hij dan bezwaar kan maken bij de Nationale ombudsman, Op 21, 22 en 23 april 2021 ontving ik 28 e-mailberichten met oude documenten van meneer [verdachte] . Op 26 april 2021 heb ik een e-mail aan meneer [verdachte] gestuurd waarin ik hem vraag om mij geen e-mailberichten meer te sturen omdat ik niets voor hem kan betekenen. Diezelfde dag ontving ik 8 e-mailberichten van meneer [verdachte] met documenten. Op 27 april 2021 heb ik meneer [verdachte] een e-mail gestuurd waarin hem heb gewezen op mijn eerdere verzoek om mij geen e-mailberichten meer te sturen. Ik heb hem laten weten dat ik zijn e-mailberichten om die reden ga blokkeren. Op 11 mei 2021 heb ik meneer [verdachte] een aangetekende brief gestuurd. Hierin geef ik aan dat ik hem verzocht heb (hof leest: niet) te mailen en bellen en hem om die reden geblokkeerd heb. Ik heb hm laten weten dat als hij hiermee door blijft gaan, dat ik dan aangifte van stalking ga doen. Meneer [verdachte] is mij met regelmaat blijven bellen tot op de dag van vandaag met zijn telefoonnummer. Tot vandaag zijn dat 62 oproepen. Daarnaast gebruikt hij ook veelvuldig een afgeschermd telefoonnummer. Ik weet dat hij mij gebeld heeft omdat hij meestal mijn voicemail inspreekt. Soms heb ik mijn telefoon opgenomen als ik gebeld werd door een afgeschermd telefoonnummer. In alle gesprekken geeft hij aan dat er heel veel strafbare feiten gebeurd zijn, er veel zware criminaliteit is en vraagt hij mij om langs te komen of terug te bellen. De keren dat ik hem onverwacht aan de telefoon kreeg heb ik telkens tegen meneer [verdachte] gezegd dat ik het vervelend vind dat hij me blijft bellen en vraag ik hem hiermee te stoppen. Hij belt me zeer regelmatig, op alle dagen van de week, zowel overdag als ‘s nachts. De frequentie van het bellen en de intimiderende, opdringerige toon van de voicemailberichten van meneer [verdachte] ervaar ik als doxing. Het vasthoudende gedrag en de persoonlijke benadering vind ik heel erg vervelend. Vanuit mijn functie wil ik bereikbaar zijn voor burgers en politiemedewerkers, maar hierdoor neem ik geen afgeschermde telefoonnummers meer op. 2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2021 (dossierpagina 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Ik maakte een vordering verstrekking gebruikersgegevens op artikel 126na. Ik bevroeg het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik zag dat het bevraagde telefoonnummer was gekoppeld aan een T-Mobile abonnement. Ik zag dat het abonnement in gebruik was genomen op 24 september 2019. Ik zag dat het abonnement op naam staat van [verdachte] , woonachtig op [adres] . 3. Een schriftelijk bescheid, te weten een aangetekende brief d.d. 11 mei 2021, gericht aan de verdachte [verdachte] (dossierpagina 9), voor zover inhoudende als volgt: Dhr. [verdachte] [adres] (…) Geachte heer [verdachte] , Op 2 april 2021 diende u een klacht in bij de politie Eenheid Oost-Brabant. U klaagt erover dat de politie geen aangifte opneemt. ik heb aan u gevraagd om mij de informatie te geven waarvan u aangifte wil doen. lk heb veel informatie van u ontvangen, maar daarin heb ik geen strafbaar feit kunnen ontdekken. ik heb aan u gevraagd van welk strafbaar feit u aangifte wenst te doen. Daarop heb ik geen antwoord ontvangen. (…) Op 20 april 2021 heb ik u een brief gestuurd met het besluit dat klachtbehandeling niet van toepassing is omdat er geen strafbaar feit is waarvan u aangifte kan doen. U bleef mij dagelijks e-mailberichten sturen. Op 26 april 2021 heb ik u in een e-mail gevraagd om mij geen e-mailberichten meer te sturen omdat ik niets voor u kan betekenen. Als u dat zou blijven doen zou ik uw e-mailberichten blokkeren. Omdat u mij e-mailberichten bleef sturen heb ik