Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Summary

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/412131 / FA RK 23-3480 datum uitspraak: 23 december 2025 nadere beschikking over zorg- en contactregeling en wijziging gezag in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda, tegen [de man] , hierna te noemen de man, wonende te [woonplaats] , voorheen bijgestaan door advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda, over hun minderjarige kind: [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het nadere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 22 december 2023 en alle daarin genoemde stukken; - het e-mailbericht met bijlage van de Toegang van de gemeente Breda van 12 maart 2024; - de brieven van de Raad van 24 april 2024 en 14 mei 2024; - het F9-formulier van mr. Gulickx van 9 augustus 2024; - het F9-formulier van mr. Groenhuis-Kools van 12 augustus 2024; - het e-mailbericht met bijlage van de Toegang van 12 augustus 2024; - de op 7 april 2025 ontvangen UHA-rapportage van 20 januari 2025, met bijlage van [totaalbegeleiding] & [zorgorganisatie] ; - het F9-formulier met bijlage van mr. Groenhuis-Kools van 1 mei 2025; - het F2-formulier van mr. Gulickx van 9 mei 2025, waarmee hij zich onttrekt als advocaat van de man; - het F9-formulier met als bijlage een aanvullend verzoek van mr. Groenhuis-Kools van 2 juni 2025; - het F9-formulier met bijlagen van mr. Groenhuis-Kools van 3 december 2025. 1.2. Op de zitting van 10 december 2025 zijn de verzoeken met gesloten deuren behandeld door de rechtbank. Bij die zitting zijn gekomen de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was er een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. 2 De nadere beoordeling Vorige beschikking 2.1. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde beschikking van 22 december 2023. Hierbij heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald. Daarnaast is bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2023 maandelijks € 198,-- aan de vrouw zou voldoen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het zelfstandig verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling is toen aangehouden tot 27 februari 2024 pro forma in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA). Partijen zijn hiernaar verwezen bij kort geding vonnis van 1 september 2023. Verzoeken 2.2. Aan de orde zijn nu nog de volgende verzoeken: 2.2.1 Het verzoek van de man om een zorg- en contactregeling te bepalen waar de man een weekend per twee weken contact zal hebben met [minderjarige] , alsmede de helft van de schoolvakantieperiodes en de helft van de feestdagen, dan wel een in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling. 2.2.2 De aanvullende verzoeken van de vrouw, samengevat: tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag en te bepalen dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] zal zijn belast; tot ontzegging van de omgang tussen de man en [minderjarige] voor onbepaalde tijd, althans voor bepaalde tijd voor een door de rechtbank te bepalen periode Verloop UHA-traject 2.3. Bij bericht van 12 maart 2024 is de rapportage overgelegd van zorgaanbieder [zorgorganisatie] (onderaannemer [totaalbegeleiding] ). Daarin is, samengevat, aangegeven dat er vaste afspraken liggen over de omgangsmomenten van [minderjarige] met zijn vader. Het lukt de ouders steeds beter om zelfstandig tot afspraken buiten de vaste vrijdagochtend te komen. Er is een start gemaakt om een totaal ouderschapsplan met de ouders op te stellen. De komende periode zal met hulp van de betrokken hulpverleners dit plan definitief gemaakt worden. Het advies aan de ouders is om de coaching van [zorgorganisatie] middels de HEART-methode voort te zetten, waarbij er gewerkt wordt aan de volgende doelen: - het komen tot een gezamenlijk doel; - het doen van zelfonderzoek naar en bewustwording van onbewuste processen; - het inzetten van constructieve communicatie met zichzelf en de ander; - het leren interpreteren van de stem van [minderjarige] (in de vorm van gedrag) als feedback op eigen processen en het omzetten naar acties, die bijdragen aan het veranderen van deze onbewuste processen. 