Skip to content
Case Law
NL

Ontbreken voorafgaande rechterlijke machtiging verzoek aan Costa Rica levert inbreuk op, maar deze is niet onevenredig

Dutch Courts

Dutch Courts

Case Summary

Zaaknummer: H-127/2022 Parketnummer: 500.00014/21 Uitspraak: 20 maart 2025 Tegenspraak Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 augustus 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteland], thans gedetineerd in [verblijfplaats]. Hoger beroep Het Gerecht heeft bij zijn vonnis van 11 augustus 2022 de dagvaarding onder feit 4 partieel nietig verklaard en de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde geheel en van het onder 7 ten laste gelegde partieel vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 4 (voor zover nog aan de orde), 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op in beslag genomen geldbedragen. (Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van feit 3 en (partieel) van feit 7. Deze partiële vrijspraak van feit 7 betrof het ten laste gelegde witwassen van een Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen. Het Hof ziet de tenlastelegging van feit 7 als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse voorwerpen en geldbedragen die de verdachte zou hebben witgewassen in één feit zijn ten laste gelegd. Het Hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraak ook als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte (partiële) vrijspraken. Omvang van het hoger beroep Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde. Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, naar voren is gebracht. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ter zake van de feiten waarvoor de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken (feit 3 en partieel feit 7). De procureur-generaal heeft voorts gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen. Geldigheid van de inleidende dagvaarding In eerste aanleg is door de verdediging het verweer gevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard nu de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 onvoldoende gespecificeerd en feitelijk is. Het Gerecht heeft dienaangaande beslist dat de dagvaarding ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde partieel nietig is. Het Hof heeft zich – ondanks dat in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd – ambtshalve gebogen over de vraag of de tenlastelegging ter zake van feit 4 geldig is. Het Hof komt tot het oordeel dat het zich verenigt met de beslissing van het Gerecht en de in het vonnis opgenomen overweging daartoe en deze overneemt. Ingelast uit het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg wordt aldus het volgende: “Aan de verdachte is – voor zover hier van belang en kort gezegd – na het eerste gedachtestreepje ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen, in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 één of meer (grote) hoeveelheden cocaïne heeft uitgevoerd en/of ingevoerd, in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumwetlandsverordening 1960, en/of deze heeft bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht etc., zonder enige nadere feitelijke duiding. Het is tegen de achtergrond van het dossier waarin zich een veelheid aan PGP-gesprekken bevindt, waarin wordt gesproken over allerlei hoeveelheden, transporten en transacties, niet duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verdedigen, te minder omdat diezelfde gesprekken ook (deels) kunnen worden betrokken op de voorbereidingshandelingen die de verdachte onder feit 6 (en overigens, naar het oordeel van het Hof, ook onder feit 5) eveneens zijn ten laste gelegd. Gelet op dit alles is het gerecht van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 op dit onderdeel, dus partieel, nietig is.” Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van de overige feiten voldoende duidelijk is en dat deze derhalve geldig is. Normschendingsverweer (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Cryptocommunicatie (te Curaçao) Standpunt verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi – samengevat en zakelijk weer gegeven en naar het Hof begrijpt – het volgende naar voren gebracht. Het voorliggende bewijsmateriaal, alsook de verdenking en identificatie van de verdachte, berust in zwaarwegende zin op een selectie van in bulk verzameld encrypted communicatiemateriaal (te weten berichten uit PGP- en SKY-bulkmateriaal), zonder dat daartoe een voorzienbare met waarborgen omgeven wet- en regelgeving bestaat. Ook kan hetgeen is verzameld niet op effectieve en onafhankelijke wijze worden getoetst, hetgeen strijd oplevert met het in artikel 6 EVRM bepaalde. Er is sprake geweest van juridisch en forensisch pionieren. Tevens is door de wijze van onderzoek van (telefonische) communicatie sprake geweest van een inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, althans al het vermeend belastend materiaal dient, als onrechtmatig verkregen, te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw. PGP-Safe-data Ten aanzien van de PGP-Safe-data heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de data oorspronkelijk zijn verkregen via een rechtshulpverzoek van een Nederlandse officier van justitie aan de autoriteiten in Costa Rica. De verdediging stelt dat dit rechtshulpverzoek geen juiste wettelijke grondslag vermeldt en ook de daaraan verbonden waarborgen ontbeert. Voorts ontbreekt een machtiging van een rechterlijk college. Verder is gebleken dat de verkregen data niet volledig zijn en er dus geen volledig beeld kan worden verkregen van hetgeen in meerdere jaren door vele gebruikers van de servers is gegenereerd. Dit doet afbreuk aan het bepalen van context van data. Niet kan worden bepaald of het verkregen en door het openbaar ministerie gepresenteerde materiaal een correcte afspiegeling is van hetgeen zich heeft afgespeeld. Los daarvan worden berichten niet altijd gelezen of verkeerd geïnterpreteerd, of kwamen deze mogelijk bij verkeerde personen terecht. Er zijn complicaties aan te wijzen ten aanzien van het controleren van de betrouwbaarheid van de identificatie van gebruikers van PGP-materiaal en de inhoud van de gepresenteerde berichten. Er is geen mogelijkheid voor (effectieve) contra-expertise. SKY-data Ook ten aanzien van het verzamelen en gebruiken van deze data wijst de raadsvrouw op het ontbreken van een wettelijke grondslag. Er is naar Curaçaos recht geen bevoegdheid voor een officier van justitie en er is geen lokale rechter aan te pas gekomen, hetgeen wel is vereist. De officier van justitie heeft in het onderhavige onderzoek geen vordering gedaan aan de rechter-commissaris ten einde een machtiging te verkrijgen om gebruik te maken van de uit Frankrijk verkregen gegevens. Dit had wel moeten gebeuren, met het oog op onafhankelijke controle en om de proportionaliteit en subsidiariteit van het gevorderde te toetsen en om eventueel voorwaarden te stellen. Voorts geldt ten aanzien van de SKY-data, dat het dossier slechts een fractie van de gesprekken behelst. Een groot deel van de berichten, en daarmee de volledige context, ontbreekt en dat is problematisch. Daarnaast worden de berichten geïnterpreteerd, vormen de teksten vaak geen correcte zinnen of duidelijke inhoud en zijn ze veelal vertaald, hetgeen vaak fout gaat. Dit alles heeft gevolgen voor de bewijswaarde. De verdediging heeft het recht om de authenticiteit en betrouwbaarheid van de berichten te betwisten en zich tegen het gebruik te verzetten. Nu is verzuimd een rechter-commissaris in te schakelen, is sprake van een normschending als bedoeld in artikel 413 CSv waaraan de rechter een rechtsgevolg kan verbinden. Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat het datamateriaal niet als voldoende betrouwbaar bewijs jegens de verdachte kan worden gebezigd en dat dat tot vrijspraak zal moeten leiden voor in ieder geval de feiten waar de PGP- en SKY-data als belangrijke pijler van bewijs wordt gepresenteerd. Standpunt procureur-generaal De procureur-generaal heeft zich in zijn schriftelijk requisitoir, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:2023:913) op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek, dat als uitgangspunt dient te gelden dat de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek betrouwbaar zijn en dat van concrete aanwijzingen van het tegendeel niet is gebleken en door de verdediging niet naar voren zijn gebracht. Bij repliek heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het standpunt van de verdediging dat geen machtiging van de rechter-commissaris is verkregen voor de PGP-Safe-berichten, juist is en dat sprake is van een vormverzuim ( het Hof begrijpt normschending in de zin van artikel 413 CSv ), doch dat om redenen genoemd in het vonnis van het Gerecht het bij een constatering daarvan kan blijven. Oordeel van het Hof Kaders Beslissingen van buitenlandse autoriteiten die aan in het buitenland verricht onderzoek ten grondslag liggen, moeten door de rechter in een Curaçaose strafzaak worden gerespecteerd (in verband met het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Er wordt vanuit gegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dit is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het betreffende onderzoek niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende rechtsregels. De rechter neemt in de strafzaak tot uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. Hij is alleen gehouden de betrouwbaarheid van de resultaten te onderzoeken als concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan. Wet- en regelgeving Curaçao Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (CSv) kent niet voor elke situatie een specifieke bepaling waarop de officier van justitie een vordering aan een rechter-commissaris kan richten teneinde een rechterlijke toetsing te vragen voor bepaalde onderzoekshandelingen. Voor bepaalde verrichtingen heeft de officier van justitie in onderzoek Themis, en meer specifiek ook ten aanzien van de verdachte, vorderingen gebaseerd op de meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 219 CSv. De rechter-commissaris heeft op de onderbouwde vorderingen, gemotiveerd