Privacyregels zouden belemmering vormen voor de Gecertificeerde Instelling om gegevens te delen met de ene ouder over de andere
Gerechtshof
Case Summary
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 25 juli 2024 Zaaknummer : 200.337.216/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/379961 / FA RK 22-1007 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. P.J.A. van de Laar, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader , advocaat: mr. R.A. Knopper. Als belanghebbende merkt het hof aan: - Stichting Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling), In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. In het kort De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over de 6-jarige [minderjarige] heeft toegewezen; zij wil alleen het gezag blijven dragen over hem. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2024, en zoals verduidelijkt op de mondelinge behandeling, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij gezamenlijk gezag is vastgesteld en, opnieuw rechtdoende, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om mede te worden belast met het gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 26 maart 2024, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar dat verzoek te ontzeggen als ongegrond danwel onbewezen onder bekrachtiging van de gegeven beschikking voor zover de beschikking ziet op de grieven van de moeder. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief van de GI van 7 maart 2024. 3 De beoordeling 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefende tot de bestreden beschikking van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] . Op de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [minderjarige] sinds maart 2024 iedere veertien dagen van vrijdag op zaterdag bij zijn grootouders verblijft (vaderszijde) en dat hij daar contact heeft met de vader. 3.2. Op 26 april 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 26 april 2025. Bij de rechtbank 3.3. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij het hof 3.4.1. In haar beroepschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen was gewelddadig, waarbij de moeder door de vader werd mishandeld en bedreigd. De moeder heeft moeten vluchten om onder het geweld en de druk van de vader uit te komen. De vader was verslaafd aan cocaïne en alcohol. Regelmatig moest de moeder de politie inschakelen. De moeder heeft een angstcomplex aan de relatie overgehouden en zij is nog steeds onder behandeling voor geestelijke problemen die zijn veroorzaakt door de vader. In april 2024 is de crisisdienst ingeschakeld omdat de moeder een inzinking had nadat zij in een gesprek met haar nicht de heftige gebeurtenissen besprak die zij met de vader heeft meegemaakt. Dit leidde ertoe dat de moeder overstuur raakte en instortte. Daarna heeft de moeder zich tot de huisarts gewend omdat ze hulp wilde bij het verwerken van haar trauma’s. Zij staat nu bij de [GGZ] op de wachtlijst voor traumaverwerking, maar zij heeft al wel groepstherapie. De moeder is verslaafd geweest aan kalmerende medicatie (Diazepam), is daarvan afgekickt en slikt nu nog medicatie die haar helpt bij het slapen en het verminderen van haar angsten. De moeder is zo angstig dat zij geen contact durft te hebben met de vader. Zij kan die stap niet zetten. Er is al drie jaar lang geen communicatie tussen partijen en er is geen concreet vooruitzicht op een situatie waarin dit wel kan plaatsvinden. Partijen kunnen niet spreken over [minderjarige] en zijn ontwikkelingen. De ondertoezichtstelling heeft nauwelijks tot enige verbetering geleid. De vader heeft eerder in de procedure erkend dat hij problemen had met impulsbeheersing en dat hij gesprekken had met een psycholoog. Hij zou op een wachtlijst staan voor een vervolgtraject bij [instantie 1] . Het is niet duidelijk of de vader nadien nog iets heeft gedaan aan impulsbeheersing. In de beschikking van het hof van 17 augustus 2023 is overwogen dat er een breder beeld dient te komen van de mogelijke problematiek van de vader in het belang van [minderjarige] . Hier is niets mee