Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:GHSHE:2026:55 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-01-2026 / 24/245 tot en met 24/250

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Case Summary

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/245 tot en met 24/250 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 december 2023, nummers BRE 21/2103 tot en met 21/2106, 22/3408 en 22/3409 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2014 tot en met 2016 opgelegd en aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over de jaren 2015 en 2016. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikking boeten opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor zover het de vergrijpboete IB/PVV 2016 betreft gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende tot bijstand vergezeld door zijn partner [partner] , en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur [inspecteur] . 1.6. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. In onderhavige jaren woonde belanghebbende samen met zijn partner, [partner] . 2.2. Volgens de Basisregistratie Personen was belanghebbende woonachtig op de volgende adressen: 24-04-1991 tot 28-12-2004 [adres 1] in [woonplaats] 01-12-2005 tot 23-03-2010 [adres 1] in [woonplaats] 23-03-2010 tot 13-10-2015 [adres 2] in [woonplaats] 13-10-2015 tot 24-06-2016 [adres 3] in [woonplaats] 24-06-2016 tot 10-08-2017 Onbekend 10-08-2017 tot 26-01-2018 [adres 2] in [woonplaats] 2.3. Bij brieven van 26 april 2016 heeft de inspecteur aan de ING Bank (ten aanzien van een tweetal bankrekeningen op naam van belanghebbende) en de ABN AMRO Bank (ten aanzien van één bankrekening op naam van belanghebbende) verzocht om alle rekeningafschriften over de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 april 2016. Uit deze bankafschriften (hierna: de bankafschriften) blijken contante stortingen tot de volgende bedragen: 2013 € 15.735 2014 € 12.403 2015 € 9.215 2016 (t/m april) € 2.260 2.4. Met dagtekening 12 oktober 2017 heeft de inspecteur, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de Officier van Justitie (hierna: de OvJ) verzocht om alle gegevens en inlichtingen te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende, met het oog op de beoordeling van de binnenlandse belastingplicht en belastingaangiften, heffing en/of inning van de belastingaanslagen over de aangiftetijdvakken 2013 tot en met 2017. Dit verzoek is op 13 oktober 2017 voor akkoord getekend door de OvJ. 2.5. De inspecteur heeft van de OvJ op 12 januari 2018 een afschrift ontvangen van het door [naam 1] , financieel rechercheur bij de Politie, op 3 april 2017 opgestelde rapport waarin een berekening is gemaakt van het door belanghebbende verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode van 2 maart 2013 tot en met 20 september 2016 (hierna: de ontnemingsrapportage). Hierin staat onder meer: “AANLEIDING ONDERZOEK Op 29 december 2015 werd onder leiding van de officier van justitie te Breda, (…), een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek 1] (...) De belangrijkste verdachte in het onderzoek [naam onderzoek 1] is [belanghebbende] (...). Hij wordt ervan verdacht als "dealer [naam 2] " op grote schaal cocaïne te verhandelen. Hij zou dit doen dit in samenwerking met anderen. Ook wordt [belanghebbende] verdacht van witwassen. Hij zou het geld verdiend met de handel in cocaïne, investeren in Marokko. Binnen het onderzoek is het vermoeden gerezen dat [belanghebbende] onroerend goed bezit in Marokko. Hij zou meerdere grote huizen en stukken grond bezitten in [plaats 1] nabij [plaats 2] . Ook zouden in Marokko een aantal dure auto's van hem staan. Ook is niet gebleken dat [belanghebbende] in Nederland over voldoende legaal vermogen beschikt dat in overeenstemming te brengen is met het bezit en/of de bouw van onroerend goed in Marokko. Het vermoeden is derhalve dat eventueel bezit van vermogen in Marokko is verkregen uit crimineel verkregen inkomsten en de herkomst van dit vermogen wordt verhuld voor de Nederlandse autoriteiten. (...) Deallijn(en) 'dealer [naam 2] ’ In de onderzoeken [naam onderzoek 2] en [naam