beslist. Naar het oordeel van het Hof verzet het systeem van de wet zich hier niet tegen. Feitelijke gang van zaken – PGP-Safe Voor de feitelijke gang van zaken omtrent de verkrijging van de PGP-Safe verwijst het Hof naar een aantal (door de verdediging niet betwiste) overwegingen van het Gerecht. Het Hof neemt de volgende overweging (op p. 7 van het vonnis) van het Gerecht over. “Feitelijke gang van zaken In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP-Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP-berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter. De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP-Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP-accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt” In aanvulling hierop, overweegt het Hof als volgt. De officier van justitie heeft ter zitting van 26 januari 2022 in eerste aanleg aangegeven dat de PGP-Safe-data bij het NFI ( het Hof begrijpt het Nederlands Forensisch Instituut ) zijn opgeslagen en bewaard en dat zij ( naar het Hof begrijpt: het Curaçaose onderzoeksteam “Themis” ) een selectie van de resultaten van het onderzoek uit onderzoek 26Sassenheim, te weten de PGP-Safe-data, na een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Nederland, van het NFI hebben ontvangen. Deze gang van zaken is op zichzelf niet door de verdediging bestreden. Feitelijke gang van zaken - SKY-ECC-data Hangende het hoger beroep heeft de procureur-generaal een proces-verbaal van bevindingen verstrekt waarin is weergegeven wat de gang van zaken is geweest met betrekking tot de verkrijging van SKY-ECC data uit Frankrijk. Dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd. Uit het proces-verbaal (met bijlagen) blijkt het volgende. Het onderzoeksteam Themis heeft op 29 april 2021 beschikking gekregen over een informatierapport, dat via Europol aan het onderzoeksteam Themis was verstrekt. Dit informatierapport had betrekking op [naam medeverdachte 2], een van de verdachten in onderzoek Themis. In het rapport stonden, onder meer, IMEI-nummers en SKY-ECC-accounts vermeld, mogelijk in gebruik bij [medeverdachte 2] of zijn contacten. Naar aanleiding van dit rapport heeft, op vordering van de officier van justitie d.d. 20 mei 2021 , de rechter-commissaris te Curaçao op 21 mei 2021 een beslissing genomen op grond van artikel 219 Sv tot het verrichten van nader onderzoek aan en in data zoals volgde uit het informatierapport, een en ander met betrekking tot een aantal specifieke PGP-adressen, IMEI-nummers en gebruikersnamen. Op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier, is aan de Franse autoriteiten verzocht van bepaalde, specifieke, data (waaronder de accounts [nummer account] en [nummer account] en een IMEI-nummer eindigend op [Imei-nummer], welke was gekoppeld aan een onder de verdachte in beslag genomen Iphone) gebruik te mogen maken. Een Franse rechter heeft daarop op 8 juli 2021 positief beslist . Het onderzoeksteam heeft hierna in juli 2021 data ontvangen uit Frankrijk. Na analyse van die data heeft het onderzoeksteam om aanvullende informatie verzocht. Daartoe heeft de officier van justitie op 13 oktober 2021 een vordering ex artikel 219 Sv ingediend bij de rechter-commissaris te Curaçao, die daarop op dezelfde datum positief heeft beslist. Een aanvullend rechtshulpverzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten op 14 oktober 2021. Het verzoek zag op een aantal, specifiek genoemde, Sky-ECC-accounts. Een Franse onderzoeksrechter heeft hier op 24 januari 2022 positief op beslist. In een beslissing van 5 december 2022 heeft een Franse onderzoeksrechter andermaal toestemming verleend aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Sint Maarten en Curaçao om de door Europol doorgegeven gegevens te gebruiken. Oordeel ten aanzien van de SKY-ECC data De stelling van de verdediging dat er ten aanzien van SKY-ECC-data geen rechter-commissaris aan te pas is gekomen, mist, gelet op het vorenoverwogene, feitelijke grondslag. Het verweer behoeft derhalve wat dat onderdeel betreft geen nadere bespreking. Van concrete aanwijzingen dat de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens onjuist en/of onbetrouwbaar zijn, is niet gebleken. De verdediging heeft in dit verband niets specifieks naar voren gebracht. Het Hof is van oordeel dat de gegevens kunnen worden gebezigd voor het bewijs. Oordeel ten aanzien van de PGP-Safe data Aan de verdediging is de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de bij het openbaar ministerie in Curaçao aanwezige, voor haar client relevante, PGP-gesprekken. De verdediging heeft op de regiezitting van 19 oktober 2023 aangegeven van die gelegenheid gebruik te zullen maken. Door de verdediging zijn (vervolgens) geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht op basis waarvan aan de betrouwbaarheid van de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zou moeten worden getwijfeld. De enkele algemeen geformuleerde stellingen dat controle van de betrouwbaarheid moeilijk is en dat er geen mogelijkheid zou bestaan voor effectieve