gedaan en het is thans nog steeds onduidelijk wat er precies met de vader aan de hand is en of er daadwerkelijk op constructieve wijze aan verbetering wordt gewerkt. De vader heeft alleen een briefje overgelegd waar enkele afspraken uit blijken, maar het is niet duidelijk wat de hulpverlening inhoudt. In onderhavige situatie moet worden afgeweken van de hoofdregel dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is. Het is duidelijk dat er al lange tijd sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen, terwijl niet te verwachten is dat er binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden. Het is aan de vader te wijten dat er nog geen stappen zijn gezet. Hij geeft geen openheid van zaken met betrekking tot de problematiek die hij heeft. Hij toont niet concreet aan dat hij serieuze therapie ondergaat. Pas dan kan de moeder weer enig vertrouwen krijgen in de vader. Toen [minderjarige] voor het eerst – zoals afgesproken met de GI en de vader – een vrijdag bij zijn grootouders was (waar hij ook zijn vader zou zien), belde [minderjarige] de moeder op of hij ook mocht blijven slapen. De moeder vond dit moeilijk en maakte zich zorgen, maar omwille van [minderjarige] stemde ze ermee in. 3.4.2. De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan. Er zijn geen zodanig grote spanningen tussen partijen dat [minderjarige] daar tussen komt te zitten. Als er al sprake van spanningen zijn, zijn deze niet zodanig dat partijen niet tot gezamenlijke afspraken kunnen komen. Uit het raadsonderzoek volgt dat er geen contra-indicaties zijn gebleken die gezamenlijk gezag in de weg staan. Voorts blijkt uit het onderzoek dat de moeder de vader geen onderdeel wil laten uitmaken van het leven van [minderjarige] , door hem geen informatie te verschaffen over [minderjarige] . De rechtbank heeft het belang van een spoedig contactherstel tussen de vader en [minderjarige] benadrukt bij de (tussen)beschikking van 13 juli 2023. De moeder stelt dat er niet binnen afzienbare tijd tot verbetering zal komen, maar laat na om te onderbouwen dat de huidige situatie niet aan de vader te wijten is. Ondanks dat de ondertoezichtstelling in juli 2023 is uitgesproken, is er pas vanaf februari 2024 een gezinsvoogd betrokken die op grond van een plan van aanpak aan de gestelde doelen werkt. De vader heeft vanaf deze periode drie keer omgang gehad met [minderjarige] : in de even weken van vrijdag op zaterdag begeleid bij zijn ouders thuis. De moeder heeft in de tussentijd nagelaten om de vader onderdeel uit te laten maken in het leven van [minderjarige] en zij heeft de vader geen informatie over [minderjarige] verschaft. Beide partijen zijn nodig om tot een verbetering van de verstandhouding te komen. Het is niet juist dat de vader hier een belemmerende factor in is. De vader ervaart geen problemen in zijn communicatie met de moeder, maar hij krijgt van de moeder alleen maar vijandigheid terug. De vader is in staat om hier met de moeder afspraken over te maken. Het is de moeder die blijft vervallen in oude patronen. Gezamenlijk gezag is voor de vader dan ook belangrijk om een rol in het leven van [minderjarige] te kunnen blijven spelen. De vader gebruikt geen drugs en hij drinkt nauwelijks alcohol. Hij is bereid om zich dagelijks te laten testen als het nodig is. De vader heeft EMDR afgerond en zijn behandeling bij [instantie 2] was in 2022 al afgerond. Bovendien volgt de vader op dit moment individuele en groepstherapie bij GGZ [locatie] die beide zien op zijn emotieregulatie. De vader komt hiervoor wekelijks bij de psycholoog, maar dit wordt binnenkort afgebouwd naar eenmaal per twee weken. Deze individuele therapie zal nog één à anderhalf jaar doorlopen. De vader volgt sinds vorig jaar groepstherapie, dat traject duurt totaal 16 weken. De vader is bereid om het hof meer informatie te vertrekken hierover, maar hij dacht – omdat zijn advocaat hierom vroeg – dat het voldoende was als hij zijn afsprakenkaart van de GGZ over zou leggen. De zorgen rondom [minderjarige] hebben niets met de gezamenlijke uitoefening van het gezag te maken. Binnen de ondertoezichtstelling kan gewerkt worden aan verbetering van de communicatie en het bewerkstelligen van een onbelast contact tussen de vader en [minderjarige] . 