2.4. De Raad heeft bij brief van 14 mei 2024 de rechtbank laten weten dat de Raad op 14 mei 2024 contact heeft gelegd met de gemeente Breda. Uit dit gesprek is gebleken dat de ouders al vele positieve stappen hadden gezet en dat het de verwachting was dat de ouders het traject positief zouden kunnen afronden. Gelet hierop adviseerde de Raad de rechtbank om het traject te laten vervolgen en om de pro forma datum voor een periode van zes maanden uit te stellen. 2.5. Bij bericht van 9 augustus 2024 heeft mr. Gulickx verzocht de zaak voor zeven maanden aan te houden omdat de ingezette hulpverlening van [zorgorganisatie] nog niet was afgerond. Bij bericht van 12 augustus 2024 heeft mr. Groenhuis laten weten dat zij zich met dit verzoek kon verenigen. 2.6. Bij e-mailbericht van 12 augustus 2024 is namens de Toegang eveneens verzocht om het UHA-traject opnieuw te verlengen. Daarbij was vermeld dat de ouders op een constructieve wijze aan het werk waren geweest om de basis te leggen voor niet alleen goede afspraken en een regeling rondom de scheiding maar ook om het ouderschap na scheiding toekomstbestendig te maken in het belang van [minderjarige] . De man had in de afgelopen periode vaak aangegeven dat hij de onderliggende oorzaken van zijn verslaving en bijbehorend gedrag wilde aanpakken. Hij was na lang aandringen opgenomen voor behandeling. Na zijn opname periode gingen de ouders verder met het verder uitwerken van de afspraken en regelingen en het gezamenlijk ouderschapsplan en daarna met behulp van de hulpverlening om het toekomstbestendig maken door het opbouwen van vertrouwen in elkaar als opvoeders en om zich aan de afspraken te houden en het accepteren van elkaar als ex-partners naast (van elkaar verschillende) opvoeders van [minderjarige] . 2.7. Op 7 april 2025 heeft de rechtbank de rapportage ontvangen van de zorgaanbieder [totaalbegeleiding] & [zorgorganisatie] . Hierin was aangegeven dat de resultaten waren behaald. Hierbij is een ouderschapsplan, door beide partijen ondertekend op 26 februari 2025. De rechtbank werd geadviseerd om de voorgestelde contactregeling te bekrachtigen. Daarnaast was er geadviseerd om een nazorgtraject toe te wijzen van zes maanden op basis van de systemische wijze en praktisch gerichte coaching. Hierbij kon worden doorgebouwd op de vertrouwensrelatie van de ouders met de werkwijze en coaches van [zorgorganisatie] . Deze ondersteuning kon worden ingezet op- of kort na de cruciale momenten waarop coaching helpend was. Een verlening was wenselijk voor de duur van zes maanden en maximaal 3 uur per week. De man heeft sinds het laatste verslag van 24 februari 2024 nog een opname gehad bij [ggz-instelling] . Hier is het de man gelukt ‘clean’ te worden maar het verdere traject vanuit de GGZ heeft hij daar niet afgerond. Om met coaching vanuit [zorgorganisatie] daadwerkelijk tot implementatie in de praktijk te kunnen komen, is het zeer wenselijk dat beide ouders de coaching met commitment voortzetten. 2.8. Bij F9-formulier van 1 mei 2025 heeft mr. Groenhuis-Kools gereageerd op de UHA-rapportage. Daarbij is er aangegeven dat de in het ouderschapsplan opgenomen contactregeling nooit ten uitvoer is gebracht in verband met een terugval in het middelengebruik van de man eind 2024. De vrouw heeft grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in het contact met de man wanneer en zolang de man niet nuchter of clean is, zoals inmiddels al weer bijna een half jaar het geval is. Hierdoor kan onbegeleid (fysiek) contact tussen de man en [minderjarige] niet plaatsvinden. Sinds eind december 2024 vindt er geen (structurele en fysieke) contact meer tussen [minderjarige] en de man plaats. De man heeft weliswaar het ouderschapsplan ondertekend maar heeft tot op heden geweigerd het evaluatieverslag/advies voor nazorg te ondertekenen. Er is dus geen nazorg traject opgestart. De man is ook niet meer bereikbaar voor hulpverlening. De vrouw geeft aan dat er onder de huidige omstandigheden geen uitvoering kan worden gegeven aan het ouderschapsplan. Daarnaast is door de vrouw recent een kort geding procedure gestart omdat de man € 5000,-- van de spaarrekening van [minderjarige] heeft overgemaakt naar zijn eigen rekening. De vrouw meent dat de in het ouderschapsplan opgenomen contactregeling niet moet worden bekrachtigd door de rechtbank. Zij vraagt daarom