contra-expertise, acht het Hof onvoldoende om daaraan enige conclusie te verbinden. Daarbij betrekt het Hof dat de resultaten in Costa Rica zijn verzameld onder verantwoordelijkheid van een rechter en dat de data in Nederland zijn bewaard bij het NFI. De vergaring van data in Costa Rica, in een voorbereidend onderzoek ten aanzien van anderen dan de verdachte, is gedaan onder gezag van een rechter op verzoek van Nederlandse autoriteiten, doch zonder voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris. De onrechtmatigheid van die gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet betwist. Omdat uit de verkregen data ook belastend materiaal ten aanzien van de verdachte is voortgevloeid en dat zulks ook (mede) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte, zal het Hof beoordelen of aan dit onrechtmatig handelen een rechtsgevolg dient te worden verbonden. Daarbij houdt het Hof rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond. Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging bij het verzoek aan de autoriteiten in Costa Rica, zoals gedaan, waarbij (potentieel) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van personen, in het onderhavige geval (ook) de verdachte, levert naar het oordeel van het Hof op zichzelf een schending op van een belangrijke norm. Het is het Hof evenwel niet gebleken dat sprake is geweest van doelbewust handelen door de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is gesteld noch gebleken en ook overigens niet aannemelijk geworden dat een Nederlandse rechter-commissaris, indien vooraf een machtiging was gevorderd, deze niet zou hebben afgegeven. Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt aan de verdachte, overweegt het Hof dat de verdediging dienaangaande niets concreets naar voren heeft gebracht. De inbreuk is beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte is verkregen. Dat laatste is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht, acht het Hof de schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM in dit geval niet onevenredig. Voor zover het nadeel is gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, overweegt het Hof dat dit geen nadeel is waarbij bij de bepaling van de gevolgen van een normschending rekening mee dient te worden gehouden. Na afweging van alle in het geding zijnde belangen is het Hof van oordeel dat de vastgestelde normschending in dit geval kan worden geconstateerd en zonder verdere gevolgen kan blijven. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen mobiele telefoons De verdachte is op 8 februari 2021 aangehouden. Hij had toen een telefoon bij zich (een Iphone 11) welke in beslag is genomen. Ook heeft – op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier – een huiszoeking plaatsgehad in de hotelkamer van de verdachte. Aldaar is een Iphone 7 in beslag genomen. De officier van justitie heeft een vordering ex artikel 219 CSv gedaan aan de rechter-commissaris voor het volledig laten uitlezen, onderzoeken en veiligstellen van de data en gegevens in (onder meer) de in beslag genomen mobiele telefoons. De rechter-commissaris heeft hier op 9 februari 2021 positief op beslist. Gelet op de verdenkingen tegen de verdachte, heeft de rechter-commissaris hiertoe naar het oordeel van het Hof zonder meer kunnen beslissen. Van een ontoelaatbare inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Samenvattend ten aanzien van de verweren - conclusies Het Hof is van oordeel dat het ontbreken van een rechterlijke machtiging voorafgaand aan de verkrijging van PGP-safe-data uit Costa Rica, een onherstelbare normschending oplevert. In het onderzoek naar de verdachte, kan dit naar het oordeel van het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zonder gevolgen blijven. Ten aanzien van de door de verdediging – in algemene termen – gestelde schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat van onevenredige schending van de rechten van de verdachte in deze zin sprake is geweest. Het Hof betrekt hierbij de ernst van de strafbare feiten waarvan ten aanzien van de verdachte een verdenking was gerezen. Het betrof feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk vormen op de rechtsorde. Daarbij levert een schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, voor zover al aan de orde, naar vaste rechtspraak niet ook steeds een schending van zijn rechten in de zin van artikel 6 EVRM op. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het Hof als volgt. Al met al is het Hof – met het Gerecht – van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ‘ the procedure as a whole’ voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het Hof dat aan de verdediging de mogelijkheid is geboden het verkregen bewijsmateriaal te controleren en te betwisten, doch dat er geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen data dient te worden getwijfeld. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging biedt hetgeen is aangevoerd geen grond. Voor bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg dan de constatering van de normschending, is evenmin grond aanwezig. De verweren worden verworpen. Tot slot – ten aanzien van het gebruik van de data. Gelet op de aard en inhoud van de communicatie en onvolledigheid van (delen van) die communicatie, zal het Hof bij de beoordeling van de tenlastelegging daarmee behoedzaam omgaan. Dat de verdenking en identificatie van de verdachte als gebruiker van bepaalde accounts in overwegende mate berust op cryptocommunicatie, is naar het oordeel van het Hof, gezien de gebezigde bewijsmiddelen en later in dit vonnis vermelde bewijsoverwegingen, onjuist. Gezien het voorgaande is het Hof van oordeel dat de data, voor zover relevant en in samenhang bezien met andere bewijsmiddelen, voor het bewijs kunnen (en ook zullen) worden gebezigd. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Hierbij merkt het Hof op dat het in de wijziging tenlastelegging ‘ onder feit 8 ’ verbetert leest als ‘ onder feit 7 ’. Van die dagvaarding, vordering nadere omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen. Ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging van feit 4 dat ziet op uitvoer uit Sint Maarten naar Frankrijk van cocaïne in de periode 13 – 14 augustus 2020 merkt het Hof op dat in de tenlastelegging staat vermeld een hoeveelheid van ongeveer 30000 kilogram. Het Hof gaat er van uit dat dit, mede gezien de opmerking van de officier van justitie in eerste aanleg dat feit 4 ziet op de uitvoer/invoer van 30 kilo cocaïne en bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, een kennelijke verschrijving is en dat is bedoeld een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram. Het Hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen. Voor feit 5 geldt hetzelfde: het Hof leest deze verbeterd als betrekking hebbend op een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram cocaïne. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit de bedoeling was van de steller van de tenlastelegging en dat dat ook aldus door de verdediging is begrepen. De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen geschaad. In feit 6 heeft het Hof de woorden “van verdovende middelen” ingelezen, nu uit de verwijzing naar artikel 3 onder A en/of B in de tenlastelegging en de aan de verdachte in dat verband verweten feitelijke handelingen blijkt dat dit feit volgens de steller van de tenlastelegging betrekking heeft op verdovende middelen. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: de deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao, Nederland en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021; Feit 2 primair : het medeplegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer] op 8 april 2016 in Saint Martin, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair : de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer], gepleegd in diezelfde periode; Feit 4: het medeplegen van de uitvoer van 30 kilogram cocaïne en/of hennep uit Sint Maarten naar Frankrijk in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020; Feit 5: het medeplegen van de uitvoer/invoer van 172 kilogram cocaïne in Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021; Feit 6: het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van opiumdelicten in Curaçao, Sint Maarten, Nederland of elders ter wereld, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021; Feit 7: het witwassen van geld in Curaçao op 8 februari 2021. Vrijspraak van feit 7 Inleiding; verwijt en standpunten partijen De verdachte wordt verweten dat hij zich op 8 februari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een drietal geldbedragen in verschillende valuta, te weten EUR 6.535,91, USD 2.019,- en NAf 735,-. Deze geldbedragen zijn in de kluis van zijn hotelkamer in Curaçao aangetroffen. Standpunt procureur-generaal De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft verklaard het geld uit Nederland te hebben meegenomen, maar uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in de voorafgaande jaren geen inkomsten heeft genoten. De verklaring die de verdachte pas ter terechtzitting van het Gerecht heeft afgelegd dat hij legaal inkomen genoot uit zijn werk als personal trainer is niet concreet en verifieerbaar. Omdat voldoende omzet/inkomen niet aannemelijk is geworden, is de conclusie gerechtvaardigd dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, die bevestiging vindt in een ter terechtzitting van het Gerecht overgelegde email van [bedrijf]. Het feit dat de verdachte geen administratie heeft bijgehouden maakt dat niet anders en het gaat bovendien – gelet op de leeftijd van de verdachte - niet om een groot bedrag. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. Van misdrijf afkomstig Het Hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. Vermoeden van witwassen Op basis van het dossier kan ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen geen rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald (eigen) misdrijf. Wel stelt het Hof op grond van de volgende feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen vast. Uit het dossier volgt dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij de in georganiseerde verband verrichte (internationale) handel in cocaïne. Uit de bewezenverklaring van het ten laste legde onder 1, 4, 5 en 6 en uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet alleen deel uitmaakte van een criminele organisatie, de NLS, die onder meer tot oogmerk had de (internationale) handel in drugs, maar ook een coördinerende rol heeft vervuld bij twee transporten van in totaal ongeveer 200 kilogram cocaïne. Nog los van de rol van de verdachte in de organisatie en de transporten, is het een feit van algemene bekendheid dat in de internationale drugshandel veel contant geld omgaat en met die handel inkomsten worden gegenereerd. Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte in de jaren 2015 - 2019 geen inkomsten bij de Belastingdienst heeft opgegeven en zorg- en huurtoeslag ontving. Dit betekent dat er ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Verklaringen van de verdachte De verdachte heeft, na bij de politie te hebben gezwegen over zijn inkomsten, ter terechtzitting van het Gerecht verklaard dat het geld dat op 8 februari 2021 in de kluis van zijn hotelkamer was gevonden, zijn spaargeld was dat hij had meegenomen uit Nederland. Hij werkte in Nederland als personal trainer van professionele sporters en verdiende daarmee EUR 65,- per uur. Hij stond sinds 2020 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en had zijn inkomsten nog niet doorgegeven aan de Belastingdienst. Namens de verdachte is in augustus 2021 door zijn toenmalige raadsvrouw een e-mail met bijlagen van het bedrijf [bedrijf] uit Rotterdam overgelegd, die de verklaring van de verdachte lijkt te bevestigen dat hij als trainer professionele sporters begeleidde. De verklaring van de verdachte dat hij spaargeld heeft meegenomen naar Curaçao (welk spaargeld, zo begrijp het Hof, afkomstig zou zijn uit zijn werkzaamheden als personal trainer) is naar het oordeel van het Hof concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst ongeloofwaardig. Daarbij betrekt het Hof de relatief geringe hoogte van het bedrag. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de juistheid van de verklaring van de verdachte. De vaststelling dat hij inkomsten niet bij de Belastingdienst had opgegeven, volstaat niet om de onjuistheid van de verklaring van de verdachte aan te nemen. Het onderzoek door het openbaar ministerie had – onder meer - kunnen inhouden dat [bedrijf] nader was bevraagd over de omvang en de vergoeding van door verdachte verrichte werkzaamheden en de wijze van uitbetaling. Een dergelijk nader onderzoek is achterwege gebleven. De verklaring van de verdachte kan niet zonder meer als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden gesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het Hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het Hof acht – op grond van de inhoud van de in bijlage II bij dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 (voor zover aan de orde), 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1: hij in de periode van 5 november 2015 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao en Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de ‘No Limit Soldiers’ (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: -( uitlokking van) moord/doodslag en/of voorbereidingshandelingen tot moord en andere geweldsdelicten; -de invoer en/of uitvoer van en de handel in verdovende middelen; Feit 2 primair : tot op heden onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer] te hebben geschoten , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en anderen, in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland en/of Curaçao en Sint Maarten en/of Saint Martin, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door: - met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, zijnde de vriendin van [medeverdachte 1], en - informatie in te winnen over en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en - met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, en - met elkaar te bespreken dat [slachtoffer] verantwoordelijk is voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en - met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer] dood moet, en - een geldbedrag vast te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en - te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer] te doden, en - een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en - de tot op heden onbekend gebleven anderen te benaderen en h u n de opdracht te geven [slachtoffer] te doden, en - de betaling van een hoeveelheid wiet te verrichten aan die tot op heden onbekend gebleven anderen; Feit 4: hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk uit Sint Maarten heeft uitgevoerd en in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 5: hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 6: hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te, Sint Maarten, Nederland en elders in de wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens, om een feit bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960 te weten het opzettelijk uitvoeren en invoeren van verdovende middelen voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, de verdachte en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende hij verdachte: - PGP telefoons en telefoons voorhanden gehad en met die telefoons contacten onderhouden met anderen over het uitvoeren en invoeren van verdovende middelen, en - gecommuniceerd met anderen over de betalingen en de hoeveelheden van de verdovende middelen die uitgevoerd en ingevoerd moesten worden, en - gesprekken gevoerd over het verzenden en de aankomst en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en de prijzen voor die verdovende middelen, en - een chauffeur benaderd en/of geregeld die de verdovende middelen uit de containers moest halen en de verdovende middelen verder moest vervoeren, en - personen benaderd en/of geregeld en/of aangestuurd die de verdovende middelen uit de containers moesten halen en/of moesten ophalen en - onderhandelingen gevoerd over de prijs en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en het doorverkopen van die verdovende middelen, en - onderhandelingen gevoerd met personen die de verdovende middelen zouden afnemen, en Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd ( cursief ). Omwille van de leesbaarheid is de volgorde op enkele punten aangepast. Bewijsmiddelen Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en daarvan deel uitmaakt. Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren Feit 1: deelneming criminele organisatie Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een criminele organisatie en evenmin dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. Daartoe heeft zij – kort samengevat - aangevoerd dat er hooguit sprake is van een combinatie van individuele personen waarvan niet is komen vast te staan dat zij op gestructureerde wijze en voor een zekere periode hebben samengewerkt voor een misdadig doel. Ten aanzien van de deelneming heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat haar client sporadisch contact heeft gehad met twee in het dossier genoemde personen, met beiden tegelijk over een zeer korte periode. Dit is onvoldoende voor de vaststelling dat sprake is van een samenwerkingsverband met meer dan een incidenteel karakter. Standpunt procureur-generaal De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat de stellingen van de verdediging kunnen worden weerlegd op basis van de door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijsmiddelen. Beoordeling Hof Het Hof stelt voorop dat van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr slechts dan sprake kan zijn, als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgegroeid op Curaçao. Van algemene bekendheid is dat No Limit Soldiers zich daar en op Sint Maarten al jaren bezig houdt met criminele activiteiten. Op foto’s aangetroffen in zijn telefoon is te zien dat [medeverdachte 1] in 2013 een ketting draagt met de tekst No limit 1995/1996 Forever. Ook draagt hij een T-shirt met daarop de tekst NLS en heeft hij – zo concludeert het Hof uit de overeenstemmende elementen in de verschillende foto’s - een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen. [medeverdachte 1] zegt in een gesprek op 16 maart 2016: “ik ben een No Limit Soldier.” Verder werd een foto in de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen van een krantenkop aangetroffen die luidt: “No limit Soldiers no ta papia”, dat in het Nederlands betekent: “No Limit Soldiers praten niet”. [naam persoon] zegt in een gesprek op 25 april 2016: “wij zijn geen No Limit Soldiers, maar Organize Crime Gang”. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de leiders van No Limit Soldiers (NLS). Ook zijn er deelnemers met een lagere rang, zoals bijvoorbeeld [naam persoon], die zich soldaat van [medeverdachte 1] noemt. [medeverdachte 2] noemde medeverdachte [medeverdachte 5] in een bericht van 30 oktober 2015 “mijn eersterangs vertrouwensman, vicepresident” . [medeverdachte 1] noemde zich al in 2014 een “NLS soldier till I die” . “Ik ben een soldier” en “een gangster” , zei [medeverdachte 1] in 2016. [medeverdachte 1] liet weten dat hij geen vrienden, maar soldaten nodig had en kondigde aan dat hij jongens die niet loyaal zijn uit de bende zet. Hij is altijd bewapend. Op 13 juli 2018 postte [medeverdachte 1] een video op Instagram waarin hij zich “Mo limit general” noemt. Uit een verklaring van een getuige van 7 september 2013 volgt inzicht in een van de werkwijzen van NLS. Zij beschrijft dat leden van NLS bijvoorbeeld de opdracht krijgen om tegen betaling een moord te plegen. Daarbij geldt de regel dat pas uitbetaling plaatsvindt als het doodsbericht in de media is verschenen. De organisatie had als oogmerk onder meer het uitlokken van moord en het plegen van (andere) gewelddelicten. Onder meer is dit af te leiden uit de gebeurtenissen na de gewelddadige dood van de vriendin van [medeverdachte 1] – [vriendin medeverdachte 1] (hierna: [achternaam vriendin medeverdachte 1] )- op 5 november 2015. [medeverdachte 1] gaat vanuit de PI [verblijfplaats] op zoek naar de opdrachtgevers en de uitvoerders van de aanslag op zijn vriendin. “Ze krijgen waarom ze gevraagd hebben”, zegt [medeverdachte 1] op 7 november 2015. Hij wil die mensen begraven zien. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van die dag volgt dat [medeverdachte 1] [voornaam slachtoffer] (het Hof begrijpt: [naam slachtoffer]) en [voornaam persoon] (het Hof begrijpt: [naam persoon]) verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn vriendin. Op 9 november 2015 stelt [medeverdachte 2] het bedrag van USD 500.000 ter beschikking om, onder anderen, [slachtoffer] en [achternaam persoon] te laten liquideren. Op 11 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] dat er een soldaat nodig is. En een dag later: “Is’s a dirty job, but someone has got to do it.” Op 15 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] tegen [naam persoon] en [naam persoon] dat ook de tweeling van “town” moeten worden aangepakt, mensen moeten worden geveegd. Op 10 april 2016 bespreken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] dat [naam persoon] de opdrachtgever van de moord op [vriendin medeverdachte 1] is en dat [naam persoon] daarvoor heeft betaald. Zij moeten een kans zoeken om [naam persoon] in de gevangenis te pakken te krijgen. Vervolgens vinden de volgende (pogingen tot) liquidatie(s) plaats, die in voorgaande gesprekken zijn aangekondigd. Op 16 februari 2016 wordt [naam persoon] doodgeschoten. Op 8 april 2016 vindt de aanslag op [slachtoffer] plaats. Op 31 augustus 2016 wordt [naam persoon] in de gevangenis op Sint Maarten vermoord. Een van de gebroeders [achternaam personen] – samen met zijn broer wonende aan de [adres] in Philipsburg op Sint Maarten en kennelijk vandaar eerder de tweeling van “town” genoemd – wordt in de nacht van 5 op 6 november 2016 beschoten. [naam persoon] wordt op 14 maart 2017 doodgeschoten. Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie bestaat uit zijn bijdrage aan het achterhalen van de daders van de aanslag op [vriendin medeverdachte 1]. Daartoe heeft hij contact met zijn neef (“ primu ”), een politieman op Sint Maarten. Hij bespreekt dit met [medeverdachte 2]. Zo geeft de verdachte op 10 november 2015 aan [medeverdachte 2] door dat hij er nu bijna achter is hoe het zit en dat ze op Sint Maarten en op Saint Kitts moeten zijn. Daarop zegt [medeverdachte 2] dat hij wil weten wie dat ding gedaan heeft, waarop de verdachte antwoordt: “[naam persoon] e.a. en hun crew. Met [voornaam slachtoffer] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [naam persoon] is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen.” Op 13 november 2015, na een bezoek aan [medeverdachte 1] in de PI [verblijfplaats], geeft de verdachte aan [medeverdachte 2] door dat: “hij wil dat er iets gebeurt voordat hij vrijkomt. (…) Hij is echt heel erg boos” . Hierboven is al beschreven dat [slachtoffer] kort hierop – in april 2016 – wordt beschoten op Sint Maarten. Ten aanzien van het oogmerk van de organisatie overweegt het Hof verder dat uit berichtenverkeer tussen de verdachte en [medeverdachte 1] volgt dat NLS zich bezig houdt met handel in verdovende middelen. Zij verstuurden foto’s aan elkaar van pakketten cocaïne en chatten over het vervoer daarvan vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dit oogmerk van de organisatie. Zo chat medeverdachte [medeverdachte 2] soms letterlijk over drugs: “ drugs zijn niet verkocht ”, maar ook in versluierd taalgebruik bijvoorbeeld over het regelen van ‘ tickets’ voor een ‘ mula’. Ook zegt [medeverdachte 2] dat hij ‘ stenen’ laat halen bij die Colombiaanse vrouw. [medeverdachte 2] laat vervolgens weten dat er geld nodig is zodat “ de soldaten kunnen gaan om mijn stenen eruit te halen. ” Voorts wijst het Hof in dit verband op de gesprekken in een auto tussen (onder anderen) [naam persoon] en [naam persoon], die [medeverdachte 1] regelmatig in de PI [verblijfplaats] bezoeken. Op 11 april 2016 gaat het gesprek over het feit dat ze bestolen zij door vrienden. Daarop zegt [naam persoon]: “wij zijn van No Limit.” Dan wordt gesproken over wie de dief is. De man die genoemd wordt is geen, want hij koopt zijn drugs bij [naam persoon]. Vervolgens wordt gesproken over “blokken”, de hoeveelheid en de prijs. Op 13 april 2016 wordt in de auto door onder anderen [naam persoon] gesproken over slikken en over een man en 5000 euro voor de klus. Er stapt vervolgens een vrouw in de auto. De vrouw zegt dat zij twee jaar geleden is gepakt waardoor zij niet kan vliegen. Men vroeg haar of ze Buena Vista is of NLS. Ten slotte wijst het Hof op gesprekken over de aankoop van een Glock, al dan niet met geluiddemper. Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de hiervoor besproken handel in verdovende middelen vanuit, onder meer, Sint Maarten naar Frankrijk. Het Hof verwijst in dit verband naar de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6, die tevens redengevend zijn voor dit onderdeel van feit 1. Niet alleen was de verdachte betrokken bij die transporten, ook heeft hij in commu