3.4.3. De GI heeft het hof geïnformeerd bij brief van 7 maart 2024, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling. Het standpunt van de GI luidt, samengevat, als volgt. Er is geen reden waarom de vader geen gezag zou kunnen dragen. De vader misbruikt zijn gezag niet en hij houdt geen hulpverlening tegen. Het gezamenlijk gezag geeft de vader enigszins een positie in het leven van [minderjarige] . De GI heeft gekeken naar de problematiek die de moeder ziet bij de vader en hiervoor is hulpverlening ingezet. De GI spreekt regelmatig met de vader. De contacten tussen de vader en [minderjarige] worden begeleid en het is veilig op deze manier. [minderjarige] zou aanvankelijk alleen iedere veertien dagen op vrijdag bij zijn grootouders verblijven, waarbij de vader dan zou aanschuiven. Dit contactmoment werd onverwachts uitgebreid met een overnachting nadat de oma en de moeder dit onderling met elkaar hadden afgestemd. De oma en de moeder gaan respectvol met elkaar om en er is sprake van een goede communicatie. De ouders hebben geen contact met elkaar en de GI kan dat niet vormgeven; daar is geen ruimte voor. Er heeft zich nog geen gelegenheid voorgedaan waarbij de vader actief zijn ouderlijk gezag moest inzetten, zoals voor de aanvraag van een paspoort of voor toestemming van een therapie bij [minderjarige] . In mei 2024 is een ouder-kindtraject bij [instantie 3] gestart waarvoor de vader begin maart 2024 zijn toestemming heeft gegeven. De GI ziet dat de vader betrokken is, meewerkt, zijn afspraken nakomt en doet wat van hem wordt verwacht. De vader moet nog wel leren groeien in zijn rol als gezaghebbende ouder, maar hij staat open voor begeleiding. De vader stelt zijn opvoedvragen en hulpvragen (o.a. over de zorgregeling) aan [instantie 3] . [instantie 3] kan helpen met de individuele opvoedvragen van de ouders, maar de focus kan ook komen te liggen op de onderlinge oudercommunicatie. Voor nu is een betere oudercommunicatie nog een doel te ver. Op dit moment durft de GI niet te zeggen of er verbetering valt te verwachten op het gebied van de oudercommunicatie. De communicatie tussen moeder en oma ging eerst ook stroef, maar dat is verbeterd. De GI hoopt dat dit zich uitbreidt naar de ouders. De GI houdt de hulp van [instantie 3] nog even op afstand, omdat traumaverwerking bij de moeder voorrang heeft. Als bij de moeder de scherpe randjes eraf zijn, heeft het traject bij [instantie 3] meer kans van slagen. De GI volgt de hulpverleningstrajecten die beide ouders doorlopen. Vanwege de strenge privacy regels rondom de AVG kan de GI niet de ene ouder informeren over het verloop van de hulpverleningstrajecten van de andere ouder. 3.4.4. De raad heeft het hof geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft eerder onderzoek gedaan en blijft bij het eerder uitgebrachte advies dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] moeten hebben. Het kan niet worden aangetoond dat het onveilig is voor [minderjarige] bij de vader. De raad hoopt dat de moeder zich bij het gezamenlijk gezag kan neerleggen en stappen in de goede richting gaat zetten als de vader eenmaal meer invulling heeft gegeven aan het gezag. Het verdient een compliment dat de moeder samen met de oma een manier heeft gevonden zodat [minderjarige] weer structureel contact met zijn vader heeft. Het hof overweegt als volgt. 3.5.1. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien: er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.5.2. De rechtbank heeft de vader op 16 januari 2024 mede belast met het gezag over [minderjarige] . Op de mondelinge behandeling, die slechts zo’n vijf maanden later plaatsvond, is gebleken dat zich nog geen gelegenheden hebben voorgedaan waarbij een beroep op de vader werd gedaan om zijn ouderlijk gezag in te zetten. Het hof acht de periode sinds 16 januari 2024 tot 27 juni 2024 (de datum van de zitting bij het hof) te kort om op dit moment uitsluitsel te kunnen geven over de vraag of er sprake is van een afwijzingsgrond zoals geformuleerd in artikel 1:253c lid 1 BW. Daarvoor is meer tijd nodig. Het hof zal daarom de zaak aanhouden voor een periode van acht maanden. In die periode kan worden gemonitord of de vader direct en actief meewerkt aan gezagsbeslissingen, zijn gezag niet misbruikt en geen hulpverlening tegenwerkt. Na deze periode wil het hof door de GI geïnformeerd te worden, zodat het hof meer zicht krijgt op de ouders en de mogelijkheden/onmogelijkheden om met elkaar kunnen te communiceren over [minderjarige] en of deze ouders samen – momenteel nog met behulp van de GI – in staat zijn om beslissingen te nemen over zaken die [minderjarige] aangaan. Er zijn momenteel nog te veel onduidelijkheden, prille gebeurtenissen en toekomstige onzekerheden die eerst uitgekristalliseerd moeten worden. Meer specifiek wil het hof over acht maanden door de GI worden geïnformeerd over de actuele stand van zaken op de volgende gebieden: de hulpverleningstrajecten die de ouders voor zichzelf doorlopen (3.5.3), de zorgregeling (3.5.4.), de onderlinge communicatie tussen de ouders (3.5.5.), de hulp die de GI binnen de ondertoezichtstelling inzet (3.5.6.), de wijze waarop de vader het gezamenlijk gezag uitoefent (3.5.7). Het hof licht dit als volgt toe. 3.5.3. Beide ouders zitten nog midden in hun eigen hulpverleningstrajecten. Zij volgen nu beiden groepstherapie en zij werken allebei aan hun individuele problematiek. De vader is wekelijks onder behandeling bij een psycholoog voor zijn problemen op het emotieregulatiegebied en dit zal nog circa één à anderhalf jaar in beslag nemen. De moeder kampt nog met angsten voor de vader en onverwerkte trauma’s die voortkomen uit hun relatie. Waar uit het plan van aanpak van 6 maart 2024 nog bleek dat de moeder geen hulpverlening wilde voor haar trauma’s, is op de mondelinge behandeling gebleken dat de moeder daar nu wel voor open staat en dat zij inmiddels op wachtlijst staat voor traumaverwerking. Dat is positief. De traumabehandeling zal binnenkort zijn beslag gaan krijgen, zodat de moeder hopelijk haar angsten en trauma’s kan overwinnen. Blijkbaar vormen de strenge privacyregels een belemmering voor de GI om de ene ouder over de andere ouder te informeren over de vorderingen van hun hulpverleningstrajecten. Dit hoeft geen belemmering te zijn als de ouders allebei toestemming zouden geven aan de GI om meer informatie te verstrekken aan de andere ouder. Het zou helpend zijn en het wederzijdse begrip en vertrouwen ten goede komen als de ene ouder weet waar de andere ouder staat in de verschillende hulpverleningstrajecten. Met de moeder concludeert het hof dat de vader aangaande zijn therapie bij de GGZ slechts vier afspraakbevestigingen in maart 2024 heeft overgelegd. Dit toont niet aan dat de vader deze afspraken is nagekomen. Evenmin zegt dit iets over de voortgang en de inhoud van de therapie die de vader volgt. Indien er bij beide ouders meer openheid komt, kan dit zeker bijdragen aan het verminderen van het wantrouwen over en weer, wat zonder meer in het belang van [minderjarige] is. Het geeft het hof ook meer handvatten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze ouders om samen het gezag over [minderjarige] te kunnen dragen. Het hof wil daarom aan het einde van de in deze beschikking genoemde pro forma termijn door de GI worden geïnformeerd – uiteraard voor zover de AVG richtlijnen dat toelaten – over de ontwikkelingen van de individuele hulpverleningstrajecten van beide ouders. 3.5.4. De zorgregeling is momenteel ook nog volop in ontwikkeling. De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling pro forma aangehouden tot 15 juli 2024. Er is meerdere jaren geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige] . Pas sinds maart 2024 is sprake van een vorm van contact tussen de vader en [minderjarige] die onder begeleiding van de GI tot stand is gekomen. De grootouders vervullen hierbij een cruciale rol, omdat het contact tussen de vader en [minderjarige] bij hen thuis plaatsvindt, de grootouders [minderjarige] ophalen en terugbrengen en de grootouders met de moeder overleggen over praktische zaken. Deze prille regeling is dus nog volledig afhankelijk van de bereidheid en inzet van de grootouders en van een definitieve regeling is nog geen sprake. Het hof wil door de GI worden geïnformeerd over de verloop van de zorgregeling en de eventuele beslissing die de rechtbank hierover zal gaan nemen. 