onderzoek 1] zijn verschillende deallijnen van 'dealer [naam 2] ' naar voren gekomen welke gebruikt werden. Uit een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) kwam onder meer naar voren dat met de Marokkaan uit [woonplaats] die zichzelf “ [naam 2] ” noemt cocaïne op bestelling verkoopt [belanghebbende] wordt bedoeld. Uit een ander proces-verbaal van het TCI kwam naar voren dat [broer] , de broer van [belanghebbende] ook cocaïne voor hem verkoopt samen met [naam 3] . Tevens is uit de tapgesprekken naar voren gekomen dat verschillende andere personen voor [belanghebbende]dealden op de deallijn van ' [naam 2] ' (...) Verder kwam uit tapgesprekken naar voren dat er sprake was van een bepaalde hiërarchie waarbij anderen dan 'dealer [naam 2] ' niet mochten beslissen over poffen en dat [belanghebbende] anderen aanstuurde naar dealafspraken. (...) ACTIEDAGEN ; (…) Op dinsdag 20 september 2016 werd er een actiedag gehouden waarbij gepoogd werd onder andere [belanghebbende]aan te houden. (...) Tevens vond er een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in diverse woningen waar [belanghebbende] verblijft, c.q. zou kunnen verblijven. Deze woningen waren gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] (woning van partner van [belanghebbende]) en de [adres 1] te [woonplaats] (woning ouders). Ook is er een doorzoeking geweest in de woning van [broer] , zijnde de broer van [belanghebbende] alsmede in de woning van medeverdachte [naam 4] . In de woning van [broer] (...) werd onder meer inbeslaggenomen: - contant geldbedrag ter waarde van € 15.000,- - diverse ponypacks - twee weegschaaltjes - mes met witte korrels aan het handvat gekleefd (indicatief positief getest op cocaïne) - 3 mobiele telefoons In de woning van de ouders van [belanghebbende] werd onder meer inbeslaggenomen: - contant geldbedrag ter waarde van € 80.000,- verpakt in 8 sokken in ladekast - contant geldbedrag van € 900,- in zwarte etui met daarin ponypacks met vermoedelijk verdovende middelen - digitale gegevensdragers als mobiele telefoons, laptop, tablets, geheugenkaartjes, simkaartjes - eigendomspapieren en overige bescheiden In de woning van [partner] , zijnde de (ex-)partner van [belanghebbende] werd onder meer inbeslaggenomen: - digitale gegevensdragers als mobiele telefoons, tablet, navigatiesystemen, mb-sticks, simkaartjes - diverse papieren bescheiden - contant geldbedrag van € 320,- - verpakkingsmateriaal (zwart van kleur en gripzakjes) (. .. ) Verhoren afnemers/ gebruikers In het opsporingsonderzoek zijn diverse gebruikers/afnemers van verdachten [belanghebbende], [broer] en [naam 4] gehoord. Verdachten [belanghebbende], [broer] en [naam 4] werden door afnemers herkend als de persoon van wie zij cocaïne kochten aan de hand van getoonde foto's. Gebleken is, via de tap en door observatie, dat [belanghebbende] drugs leverde in [woonplaats] en omstreken, althans in Nederland. In dit onderzoek zijn verschillende afnemers, na de constatering van het dealcontact aangehouden. Andere afnemers die uit de telefoontap naar voren kwamen werden op een later tijdstip op het politiebureau ontboden. De navolgende verklaringen van afnemers werden opgenomen (...) Afnemer [afnemer 1] werd op donderdag 7 januari 2016 aangehouden waarbij 2 ponypacks met in totaal 2 gram cocaïne is aangetroffen. [afnemer 1] verklaarde dat: - hij al 4 a 5 jaar in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en sinds een jaar of 10 gebruikt; - hij gemiddeld l keer in de anderhalve week tot twee weken cocaïne gebruikt; ongeveer 2 gram (…) [afnemer 1] werd op maandag 10 oktober 2016 wederom verhoord. [afnemer 1] verklaarde dat: - hij gemiddeld 1 keer per week, eens in de 2 weken bestelde; - hij alleen cocaïne gebruikt en 1,5 a 2 gram per keer kocht; - hij meestal bij een bestelling van 2 gram 80,- euro betaalt; - hij wel een jaar of 15 cocaïne gebruikt; - het niet steeds dezelfde dealer was die kwam als hij belde; (...) Afnemer [afnemer 2] werd op donderdag 7 januari 2016 aangehouden waarbij geen ponypack met cocaïne is aangetroffen. [afnemer 2] verklaarde dat: - hij voor 20 euro coke gekocht had en dit uit het raam gegooid