uw e-mailberichten en telefoonnummer geblokkeerd. Van 26 april 20201 tot 10 mei 2021 heb ik nog 16 telefonische oproepen van u ontvangen. ik verzoek u met klem om hiermee te stoppen. Als u mijn verzoek negeert dan zal ik aangifte van stalking tegen u gaan doen. (…) Met vriendelijke groet, [slachtoffer] Klachtencoördinator 4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2021 (dossierpagina 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Ik maakte een vordering verstrekking gebruikersgegevens op artikel 126na. Ik bevroeg het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik zag dat het bevraagde telefoonnummer was gekoppeld aan een T-Mobile abonnement. Ik zag dat het abonnement in gebruik was genomen op 24 september 2019. Ik zag dat het abonnement op naam staat van [verdachte] , woonachtig op [adres] . 5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2021 (dossierpagina 12), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : In het kader van het onderzoek naar de aangifte van stalking/belaging, nam ik telefonisch contact op met aangeefster [slachtoffer] . (…) Desgevraagd hoorde ik dat de aangeefster zei dat zij heden ochtend, vrijdag 15 oktober 2021, nog gebeld was door telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik hoorde dat zij dit nummer herkende als zijnde het telefoonnummer van [verdachte] . Desgevraagd hoorde ik dat de aangeefster zei dat [verdachte] , ook gebruik maakte van andere telefoonnummers, te weten: [telefoonnummer 3] op zondag 8 augustus 2021 en zondag 22 augustus 2021. Ik hoorde dat de aangeefster zei dat [verdachte] ook [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] gebruikte. 6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2021 (dossierpagina 20-145), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : In het kader van het onderzoek naar de belaging van aangeefster [slachtoffer] , vroeg ik de aangeefster om alle e-mailberichten welke zij van de verdachte ontving, mij te doen toekomen. Op maandag 11 oktober 2021, ontving ik via collega [verbalisant 2] de door mij gevraagde e-mail berichten. Ik zag dat alle berichten waren gericht aan e-mailadres [e-mailadres 1] . Ik zag dat alle e-mail berichten afkomstig waren van [e-mailadres 2] . Ik zag dat de naam [verdachte] , aan het e-mailadres was toegevoegd. Ik zag in de navolgende maanden e-mailberichten waren gestuurd: (…) Juni 2021 53 berichten zaterdag 5 juni 2021 11.40 uur vrijdag 18 juni 2021 23.12 uur vrijdag 18 juni 2021 23.18 uur dinsdag 22 juni 2021 12.06 uur dinsdag 22 juni 2021 12.06 uur woensdag 23 juni 2021 12.11 uur woensdag 23 juni 2021 12.25 uur woensdag 23 juni 2021 12.26 uur woensdag 23 juni 2021 16.52 uur woensdag 23 juni 2021 16.52 uur woensdag 23 juni 2021 16.52 uur woensdag 23 juni 2021 16.53 uur woensdag 23 juni 2021 16.53 uur woensdag 23 juni 2021 16.54 uur woensdag 23 juni 2021 16.54 uur donderdag 24 juni 2021 19.09 uur donderdag 24 juni 2021 19.09 uur donderdag 24 juni 2021 19.42 uur donderdag 24 juni 2021 19.45 uur donderdag 24 juni 2021 19.46 uur donderdag 24 juni 2021 19.47 uur donderdag 24 juni 2021 19.49 uur donderdag 24 juni 2021 19.51 uur donderdag 24 juni 2021 19.51 uur donderdag 24 juni 2021 19.54 uur donderdag 24 juni 2021 20.06 uur donderdag 24 juni 2021 21.04 uur donderdag 24 juni 2021 21.05 uur donderdag 24 juni 2021 21.13 uur donderdag 24 juni 2021 21.14 uur donderdag 24 juni 2021 21.27 uur donderdag 24 juni 2021 21.28 uur donderdag 24 juni 2021 21.31 uur donderdag 24 juni 2021 21.34 uur donderdag 24 juni 2021 21.34 uur vrijdag 25 juni 2021 23.24 uur vrijdag 25 juni 2021 23.37 uur vrijdag 25 juni 2021 23.38 uur vrijdag 25 juni 2021 23.38 uur vrijdag 25 juni 2021 23.38 uur vrijdag 25 juni 2021 23.39 uur