3.5.5. Verder staat het vast dat de ouders op dit moment niet met elkaar communiceren. Volgens de GI is een betere oudercommunicatie nog een doel te ver. De moeder houdt de communicatie met de vader af. Hoewel het hof, met de vader, van oordeel is dat beide partijen nodig zijn om tot een verbetering van de verstandhouding te komen, heeft het hof tegelijkertijd geconstateerd dat de vader op de mondelinge behandeling herhaaldelijk aan het zuchten was als de moeder aan het woord was, hij haar een ‘aansteller’ noemde toen zij emotioneel werd en hij verklaarde de beschuldigingen van de moeder richting hem met een ‘korreltje zout’ te nemen. De vader doet hiermee afbreuk aan de heftige gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden. Uit het dossier is gebleken dat de vader zich wel degelijk richting de moeder grensoverschrijdend en gewelddadig heeft gedragen in het bijzijn van [minderjarige] en dat het trauma van de moeder direct is te herleiden naar zijn gedrag. De raad heeft er zijn rapport van 13 april 2023 al op gewezen dat het verbeteren van de communicatie tussen de ouders een taak is waarbij de gezinsvoogd dient te worden ingezet. De gezinsvoogden zijn pas actief betrokken sinds februari 2024. De focus lag eerst – terecht – op het herstellen van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Nu de moeder aan de slag gaat met haar traumaverwerking, verwacht het hof dat er binnenkort wel mogelijkheden (met behulp van de GI en/of [instantie 3] ) zullen ontstaan om te werken aan een betere oudercommunicatie. Solo parallel ouderschap zou wellicht een optie zijn die beide ouders aanspreekt. Het hof wordt graag door de GI op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen die de ouders op dit punt de komende tijd met elkaar gaan doormaken. 3.5.6. Wat verder ook nog in een pril stadium verkeert, is de begeleiding van de huidige jeugdzorgmedewerkers. [minderjarige] staat weliswaar sinds april 2023 al onder toezicht, maar op de mondelinge behandeling is, zoals hiervoor vermeld, gebleken dat de huidige jeugdzorgwerkers pas sinds februari 2024 bij [minderjarige] en zijn ouders zijn betrokken en dat zij niet weten wat er vóór die tijd is gebeurd. De vorige jeugdzorgwerker was gestopt in november 2023. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat er in de periode tot februari 2024 geen hulp is ingezet. Tot slot wil het hof daarom ook over acht maanden door te GI te worden geïnformeerd over wat de GI binnen de ondertoezichtstelling heeft ingezet (o.a. een update over het traject bij [instantie 3] ) en tot welke resultaten dit heeft geleid. 3.5.7. De GI heeft in de brief van 7 maart 2024 aangegeven dat de vader zijn gezag niet misbruikt en geen hulpverlening tegenhoudt. Op het moment dat de GI die brief naar het hof verzond, was er sinds de bestreden beschikking van 16 januari 2024 nog maar twee maanden verstreken. Ook de periode tot de mondelinge behandeling acht het hof te pril om hier vergaande consequenties aan te verbinden. Het hof ziet zich graag voorlicht over de vraag of de vader ook gedurende langere periode zijn gezag niet misbruikt, de hulpverlening voor [minderjarige] niet tegenhoudt en actief meewerkt aan gezagsbeslissingen die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zijn. 3.5.8. Beslist wordt als volgt. 4 De beslissing Het hof: verzoekt de GI om het hof over acht maanden – uiterlijk op 25 maart 2025 – te informeren over de actuele ontwikkelingen zoals in deze beschikking geformuleerd, waarna de ouders en de raad de gelegenheid krijgen om daarop binnen twee weken te reageren; houdt iedere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.P. de Beij, M.J.C. van Leeuwen en is op 25 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.