had toen de politie achter hem reed; - hij 0,3 of 0,4 gram kreeg voor die 20,- euro; - hij het nummer [telefoonnummer 2] belde voor de drugs; - hij al zes jaar in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ; - hij wekelijks of 1 keer in de maand gebruikt en gewoonlijk voor 20,- euro koopt. - hij geen anderen heeft om coke te kopen; - hij geen ander telefonisch contact had met deze deler dan om coke. (...) [afnemer 2] werd op maandag 17 oktober 2016 wederom verhoord [afnemer 2] verklaarde: - hij sinds 2014 gebruikt; (…) Afnemer [afnemer 3] werd op dinsdag 20 september 2016 aangehouden waarbij 1 ponypack met in totaal 0,3 gram cocaïne is aangetroffen. [afnemer 3] verklaarde dat: - hij zeker al een jaar in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] ; - hij 1 keer per maand gebruikt, - hij 0,3 gram coke kocht voor 30- euro; - hij voor het eerst 18 jaar geleden gebruikte; - hij een jaar of vier a vijf geleden met de dealer in contact was gekomen; - hij de dealer ongeveer l keer per maand belde; (...) [afnemer 3] werd op dinsdag 11 oktober 2016 wederom verhoord. [afnemer 3] verklaarde: - hij hem nu 2,5 jaar kent en zeker een keer of 15 hij hem gekocht heeft over verloop van een periode; - hij gemiddeld 1 keer per maand gebruikt. - dat hij het niet kan voorstellen maar het niet precies te weten, nadat hij geconformeerd was met meerdere geconstateerde contacten per week uit zijn telefoon - hij soms 1 keer in de week en soms 2 a 3 keer in de week bestelde; - hij iedere keer voor 20,- euro bestelde, een 'halfje'; - hij alleen voor cocaïne contact had met ' [naam 2] '; - meestal [naam 2] er was maar soms een ander; - hij de man van foto 2 ([de broer van belanghebbende]) herkende als een van de dealers die soms kwam; (... ) Afnemer [afnemer 4] werd op maandag 10 oktober 2016 verhoord. [afnemer 4] verklaarde dat: - hij 4 of 5 jaar in hel bezit is van hel telefoonnummer [telefoonnummer 5] ; - hij ongeveer twee keer per week cocaïne gebruikt en per keer een halve gram gebruikt; (...): - hij bij verschillende dealers cocaïne kocht; - hij de man op de foto ([belanghebbende]) herkende de dealer - hij sinds ongeveer een jaar hij hem koopt; - hij altijd een 'kleintje', een halve gram, bij hem kocht voor 20,-euro: (…) Afnemer [afnemer 5] werd op dinsdag 25 oktober 2016 verhoord. [afnemer 5] verklaarde dat: - hij al langer dan 10 jaar in het bezit is van telefoonnummer [telefoonnummer 6] ; (...) - de dealer als [naam 2] in zijn telefoon stond; - hij l of 2 gram wiet bestelde; - hij ook cocaïne koopt, maar meestal wiet; - hij 5 a 6 jaar geleden veel cocaïne bij ze bestelde en tegenwoordig meer wiet en soms cocaïne (...) - hij de man van foto 1([belanghebbende]) herkende als een van de dealers; - hij de man van foto 2 ([de broer van belanghebbende]) herkende als een van de andere dealers - hij 5 a 6 jaar bij hen besteld; (...) - hij de laatste tijd nog wel eens een halfje bestelde, maar vroeger bijna iedere dag: (...) Afnemer [afnemer 6] werd op maandag 24 oktober 2016 verhoord. [afnemer 6] verklaarde dat: - hij al sinds hij 18 jaar is in het bezit is van de telefoonnummers [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8] ; - hij auto's verhuurt aan [belanghebbende] en dat het contact meestal via [broer] ging; (...) - [Belanghebbende] de meeste huurauto's kocht en verkocht. (…) Afnemer [afnemer 7] werd op donderdag 29 september 2016 verhoord. [afnemer 7] verklaarde dat: - hij sinds anderhalf jaar in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] ; - hij sinds een jaar weer cocaïne koopt; - het kan kloppen dat hij al sinds 2014 contact had met telefoonnummers van [naam 2] want hij gebruikt al een tijdje, hij weet alleen het nummer niet, nadat hij geconfronteerd was met analyse telefoongegevens. (...) Afnemer [afnemer 8] werd op vrijdag 7 oktober 2016 verhoord. Hij verklaarde dat: - hij sinds 16 juni 2014 in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] ; - hij cocaïne snuift en hij dit haalt bij donkere jongens die zich voordoen als ' [naam 2] ': - hij de man van foto 1 ([belanghebbende]) herkende als een van de dealers ‘ [naam 2] - hij de man van foto 2 ([de