om het verzoek van de man af te wijzen. Verder geeft zij aan dat er vanwege de persoonlijke (verslavings-)problematiek van de man sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:377a lid 2 sub a, b of d van het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor de man de omgang met [minderjarige] moet worden ontzegd, in ieder geval tot het moment dat hij met tussenkomst van door hem in te schakelen professionele hulpverlening heeft weten aan te tonen dat hij die persoonlijke problemen voor langere periode het hoofd heeft weten te bieden en dat zijn situatie weer stabiel (genoeg) is om op een verantwoorde manier (onbegeleid) contact met [minderjarige] te laten plaatsvinden. Wanneer de man zijn verzoek tot het vaststellen van een contactregeling handhaaft, dan wenst de vrouw een nadere mondelinge behandeling om de standpunten van partijen nader te bespreken en om het advies van de Raad daarover in te winnen. 2.9. Bij F2-formulier van 9 mei 2025 heeft mr. Gulickx zich onttrokken als advocaat van de man. Aanvullende verzoeken 2.10. Bij brief van 2 juni 2025 zijn namens de vrouw aanvullende verzoeken ingediend. Zij geeft aan dat de man nog steeds volop is teruggevallen in het gebruik van alcohol en drugs en van zijn verslaving. De man leeft al geruime tijd in isolement en heeft geen contact meer met zijn familie en hulpverleners. Hij reageert niet op e- mails. Het contact dat op initiatief van de man wel plaatsvindt met zijn ouders, de vrouw en [minderjarige] verloopt uiterst problematisch en dusdanig onveilig dat de vrouw zeer recent op advies van Veilig Thuis de woning met [minderjarige] heeft verlaten en zij op dit moment op een geheim adres verblijft. De vrouw heeft opnieuw een kort geding aangespannen om een straat- en contactverbod te krijgen. Vanwege de persoonlijke problematiek van de man is neutrale communicatie tussen de ouders over [minderjarige] niet mogelijk. De vrouw kan met de man geen overleg voeren om gezamenlijk beslissingen te nemen en het gezag op een behoorlijke manier uit te oefenen. Daarnaast is onbegeleid contact niet mogelijk. Sinds eind december 2024 vindt er geen (structureel en fysiek) contact meer plaats tussen de man en [minderjarige] . Aanvankelijk hadden zij nog wel telefonisch contact maar vanwege het gedrag van de man en van de uitspraken die hij deed tijdens de belmomenten met [minderjarige] , is er ook geen sprake meer van telefonisch contact. De vrouw is van mening dat partijen onder de huidige omstandigheden niet in staat zijn om tot een behoorlijke gezagsuitoefening met elkaar te komen. Gelet op de ernst van de zorgen en de problematiek van de man, is niet te verwachten dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren. De vrouw meent dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:253n jo 1:251a lid 1 sub a dan wel sub b BW. Zij verzoekt de rechtbank om over te gaan tot wijziging van het gezag en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] zal zijn belast. Verder meent zij dat er geen (onbegeleid) contact tussen de man en [minderjarige] kan plaatsvinden, zolang de man zijn persoonlijke problemen (middelengebruik/verslaving en psychische problemen) niet aantoonbaar het hoofd heeft weten te bieden en onder controle heeft. Op grond van artikel 1:377a (bij handhaving gezag jo 1:253a) BW verzoekt de vrouw de rechtbank de man het contact/de omgang met [minderjarige] te ontzeggen voor onbepaalde duur, dan wel voor een nader door de rechtbank te bepalen periode van ten minste een jaar (of langer) en tot slot om de beslissing op dit punt uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nadere zitting Standpunt man 2.11. Tijdens de zitting van 10 december 2025 heeft de man aangevoerd dat hij op de hoogte is van de aanvullende verzoeken van de vrouw. Hij geeft aan dat de behandeling van de zaak plaats kan vinden, ook al heeft hij nu geen advocaat. De man erkent dat hij een periode heeft gehad waarin het slecht met hem ging. De man had last van depressies, angsten en van wisselende stemmingen. Ook is het middelengebruik, in de vorm van alcohol en amfetamine, een probleem voor hem. De man heeft hierdoor lange tijd geen contact met [minderjarige] gehad. Het laatste contactmoment was een begeleid contact in april dit jaar. De