vrijdag 25 juni 2021 23.40 uur vrijdag 25 juni 2021 23.41 uur vrijdag 25 juni 2021 23.41 uur vrijdag 25 juni 2021 23.42 uur vrijdag 25 juni 2021 23.42 uur vrijdag 25 juni 2021 23.44 uur vrijdag 25 juni 2021 23.56 uur vrijdag 25 juni 2021 23.59 uur vrijdag 25 juni 2021 23.41 uur zaterdag 26 juni 2021 10.39 uur zaterdag 26 juni 2021 10.43 uur zaterdag 26 juni 2021 00.00 uur Juli 202113 berichten donderdag 1 juli 2021 23:43 uur donderdag 1 juli 2021 23:43 uur zondag 4 juli 2021 12.59 uur zondag 4 juli 2021 12.59 uur maandag 5 juli 2021 13.33 uur zondag 18 juli 2021 15.51 uur zondag 18 juli 2021 15.54 uur zondag 18 juli 2021 15.57 uur zondag 18 juli 2021 15.58 uur zondag 18 juli 2021 16.06 uur zondag 18 juli 2021 16.11 uur dinsdag 27 juli 2021 22.05 uur donderdag 29 juli 2021 00.06 uur Augustus 202115 berichten zondag 1 augustus 2021 10.02 uur zondag 1 augustus 2021 10.29 uur zondag 1 augustus 2021 10.34 uur donderdag 12 augustus 2021 12.02 uur vrijdag 13 augustus 2021 10.17 uur vrijdag 13 augustus 2021 11.56 uur zaterdag 14 augustus 2021 00.28 uur zaterdag 14 augustus 2021 00.33 uur woensdag 18 augustus 2021 10.20 uur woensdag 18 augustus 2021 12.48 uur woensdag 18 augustus 2021 12.50 uur woensdag 18 augustus 2021 10.52 uur woensdag 18 augustus 2021 10.53 uur woensdag 25 augustus 2021 11.59 uur donderdag 26 augustus 2021 21.28 uur September202112 berichten woensdag 8 september 2021 14.11 uur woensdag 8 september 2021 14.11 uur woensdag 15 september 2021 21.12 uur woensdag 15 september 2021 21.45 uur woensdag 15 september 2021 21.45 uur woensdag 15 september 2021 21.45 uur woensdag 15 september 2021 21.45 uur donderdag 16 september 2021 15.34 uur donderdag 16 september 2021 16.05 uur vrijdag 17 september 2021 23.52 uur zaterdag 18 september 2021 00.26 uur dinsdag 28 september 2021 15.56 uur Oktober202118 berichten dinsdag 5 oktober 2021 20.58 uur dinsdag 5 oktober 2021 21.04 uur dinsdag 5 oktober 2021 21.21 uur dinsdag 5 oktober 2021 21.21 uur dinsdag 5 oktober 2021 21.22 uur donderdag 7 oktober 2021 11.56 uur donderdag 7 oktober 2021 11.56 uur donderdag 7 oktober 2021 13.59 uur donderdag 7 oktober 2021 14.07 uur donderdag 7 oktober 2021 14.53 uur donderdag 7 oktober 2021 14.54 uur donderdag 7 oktober 2021 14.54 uur donderdag 7 oktober 2021 15.16 uur donderdag 7 oktober 2021 15.17 uur donderdag 7 oktober 2021 15.18 uur donderdag 7 oktober 2021 15.18 uur donderdag 7 oktober 2021 15.19 uur donderdag 7 oktober 2021 15.18 uur Ik zag dat er in de periode van april tot en met oktober 2021, 104 e-mailberichten (het hof telt er 111) werden verstuurd vanaf e-mailadres [e-mailadres 2] naar [e-mailadres 1] . Ik zag dat geen van de berichten getypte tekst bevatte. Ik zag dat de emailberichten enkel waren voorzien een afbeelding. Ik zag dat de afbeeldingen varieerden van rouwkaarten, brieven aan het koningshuis tot afbeeldingen van politiecollega's. 7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 oktober 2021 (dossierpagina’s 151-169), voor zover als inhoudende de verklaring van de verdachte: V: Wat is uw e-mail adres? A: [e-mailadres 2] V: Hoe lang gebruikt u dit e-mailadres al? A: Ik denk zo lang het bestaat ik denk dat ik dat ook al met mijn werk gebruikte. (…) V: Wat is uw telefoonnummer? A: [telefoonnummer 2] . V: Hoe lang maakt u al gebruik van dit telefoonnummer? A: Al ongeveer 15 jaar, zeker 15 jaar. V: Welke telefoonnummers gebruikt u nog meer? A: Als ik een andere telefoongebruik is dat de telefoon van mijn vrouw. (…) V: Dus je hebt die telefoon al zes jaar en het nummer gebruik al 15 jaar? A: Ja. V: Wie maakt er nog meer gebruik van jouw telefoon en telefoonnummer in het laatste half jaar? A: Niemand, zover ik weet. (…) O: Door onderzoek is vastgesteld