broer van belanghebbende]) herkende als een van de dealers ' [naam 2] '; - hij de man van foto 3 ( [naam 3] ) herkende als een van de dealers ' [naam 2] ';’ (…) - hij nooit bij een ander kocht; (...) - hij onregelmatig gebruikte, eens per week, twee keer per week of een keer per maand; (...) - hij meestal een kleintje, een halve gram, wilde hebben en dat dit bijna niet werd benoemd over de telefoon; - ze al 7 a 8 jaar bezig zijn; - [belanghebbende] meestal het dealen regelde en reed. (...) [afnemer 8] meldde zich kort daarna opnieuw op het politiebureau en wilde zijn eerdere verklaring intrekken omdat deze leugenachtig zou zijn geweest. (...) Afnemer [afnemer 9] werd op vrijdag 30 september 2016 verhoord. Hij verklaarde dat: - hij zijn hele leven in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 11] ; - hij 1 a 2 keer per maand cocaïne gebruikt en een halve gram per keer bestelde. - hij sinds ongeveer 2 jaar gebruikt; - (...) - hij zelf gemiddeld een keer per week bestelde, maar vrienden ook op zijn telefoon naar de dealer belden; - hij meestal voor net iets meer als een halve gram bestelde en daarvoor 30,- euro betaalde; - (…) - hij de man van foto A ([belanghebbende]) herkende als de dealer bij wie hij het laatste halfjaar drugs kocht; - hij vanaf 2014 koopt bij dezelfde dealer en het dan langer zal zijn dan een halfjaar; - hij met deze dealer nergens anders dan de bestelling van drugs contact had. - (...) Afnemer [afnemer 10] werd op maandag 3 oktober 2016 verhoord. Hij verklaarde dat: - hij al 15 jaar in het bezit is van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] ; - hij tot 4 maanden geleden 1, 2 of 3 keer per week gebruikt; - hij na 4 maanden geleden 1 keer per weekend gebruikt; - hij sinds juli 2016 niet meer gebruikt; - hij voor 20,- euro gebruikte. Een halve gram; - hij sinds een jaar of 3 a 4 cocaïne gebruikte: - hij de cocaïne kocht bij [naam 2] (waarschijnlijk bijnaam); - hij [naam 2] belde op het telefoonnummer [telefoonnummer 13] ; en vanaf de zomer 2012 bij [naam 2] cocaïne kocht: - hij de man van foto 1 ([belanghebbende]) herkende als de dealer genaamd [naam 2] : - (...) - 20,- euro voor een halve gram cocaïne staat en hij bestelde in het bedrag dus hij wilde hebben: (...) 4.2 Het wederrechtelijk verkregen voordeel In het kader van deze ontnemingsrapportage wordt uitgegaan van een aantal aannames, die (in het voordeel van de verdachte) minimaal dan wel een gemiddelde zijn. Deze ontnemingsrapportage is slechts gebaseerd op de verkoop van cocaïne. Over de verkoop van hennep waren weinig gegevens bekend en wordt derhalve in deze ontnemingsrapportage buiten beschouwing gelaten. (..) Gedurende het onderzoek [naam onderzoek 1] alsmede in het voorgaande onderzoek [naam onderzoek 2] zijn onder meer van de navolgende mobiele telefoonnummers, die in gebruik waren bij dealer ' [naam 2] ' verdachte, de historische printgegevens gevorderd (126n WvSv) [telefoonnummer 14] (over de periode 10 maart 2014 tot en met 09 maart 2015) [telefoonnummer 2] (over de periode 04 juli 2015 tot en met 29 december 2015) [telefoonnummer 13] (over de periode 01 januari 2016 tot en mei 27 juni 2016) Uit analyse van de historische printgegevens van bovengenoemde telefoonnummers kwam onder meer het navolgende naar voren in de gevorderde periodes Dealer telefoonnummer Totaal aantal uitgevraagde contacten Totaal aantal inkomende contacten Totaal aantal telefoonnummers waarmee contact was [telefoonnummer 14] 24.126 53.222 1.440 [telefoonnummer 2] 21.558 39.044 620 [telefoonnummer 13] 12.032 20.012 1.035 (...) Uit raadpleging van politiesystemen kwamen de navolgende registraties naar voren welke erop duiden dat verdachte [belanghebbende] zich al langere tijd bezig houdt met de handel in verdovende middelen/ cocaïne teruglopend tot 08 april 2010 en hier tevens al eerder voor is aangehouden te weten op 02 maart 2013 en 30 mei 2013. Datum Omschrijving melding (…) (…) 02-03-2013 [Belanghebbende] werd na een achtervolging met de politie aangehouden in verband met dealen. Onder [belanghebbende] werden 79 ponypacks met cocaïne aangetroffen en een geldbedrag van €579,- (...) 