contacten met [minderjarige] zijn altijd goed gegaan. De man zorgde ervoor dat hij geen middelen gebruikte wanneer hij contact had met [minderjarige] . De man geeft aan dat het inmiddels beter met hem gaat. Er waren zoveel problemen ontstaan door zijn middelengebruik dat hij tot inkeer is gekomen. Hij is inmiddels onder behandeling bij Kentron voor zijn verslavingsproblematiek. Daarnaast heeft hij op 23 december aanstaande een intakegesprek bij Fivoor voor de behandeling van zijn angsten. Hij begint in januari aan een nieuwe baan. Langzaamaan komt zijn leven weer op de rit. De man mist [minderjarige] . Hij heeft hem nu al driekwart jaar niet gezien en weet niet hoe het met hem gaat. Het liefst zou hij hem willen knuffelen maar hij begrijpt dat dit nu niet gaat. Hij snapt ook dat een eventueel contactherstel stapsgewijs zal moeten gaan. De man weet dat hij een contactverbod heeft met de vrouw en [minderjarige] , echter hij meent dat dit niet nodig is. Hij erkent dat hij de vrouw in het verleden dreigende berichten heeft gestuurd maar dit kwam voort uit machteloosheid omdat hij [minderjarige] al zo lang niet ziet. Hij zou de vrouw en [minderjarige] nooit iets aandoen. Het is nooit zijn intentie geweest om hen te schaden. De man meent dat het opgelegde contactverbod alleen nog maar meer verwijdering brengt. Dit is volgens hem niet goed. De man herkent zich niet in de stelling dat hij een gevaar zou kunnen zijn voor zijn eigen kind. Hij erkent dat hij onvoorspelbaar kan zijn maar hij zal [minderjarige] en de vrouw nooit kwaad doen. De vrouw hoeft niets van hem te vrezen. Hij heeft nog nooit iemand met een vinger aangeraakt. Het zijn slechts loze bedreigingen geweest uit paniek en frustratie. De man meent dat het schadelijk is voor [minderjarige] dat hij zo lang geen contact heeft met zijn vader. Nu hij een hulpverleningstraject is gestart, moet er weer contact komen tussen hem en [minderjarige] . De man meent tenslotte dat er geen reden is om hem uit zijn gezag te zetten. Hij heeft nog nooit iets tegengewerkt. Standpunt vrouw 2.12. Door en namens de vrouw is, samengevat, het volgende aangevoerd. De vrouw heeft het contactverbod aangevraagd omdat zij vreesde voor de veiligheid van haarzelf en [minderjarige] . Zij is meerdere keren met [minderjarige] uit haar huis gevlucht en is toen zelfs bij haar vader gaan wonen. De vrouw heeft weinig vertrouwen meer in de man. De man heeft zich eerder laten opnemen voor zijn verslaving. Hij geeft steeds aan dat hij het niet meer wil maar valt dan toch steeds weer terug in zijn oude gedrag. De vrouw heeft er dan ook weinig vertrouwen in dat het dit keer wel een blijvend goed resultaat zal hebben. Zolang zij de man kent, heeft zij hem niet langdurig stabiel meegemaakt. Zij denkt dat de man, wanneer het beter met hem gaat, wel een lieve vader zou kunnen zijn die leuke dingen met zijn kind doet maar zij acht hem niet in staat om verantwoordelijkheid te nemen. Hij ziet bijvoorbeeld niet in hoe schadelijk zijn gedrag is voor [minderjarige] . Het gaat onder de omstandigheden goed met [minderjarige] . Over het algemeen is het een vrolijk kind. Hij doet het goed op school. Recent heeft hij de training ‘Piep zei de muis’ gevolgd via het CJG. De vrouw gunt [minderjarige] contact met zijn vader en andersom. Het moet echter wel veilig kunnen. Het laatste contactmoment is in juni j.l. geweest. Daar waren, in verband met de veiligheid, twee begeleiders bij. De man heeft de beide begeleiders bedreigd met de dood. Daarop is de begeleiding niet voortgezet. De procesregisseur van de gemeente heeft aangegeven dat er eerst behandeling van de man moet komen voordat er eventueel begeleide omgang kan gaan plaatsvinden. De man heeft vorig jaar in december een hevige terugval gehad. Door zijn veelvuldige gebruik vertoonde hij psychotische kenmerken en deed hij rare uitspraken. Er was geen normale communicatie met de man mogelijk. De vrouw heeft met allerlei hulpverlening geprobeerd om te werken aan het verbeteren van de communicatie met de man, in het belang van [minderjarige] maar wanneer de man middelen gebruikt valt er niet met hem te communiceren. Het is de grote angst van de vrouw dat zij een keer toestemming van de man nodig heeft omdat er iets met [minderjarige] is gebeurd, en