dat telefoonnummer [telefoonnummer 3] verbonden is aan een Vodafone abonnement en toebehoort aan [betrokkene] , woonachtig op [adres] . V: Wat kan u daarover verklaren? A: Dat is het telefoonnummer van mijn vrouw. O: Door onderzoek is vastgesteld dat telefoonnummer [telefoonnummer 4] op 7 juli 2005, was ingevoerd als zijnde bereikbaarheidsnummer van [verdachte] geboren op [geboortedag] 1958, te [geboorteplaats] , woonachtig op [adres] . V: Wat kan u daarover verklaren? A: Dat is inderdaad een oud nummer van mij. O: Door onderzoek is vastgesteld dat telefoonnummer [telefoonnummer 5] op 15 juli 2009, was ingevoerd als zijnde bereikbaarheidsnummer van [verdachte] geboren op [geboortedag] 1958, te [geboorteplaats] , woonachtig op [adres] . V: Wat kan u daarover verklaren? A: Dat is een oud nummer van mij vanuit de [straatnaam] . (…) O: Aangeefster verklaarde: ‘Op 11 mei 2021 heb ik meneer [verdachte] een aangetekende brief gestuurd( bijlage 2). Hierin geef ik aan dat ik hem verzocht heb niet meer te mailen en bellen en hem om die reden geblokkeerd heb. Ik heb hem laten weten dat als hij hier mee door blijft gaan dat ik dan aangifte van stalking ga doen’. V: Wat kan u daarover verklaren? A: Ik heb ze ( het hof begrijpt: de brieven van aangeefster ) wel ontvangen. (…) V: Sprak u de voicemail in van aangeefster? A: (…) Ik zei dan dat ik mijn werk wel terug zou willen hebben. 8. Een (losbladig) proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangeefster d.d. 29 juni 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : (…) Voor mij is het ( het hof begrijpt: in het algemeen ) geen belemmering dat ik in de avonduren gebeld wordt. In mijn functie heb ik te maken met mensen die alleen in de avonduren telefonisch bereikbaar zijn en ben ik in gesprek met politiemedewerkers in onregelmatige diensten. Om die reden neem ik ook in de avonden en weekenden mijn telefoon op. 9. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 december 2024, voor zover inhoudende als volgt: Het klopt dat ik in de periode van 11 mei 2021 tot en met 15 oktober 2021 veel heb gebeld en gemaild naar aangeefster. (…) Het klopt dat aangeefster mij heeft gezegd te stoppen met bellen en mailen. Ik ben inderdaad wel doorgegaan met mailen en bellen nadat aangeefster mij op 11 mei 2021 een brief had gestuurd met daarin de mededeling dat ik moest stoppen. Ik heb voor het bellen de nummers van mij en mijn vrouw gebruikt. (…) Het kan kloppen dat ik in de avonduren belde naar aangeefster. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte met zijn gedragingen -die niet worden betwist - geen inbreuk heeft gemaakt op de ‘persoonlijke levenssfeer’ van aangeefster. Daaraan heeft de raadsvrouw ten grondslag gelegd dat de verdachte veelvuldig contact heeft opgenomen met aangeefster als klachtenfunctionaris bij de politie ter verwezenlijking van een ‘zakelijk doel’, te weten het doen van aangifte c.q. het verkrijgen van hulp. Juridisch kader belaging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging. Voor een bewezenverklaring van belaging is vereist dat er sprake is van wederrechtelijke stelselmatige opzettelijk een inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Het opzet van de dader dient er allereerst op gericht te zijn dat er een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Vereist is tevens dat de dader het oogmerk moet hebben om het slachtoffer te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen. Niet vereist is dat het slachtoffer ten gevolge van de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten wat hij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan of niet zou hebben nagelaten, mits in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend is een bepaalde opstelling teweeg te brengen (vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25768, 5, p. 16). Bij de beoordeling of er sprake is van stelselmatigheid dienen de aard, de duur de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers in samenhang te worden bezien en afgewogen. Dat leidt ertoe dat op zichzelf relatief onschuldige gedragingen door hun stelselmatigheid een inbreuk in vorenbedoelde zin kunnen betekenen. Datzelfde geldt voor gedragingen die zich in een relatief kort tijdsverband hebben afgespeeld en niet zonder meer frequent zijn. Dergelijke gedragingen kunnen door hun aard en intensiteit onder omstandigheden worden gekwalificeerd als belaging (vgl. onder meer HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:4). Voor belaging is niet vereist dat moet blijken van ernstige emotionele gevolgen, een grote verstoring van het dagelijks leven althans een zeer ingrijpende of diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495). De omstandigheid dat de berichten en brieven gestuurd werden naar de werkplek van het slachtoffer en dat de inhoud daarvan zijn werkzame optreden betrof, staat niet aan het aannemen van belaging in de weg (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL8642). Met betrekking tot het ‘inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer’ heeft te gelden dat de ‘persoonlijke levenssfeer’ zich niet enkel uitstrekt tot besloten ruimtes, zoals woningen of erven, maar ook tot openbare ruimtes, mits de betrokkene redelijkerwijs aanspraak kon maken op (een zekere mate van) privacy ( Kamerstukken II 1997/98, 25768, p. 5 t/m 8). Uit de bewijsmiddelen volgende feitelijke vaststellingen De verdachte heeft op 20 mei 2020 bij de politie een klacht ingediend waarin hij schreef dat een schoonmaakbedrijf in Gemert de naam [verdachte] voerde en dat hij aangifte wilde doen van misbruik van die naamvoering. Daarop heeft de politie de verdachte op 28 mei 2020 te kennen gegeven dat dit geen strafbaar feit oplevert en dat om die reden geen aangifte opgenomen wordt. Vervolgens heeft de verdachte op 2 april 2021 wederom een klacht ingediend, luidende dat hij geen aangifte mocht doen van naam-misbruik. Aangeefster heeft de verdachte hierop gebeld, waarbij haar persoonlijke zakelijk telefoonnummer voor de verdachte zichtbaar was, en hem gevraagd om wat meer informatie aan haar toe te sturen, opdat zij de zaak serieus kon bekijken. Aangeefster heeft op 8 april 2021 een mailbericht gestuurd naar de verdachte vanuit haar individuele zakelijke mailadres met daarin de uitleg dat en waarom er geen sprake was van een strafbaar feit en dat hierom geen aangifte kan worden opgenomen. Aangeefster is hierna door de verdachte in de (niet tenlastegelegde) periode van 8 april 2021 tot en met 27 april 2021 veelvuldig gebeld en gemaild op haar persoonlijke zakelijke nummer, respectievelijk haar eigen naam bevattende zakelijke mailadres. De verdachte wist derhalve dat zijn telefoontjes en mailberichten aangeefster persoonlijk zouden bereiken. Aangeefster heeft de verdachte vervolgens op 27 april 2021 een mailbericht gestuurd, waarin zij te kennen gaf zijn mailadres te blokkeren. Aangeefster had reeds op 16 april 2021 telefonisch aan de verdachte te kennen gegeven dat hij haar niet meer moest bellen en dat zij zijn telefoonnummer zou blokkeren. Op 11 mei 2021 is door aangeefster een aangetekende brief gestuurd aan de verdachte, met de mededeling dat het contact moest stoppen. De verdachte heeft die brief ontvangen. Desondanks heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode van ongeveer 5 maanden veelvuldig telefonisch en per email rechtstreeks contact met aangeefster opgenomen via haar eigen zakelijke telefoonnummer