DNA afname hier geoorloofd. Wet DNA in relatie tot art. 8 EVRM
Rechtbank
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats Breda parketnummer : 02-207728-23 raadkamernummer : 24-021001 datum : 24 september 2024 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van: [veroordeelde], geboren op [datum] 2001 te [plaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van Riel advocaat te Breda, (Postbus 1030, 4801 BA Breda), hierna te noemen: de veroordeelde. Procedure Het bezwaarschrift is 16 augustus 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 24 september 2024 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. T. van Riel, en de officier van justitie op zitting gehoord. De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Bezwaar Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde. De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA. Het is redelijkerwijs aannemelijk dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het feit betreft namelijk een incident waarbij sprake was van een misverstand tussen een vriend van klager en een derde. Daarnaast volgt uit de rapportage van de reclassering dat het recidiverisico van veroordeelde laag is. Bovendien stelt veroordeelde dat met het bepalen en verwerken van zijn DNA- profiel zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM ernstig wordt geschonden. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd is geen zwaarwegende omstandigheid die tot een uitzonderingssituatie leidt. Gelet op de wettelijke regeling ten aanzien van het afnemen, bepalen en verwerken van DNA is er geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Beoordeling Er is aan veroordeelde op 28 november 2023 door de officier van justitie een strafbeschikking opgelegd van 100 uren taakstraf voor openlijk geweld. De rechtbank is bevoegd. Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet. De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hetgeen door en namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Bovendien is veroordeelde eerder veroordeeld tot 60 werkstraf voor een straatroof. Voor zover betrokkene heeft willen betogen dat er zonder zijn toestemming geen DNA mag worden afgenomen omdat het DNA zijn eigendom is, wordt het bezwaar van veroordeelde niet gevolgd. De Wet DNA bestaat, overeenkomstig artikel 8, tweede lid EVRM, ter bescherming van een groot strafvorderlijk belang en is noodzakelijk in een democratische samenleving. De verdragen bieden geen absoluut recht op onschendbaarheid van privacy en lichamelijke integriteit. Het belang van veroordeelden kan ondergeschikt zijn aan het algemeen belang van voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit standpunt is ook reeds bij de totstandkoming van de Wet door de wetgever ingenomen. (TK 2002-2003, 28 685, nr.5, p. 22-23, 32). Na de totstandkoming van de Wet DNA heeft ook het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) meermalen geoordeeld dat zowel het afnemen als het opslaan van celmateriaal een inbreuk maakt op het privéleven van betrokkenen, maar dat deze maatregel is voorzien bij wet en het gerechtvaardigde doel dient van de voorkoming van strafbare feiten. Tevens oordeelde het EHRM dat de maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving. ( EHRM 7 december 2006, Appl. 29514/05). De rechtbank is van oordeel dat afname van het celmateriaal een geoorloofde inbreuk op de privacy van veroordeelde maakt, omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken, is niet gebleken. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.