dat er dan geen communicatie met de man mogelijk is omdat hij dan psychotisch is. Hij is op zo’n moment beslist niet in staat om beslissingen te nemen. De vrouw heeft de afgelopen tijd een aantal procedures moeten voeren, niet alleen over het contactverbod maar ook over het vermogen van [minderjarige] . Wanneer er sprake is van gezamenlijk gezag moeten de ouders in staat zijn met elkaar goede beslissingen te kunnen nemen. Uit de gevoerde procedures blijkt wel dat dit bij partijen niet het geval is. De advocaat van de vrouw meent dat beide criteria voor eenhoofdig gezag van toepassing zijn. De advocaat van de vrouw geeft verder nog aan dat zij zich ervan bewust is dat ontzegging van contact/omgang voor onbepaalde tijd volgens de vaste rechtspraak niet mogelijk is. Zij benadrukt dat het contact niet zomaar is gestopt maar dat er sprake was van ernstige zorgen over de veiligheid van zowel [minderjarige] als de vrouw. Zij meent dat, gelet op de omstandigheden, een ontzegging van contact/omgang voor twee jaar niet onredelijk is. De vrouw blijft bereid om te kijken of contact/omgang met behulp van hulpverlening weer kan worden opgestart wanneer de man zich heeft laten behandelen. Op dit moment is de man niet in staat om contact/omgang met [minderjarige] te hebben, zowel vanwege het middelengebruik als vanwege de psychische klachten van de man. Standpunt Raad 2.13. De Raad waardeert de openheid die de man tijdens de zitting toont. Het is knap maar ook belangrijk dat hij de trajecten bij Fivoor en Kentron aangaat. Dit zal vermoedelijk langere tijd in beslag nemen. Het is op dit moment nog onduidelijk wanneer de man stabiel genoeg is om weer (begeleid) contact met [minderjarige] te kunnen hebben. Voor [minderjarige] is het schadelijk om steeds afwisselend wel en niet contact met zijn vader te hebben. De Raad kan zich dan ook vinden in een ontzegging van het contact/de omgang. De Raad meent dat deze ontzegging voor een jaar moet gaan gelden. In die tijd moet er draagkracht gecreëerd worden bij de vrouw om weer wat vertrouwen in de man te krijgen. Tussentijds kan de man via verslagen van Fivoor en Kentron inzicht geven in hoe het met hem gaat en hoe de behandeling verloopt. De Raad vindt de gezagskwestie lastig. Tot nu toe zijn er nog geen zaken geweest waar de man niet mee heeft ingestemd. De Raad ziet ook niet zozeer dat het klemcriterium hier aan de orde is. Anderzijds snapt de Raad het verzoek wel. De man is tot op heden onvoorspelbaar geweest voor de vrouw. Door zijn machteloosheid en frustraties in bedreigingen te uiten, heeft hij angst opgeroepen bij de vrouw. Die kan hij niet zomaar wegnemen. De Raad snapt dat de vrouw te allen tijde wil kunnen handelen voor [minderjarige] . Alles in aanmerking nemend adviseert de Raad het verzoek tot wijziging van het gezag aan te houden, zodat de man in tussentijd kan laten zien dat hij betrouwbaar is. De man moet zich hierbij wel realiseren dat wanneer hij ook maar één keer dwars gaat liggen, hij zijn gezag over [minderjarige] kwijt raakt. Oordeel rechtbank Gezagsbeëindiging 2.14. Ingevolge artikel 1:253n van BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. 2.15. De rechtbank overweegt op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Duidelijk is dat er tussen de ouders al geruime tijd geen communicatie mogelijk is en dat hulpverlening daarin geen verandering heeft kunnen brengen. Er is inmiddels zelfs een contactverbod opgelegd aan de man. De rechtbank oordeelt dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen. 2.16. Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 2.17. Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na het einde van de samenwoning belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. 