Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/441130 / FA RK 25-5437 datum uitspraak 19 december 2025 beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.J. Bronsveld, en [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. W.R.M. Voorvaart. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 23 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw; - het op 20 november 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de man; - het op 1 december 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw; - het op 2 december 2025 ontvangen processtuk met bijlagen van de man. 1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 5 december 2025. Op deze zitting waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. 2 De verzoeken 2.1. De vrouw verzoekt, samengevat: - het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar; - toevertrouwing van de minderjarigen aan haar; - vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar. 2.2. De man verzoekt, samengevat: - het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem; - toevertrouwing van de minderjarigen aan hem. 3 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1. Vanwege de nationaliteit van partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat zij rechtsmacht heeft en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken. Uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de kinderen 3.2. Beide partijen verzoeken bij uitsluiting van de ander gerechtigd te zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] in [woonplaats] en de kinderen aan hem/haar toe te vertrouwen. 3.3. De vrouw stelt dat zij tijdens het huwelijk fysiek en emotioneel is mishandeld door de man. De politie is meerdere malen naar het huis van partijen moeten komen en de vrouw heeft inmiddels aangifte gedaan. Het is voor de vrouw niet meer houdbaar om samen met de man in de echtelijke woning te verblijven. Dit is ook niet in het belang van de kinderen. Zij zijn getuige van de voortdurende ruzies tussen hun ouders. De vrouw heeft geen mogelijkheden ergens anders te verblijven. Haar ouders hebben aangegeven aan haar geen onderdak te kunnen bieden. Gelet op haar lage inkomen heeft de vrouw ook financieel geen mogelijkheden om tijdelijk andere woonruimte te huren. 3.4. De man betwist dat de thuissituatie onhoudbaar is. Partijen hebben wel eens ruzie, maar met duidelijke afspraken moet het mogelijk zijn om nog samen in de woning te kunnen verblijven. Ook de man heeft geen alternatieven. Hij betaalt de volledige woonlasten van de echtelijke woning, maar daarnaast is er geen financiële ruimte om ergens anders woonruimte te huren of in een hotel te verblijven. 3.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de zitting blijkt dat de verhoudingen tussen partijen moeizaam zijn en er over en weer sprake is van onbegrip. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is bij het gezin betrokken geraakt, waarbij de jeugdprofessional in oktober 2025 een gesprek heeft gehad met de kinderen. Beide kinderen hebben verteld over de ruzies thuis. Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat het niet langer van partijen kan worden gevergd dat zij gezamenlijk in de echtelijke woning verblijven. Op de zitting is nog met partijen gesproken over mogelijke oplossingen, omdat zij beiden aangeven geen alternatieven te hebben, maar zij bleken niet bereid om onderling tot afspraken te komen. Dit leidt ertoe dat moet worden beoordeeld wiens belang bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt. 3.6. Partijen zijn het er over eens dat de kinderen in de woning moeten blijven. Voor de kinderen is hun leven al aan het veranderen doordat hun ouders uit elkaar gaan. Het is in het belang van de kinderen om verder zoveel als mogelijk is gelijk te houden en voor nu in hun vertrouwde omgeving te kunnen blijven. 3.7. Beide partijen geven aan dat zij geen sociaal netwerk hebben waar zij kunnen verblijven. Verder is gebleken dat de man over de financiële middelen beschikt om de lasten van de echtelijke woning te betalen. Dit geldt niet voor de vrouw. De man heeft toegezegd de eigenaarslasten van de woning hoe dan ook te zullen voldoen, maar daarnaast is het voor hem niet mogelijk om ook nog de woonlasten voor andere woonruimte te kunnen betalen. 3.8. Aldus is gebleken dat beide partijen belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank acht het belang van de kinderen in deze van doorslaggevende betekenis. Zoals overwogen, is het belang van de kinderen er in gelegen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en dat er verder voor hen zo min mogelijk verandert. Onbetwist is gesteld dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk bij de vrouw lag en de man fulltime werkt(e). De vrouw is ook nu het merendeel voor de kinderen beschikbaar. De man heeft aangegeven dat het voor hem mogelijk is om zijn werkzaamheden in te gaan richten rondom de zorg voor de kinderen, maar dit is nog een onzekere factor en hierop kan niet worden vooruitgelopen. De rechtbank acht het op dit moment dan ook het meest in het belang van de kinderen dat zij worden toevertrouwd aan de vrouw en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw dan ook toewijzen. De verzoeken van de man worden afgewezen. Nu de man heeft toegezegd de eigenaarslasten van de echtelijke woning te zullen blijven betalen, zal de rechtbank hiermee, voor zover mogelijk, rekening houden bij de beoordeling van de verzoeken tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie. Kinderalimentatie 3.9. De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 250,= per maand per kind met ingang van de datum van de beschikking. De man voert gemotiveerd verweer. 3.10. Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte van de kinderen 3.11. Op de zitting hebben partijen ermee ingestemd om in het kader van de voorlopige voorzieningen uit te gaan van een behoefte van de kinderen van € 1.120,= per maand. Dit is het gemiddelde van de door ieder van partijen becijferde behoefte. Draagkracht van de man 3.12. Partijen zijn het er in dit kader ook over eens gebleken om bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man aan te sluiten bij een bruto jaarinkomen van € 62.944,= (volgens de aangifte IB 2024). Op basis van dit inkomen bedraagt het NBI van de man € 3.767,= per maand. Dit volgt uit de bijgevoegde berekening. 3.13. Verder heeft de man voor het eerst op de zitting gesteld dat rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten. De man is bereid om de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning te betalen, maar hij zal – bij toewijzing van het verzoek van de vrouw – ook woonlasten hebben voor vervangende woonruimte. De man schat in dat hij maandelijks een bedrag van € 1.000,= aan huur zal moeten betalen. 3.14. De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat er geen reden is om af te wijken van het woonbudget. Zij betwist de gestelde huurlast van € 1.000,= per maand. 3.15. De rechtbank overweegt als volgt. Uit genoemde aanbevelingen volgt dat wanneer een onderhoudsplichtige lasten van de echtelijke woning betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, het woonbudget kan worden aangepast en met de werkelijke woonlasten rekening kan worden gehouden. Op de zitting is gebleken dat beide partijen ervan uit gaan dat de man de lasten van de echtelijke woning blijft betalen. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij de gebruikerslasten kan betalen als zij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning krijgt. 3.16. Uit de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt dat een bedrag aan hypotheekrente is betaald van € 8.998,= per jaar, ofwel afgerond € 750,= per maand. Zoals toegezegd, zal de man deze last blijven voldoen en de rechtbank houdt hiermee bij het bepalen van zijn draagkracht dan ook rekening. Over de gestelde huurlast van € 1.000,= per maand overweegt de rechtbank dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekomt. Dit maakt dat de man op zoek moet gaan naar vervangende woonruimte. De door de man opgevoerde huurlast van € 1.000,= per maand komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal in het kader van de voorlopige voorzieningen dan ook uitgaan van het woonbudget vermeerderd met de hypotheekrente voor zover deze niet uit het woonbudget kan worden voldaan. 3.17. Het bovenstaande leidt ertoe dat de draagkracht van de man op basis van de formule € 495,= per maand bedraagt. Dit volgt uit bijgevoegde berekening. Draagkracht van de vrouw 3.18. Op de zitting hebben partijen ermee ingestemd om ook bij het berekenen van het NBI van de vrouw aan te sluiten bij het in de aangifte inkomstenbelasting 2024 genoemde bruto jaarinkomen van de vrouw. In de hoofdzaak kan het debat worden gevoerd over de verdiencapaciteit van de vrouw, waarbij de rechtbank opmerkt dat op de vrouw een inspanningsverplichting rust om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven om daarmee in haar eigen levensonderhoud en in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien. 3.19. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt dat de vrouw in 2024 een bedrag aan inkomsten uit loondienst had van € 7.460,= en aan inkomsten uit overig werk van € 2.405,=. Dit leidt tot een bruto jaarinkomen van in totaal € 9.865,=. Verder houdt de rechtbank rekening met een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 9.114,= per jaar. Over dit bedrag zijn partijen het ook eens. Op basis van deze financiële gegevens bedraagt het netto inkomen van de vrouw € 1.571,= per maand. 3.20. Het bovenstaande leidt ertoe dat de draagkracht van de vrouw op basis van de tabel € 50,= per maand bedraagt. Draagkrachtvergelijking 3.21. Omdat partijen samen niet genoeg draagkracht hebben voor de kosten van de kinderen, komt de rechtbank niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking. Zorgkorting 3.22. Op de zitting zijn partijen het er over eens gebleken dat rekening wordt gehouden met een zorgkorting van 25% van de behoefte, te weten € 280,= per maand. 3.23. Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van de kinderen te voorzien tweemaal zo groot is als de zorgkorting waarop de man recht heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van de kinderen voorzien. Dit betekent dat de man als bijdrage moet voldoen een bedrag van € 247,50 per maand per kind. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw in zoverre toe. Partneralimentatie 3.24. De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.000,= per maand met ingang van de datum van de beschikking. De man voert gemotiveerd verweer. 3.25. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man bespreken. 3.26. Voor de vaststelling van de draagkracht van de man sluit de rechtbank wederom aan bij het NBI zoals voormeld van € 3.767,= per maand. Ook wordt rekening gehouden met de woonlasten, zoals is overwogen onder rechtsoverweging 3.16. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de hiervoor becijferde bijdrage in de kosten van de kinderen inclusief de zorgkosten. 3.27. Op grond van bovenstaande financiële gegevens en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man geen draagkracht aanwezig om, naast de bijdrage in de kosten van de kinderen, een bijdrage te voldoen voor de vrouw. De rechtbank wijst dit verzoek van de vrouw dan ook af. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] in [woonplaats] en beveelt de man die woning te verlaten en deze niet verder te betreden; 4.2. bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , en - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ; 4.3. bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten voor de kinderen met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 247,50 (tweehonderdenzevenenveertig euro en vijftig eurocent) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.4. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.