en haar eigen naam bevattende zakelijke emailadres. Zo heeft de verdachte in de periode vanaf 5 juni 2021, 111 mailberichten naar aangeefster gestuurd op elke dag van de week, ook in de weekenden. Die mailberichten zijn gestuurd op verschillende tijdstippen gedurende de dag, waaronder in de avond en nacht. De mailberichten van de verdachte hielden telkens niet ter zake dienende afbeeldingen en/of teksten in, waaronder rouwkaarten, brieven aan het koningshuis en afbeeldingen van politiecollega's. De verdachte heeft aangeefster tot 23 juli 2021 62 keren gebeld met zijn eigen telefoonnummer en daarnaast nog veelvuldig met een onbekend nummer, welke laatste telefoontjes aangeefster dan wel opnam. Ook dan zei aangeefster tegen verdachte dat zij het vervelend vond dat hij haar bleef bellen en vroeg zij hem daarmee te stoppen. Ook het bellen vond plaats op alle dagen van de week, zowel overdag als ‘s nachts.. Oordeel hof De verdachte is - ondanks herhaalde niet mis te verstane verzoeken van aangeefster om met e-mailen en bellen te stoppen- aangeefster blijven bellen en mailen naar haar gepersonaliseerde mail-/telefoonadres, wetende dat hij haar rechtstreeks zou bereiken. De verdachte deed dit vijf maanden lang, op alle dagen van de week, ook in de weekenden, en ook in de avond en ’s nachts. Daarbij heeft de verdachte de door aangeefster aangekondigde telefonische blokkades bewust omzeild door het gebruiken van voor haar onbekende/afgeschermde nummers waardoor zij toch weer opnam. De gestuurde e-mailberichten bevatten tal van niet ter zake dienende afbeeldingen en/of teksten. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster deze gedragingen van de verdachte en zijn persoonlijke benadering als intimiderend, opdringerig en heel vervelend heeft ervaren. Het hof overweegt dat onder voormelde feitelijke vaststellingen de verdachte met zijn gedragingen - gelet op de aard, de duur de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers in onderlinge samenhang bezien - wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met het oogmerk iets te doen (het laten opnemen van zijn aangifte) en te dulden (het dulden van het contact dat met haar wordt opgenomen). De gedragingen van de verdachte hebben zich niet beperkt tot het dagelijks werk en in forse mate ook een inbreuk gemaakt op de privésituatie buiten het werk. Uit de door de verdachte verrichtte gedragingen alsmede de aard van zijn handelen volgt dat de verdachte het oogmerk had om aangeefster te dwingen zijn klacht c.q. aangifte in behandeling te nemen. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden volgt reeds uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte en de verdachte aangeefster heeft gedwongen feitelijk te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht en aldus inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer (vgl. HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080). Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt: belaging. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging. De verdachte heeft aangeefster in haar functie als klachtencoördinator bij de politie veelvuldig e-mailberichten gestuurd en haar veelvuldig gebeld, ook in het weekend en laat in de avond en nacht. Het slachtoffer heeft het handelen van de verdachte als intimiderend en vervelend ervaren. De verdachte heeft met zijn handelen het werk van een politieambtenaar gehinderd, die een belangrijke functie uitoefent op het gebied van integriteit van de opsporing. De verdachte heeft gehandeld vanwege een hardnekkige opvatting met betrekking tot een door hem persoonlijk ervaren kennelijke onrechtvaardigheid, welke ondanks aansporingen daartoe niet concreet is gemaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep blijk gegeven van weinig inzicht in het strafwaardige van zijn handelen. Zo heeft de verdachte onder meer externaliserende opmerkingen gemaakt omtrent het tenlastegelegde, inhoudende dat als aangeefster eerder en duidelijker had aangegeven om te stoppen, hij dit wel had gedaan. Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 oktober 2024 betreffende de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder (2009) onherroepelijk is veroordeeld terzake van belaging, welke veroordeling hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om zich opnieuw aan dit feit schuldig te maken. Het hof heeft tevens acht geslagen op het door de reclassering uitgebrachte advies omtrent de verdachte van 25 april 2023. Gerapporteerd is dat de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte ten grondslag lijkt te liggen aan het delict. Voornoemde problematiek wordt door de reclassering ook als de grootste risicofactor beschouwd. Met betrekking tot de overige persoonlijke omstandigheden heeft te gelden dat de verdachte en zijn vrouw samenwonen en leven van een uitkering. De verdachte kampt daarnaast met lichamelijke klachten, waaronder suikerziekte, klachten met betrekking tot zijn alvleesklier en nieren en een hoge bloeddruk. Het hof zal aan de verdachte een werkstraf opleggen van 80 uur, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan de helft (40 uur) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De gezondheid van de verdachte staat daaraan niet in de weg, nu de reclassering bij de uitvoer van de werkstraf rekening kan en zal houden met wat voor de verdachte haalbaar is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Verminderde toerekeningsvatbaarheid Het hof overweegt - in reactie op het verweer van de raadsvrouw dat het feit in verminderde mate aan de verdachte moeten worden toegerekend - dat dit verweer feitelijke grondslag ontbeert. Uit het dossier volgt immers geen begin van aannemelijkheid dat de mentale staat waarin de verdachte verkeerde noopt tot het oordeel dat het feit in verminderde mate aan hem moet worden toegerekend. Het verweer wordt dan ook verworpen. Overschrijding van de redelijke termijn Het hof constateert overweegt dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is geschonden en stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD257). Het hof overweegt dat in deze zaak de redelijke termijn van 24 maanden geldt nu de verdachte terzake van dit feit niet in verzekering is gesteld of voorlopig gehecht is geweest. Het eerste verhoor van de verdachte vond plaats op 28 oktober 2021. Op 30 november 2023 wees de rechtbank het vonnis, waardoor de redelijke termijn van berichtgeving in eerste aanleg met iets meer dan een maand is overschreden. Op 6 december 2023 is namens de verdachte appel ingesteld tegen het vonnis. Het hof wijst heden, 23 december 2024 - en dus binnen een termijn van 24 maanden - arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden. Het hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, slechts dient te worden geconstateerd, nu de ernst van de inbreuk, mede in het licht van de duur en omvang van de opgelegde straf, van betrekkelijk geringe aard is. Het hof merkt daarbij nog op dat de totale behandeling van de zaak in eerste en tweede aanleg ruimschoots binnen de redelijke termijn van in totaal 4 jaren is gebleven. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis; bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aldus gewezen door: mr. dr. C.M. Hilverda, voorzitter, mr. R. Lonterman en mr. K.J. van Dijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S. van den Akker, griffier, en op 23 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.