2.18. Op grond van de overgelegde stukken en uit de zitting stelt de rechtbank vast dat dit nu niet (meer) het geval is. De man kampt al jaren met persoonlijke problematiek. Er is sprake van middelengebruik (alcohol en drugs) en hij lijdt daarnaast aan depressies en angsten. De man heeft regelmatig periodes gehad waarin hij psychotisch was. Hij heeft de vrouw diverse keren bedreigd en lastig gevallen. De vrouw vreesde hierdoor voor de veiligheid van haarzelf en [minderjarige] en is meerdere malen met [minderjarige] uit haar huis gevlucht. De gedragingen van de man waren dusdanig ernstig dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank in het vonnis in kort geding van 26 juni 2025 de man een contactverbod met de vrouw en/of [minderjarige] heeft opgelegd voor een jaar. De man heeft [minderjarige] inmiddels al geruime tijd niet meer gezien. De rechtbank is van oordeel dat de man in deze situatie niet in staat is om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Communicatie tussen de man en de vrouw is momenteel niet mogelijk. De man heeft geen zicht meer op het leven van [minderjarige] en op wat hij nodig heeft. Uit het feit dat hij € 5000,00 van de spaarrekening van [minderjarige] heeft overgeschreven naar zijn eigen rekening blijkt dat hij niet in staat is het belang van [minderjarige] voorop te stellen. Daarnaast is de angst van de vrouw dat zij de man niet kan bereiken in geval van nood, wanneer er met spoed een beslissing over [minderjarige] genomen moet worden, voorstelbaar. De vrouw moet in staat zijn eigenmachtig beslissingen voor [minderjarige] te kunnen nemen en op te kunnen treden in zijn belang. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval een wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag van de vrouw noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . Het verzoek zal dan ook worden toegewezen zodat de vrouw voortaan als dagelijks opvoeder van [minderjarige] zelfstandig de noodzakelijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen. Omgang 2.19. Aangezien de rechtbank, zoals zij hiervoor heeft overwogen, het gezamenlijk gezag van partijen zal wijzigen en zij zal bepalen dat de vrouw voortaan met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] zal zijn belast, kwalificeert de rechtbank het verzoek van de man over het vaststellen van een zorg- en contactregeling en het (aanvullend) verzoek van de vrouw over de opschorting van het recht op het hebben van contact, nu als een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en tot het opschorten van het recht op het hebben van omgang op grond van artikel 1:377a BW. 2.20. Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:377a stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van het derde lid van artikel 1:377a ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel kan opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 2.21. De rechtbank stelt vast dat er bij vonnis van 26 juni 2025 een contactverbod is opgelegd tussen de man en de vrouw en [minderjarige] . Dit loopt tot 26 juni 2026. De man is voor [minderjarige] onvoorspelbaar gebleken. Met zijn gedrag heeft hij bij de vrouw angst en wantrouwen veroorzaakt. De vrouw is diverse keren met [minderjarige] moeten vluchten uit vrees voor de man. Dit alles heeft ongetwijfeld zijn weerslag op [minderjarige] . Het is positief om te horen dat de man aan zijn problemen wil gaan werken en dat hij een behandeling bij zowel Kentron als Fivoor wil aangaan. Echter, de verwachting is dat dit traject geruime tijd in beslag zal nemen. De rechtbank is van oordeel dat het voor de vrouw belangrijk is dat zij voor de komende tijd duidelijkheid heeft. Dit geeft ook rust en duidelijkheid voor [minderjarige] . De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat de man het recht op omgang wordt ontzegd voor de periode van een jaar. De man krijgt daarmee de gelegenheid om met hulpverlening aan zichzelf te werken en om te laten zien dat hij betrouwbaar kan zijn. Hij dient zich te realiseren dat er in de toekomst alleen weer omgang kan komen wanneer hij veiligheid en voorspelbaarheid kan bieden aan de vrouw en aan [minderjarige] . 2.22. Om diezelfde redenen als hierboven genoemd zal de rechtbank het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, afwijzen. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.23. De rechtbank zal in het belang van [minderjarige] de voornoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. Proceskosten 2.24. Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, voortaan aan de vrouw alleen toekomt; 3.2. ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met [minderjarige] voor de periode van een jaar; 3.3. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.5. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.