30-05-2013 [Belanghebbende] werd aangehouden na een achtervolging met de politie. Tijdens zijn vluchtpoging werd door hem een geldbundel van €2.670,- en 10 ponypacks met cocaïne weggegooid (...) Tevens zijn door het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) diverse processen-Verbaal opgemaakt waaruit naar voren komt dat verdachte [belanghebbende] zich met de verkoop van cocaïne bezig houdt en daarvoor mensen voor zich laat rijden Datum Omschrijving Melding 16-02-2015 Binnengekomen reformatie TCI (in onderzoek [naam onderzoek 2] ) over de periode van mei 2011 tot en met januari 2015: "[Belanghebbende] uit [woonplaats] verkoopt al jaren cocaïne. Hij beschikt vaak over dure auto's en heeft in [plaats 1] , in de provincie [plaats 2] in Marokko een villa". ( ...) (…) (…) 14-01-2016 informatie TCI: "[Belanghebbende] uit [woonplaats] bezit in [plaats 1] , bij [plaats 2] in Marokko meerdere grote huizen en stukken grond. Daar staan van hem onder andere ook een witte Porsche Panamera en een Mercedes A-Klasse AA4G . De Porsche komt terug naar Nederland. (...) 4.2.5 Vaststelling bruto wederrechtelijk verkregen voordeel Onder punt 4.2.1 heb ik, rapporteur, voor wat betreft de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, de onderzoeksperiode en het aantal weken uiteengezet. Onder punt 4.2.2 heb ik rapporteur de frequentie van de transacties voor wat betreft de handel in verdovende middelen uiteengezet (aantal transacties). Onder punt 4.2.3 heb ik rapporteur de hoeveelheid gram verkochte cocaïne per transactie uiteengezet. Onder punt 4.2.4 heb ik rapporteur de prijs per gram verkochte cocaïne per transactie uiteengezet. Aan de hand van bovenstaande gegevens kan onderstaande berekening van het BRUTO wederrechtelijk verkregen voordeel worden gemaakt. Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel Totaal aantal drugstransacties in de gestelde onderzoeksperiode betreft: 50.616 transacties (296 transacties x 171 weken) Totale hoeveelheid cocaïne over gestelde pleegperiode betreft 50.616 gram cocaïne (50.616 transacties x 1 gram cocaïne) Totale waarde van verkochte cocaïne over gestelde pleegperiode betreft: € 2.024.640,- (50.616 gram cocaïne x € 40,-) (…) 4.2.6 Inkoopprijs verdovende middelen Samenvatting 4.2.6. inkoopprijs verdovende middelen Door de verdachte [belanghebbende] en de medeverdachten [broer] en [naam 3] niets verklaard is over de hoogte van de inkoopprijs. Tevens is door de verdachten niets verklaard over de wijze van versnijden. Bovendien blijkt uit een tapgesprek dat bij een of meer transacties sprake was van ‘onversneden’ cocaïne. In deze berekening wordt de inkoopprijs op basis van de jurisprudentie op 50% van de opbrengst gesteld. Uitgangspunt in de berekening van de aan verdachte [belanghebbende] toe te schrijven inkoopprijs van de cocaïne betreft dan: € 1.012.320.- ( 50% van € 2.024.640,-) (…) 5. Berekening NETTO verkregen voordeel Op basis van het gerelateerde in hoofdstuk 4 wordt het NETTO wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend: Bruto opbrengst € 2.024.640,- Inkoopkosten € 1.012.320.- -/- NETTO verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.012.320,- (…) 7.1 In beslag genomen vermogenscomponenten De navolgende vermogenscomponenten zijn bij verdachte [belanghebbende] aangetroffen in beslag genomen op grond van art. 94 Wetboek van Strafvordering. 1) Voorwerp: Personenauto, Mercedes Benz (Brabus) met kenteken [kenteken 1] (...) Tenaamgestelde: (...) Geschatte dagwaarde, € 130.000,- De voornoemde Mercedes stond sinds 09 juli 2016 op naam van (...) Uit tapgesprekken kwam het beeld naar voren dat sprake is van een schijnconstructie inzake het eigendom en [belanghebbende] de feitelijke eigenaar van deze auto is. (...) 2) Voorwerp: Personenauto, Porsche Panamera met kenteken [kenteken 2] (...) Tenaamgestelde: (...) Geschatte dagwaarde: tussen €49.935,- en € 59. 950,- De voornoemde Porsche stond sinds 18 maart 2014 op naam van (…), zijnde de oom van verdachte [belanghebbende]. Uit politiesystemen kwamen registraties naar voren uit 2014 en 2016 waarin verdachte [belanghebbende] rijdend is gezien in deze Porsche. Onder meer uit tapgesprekken kwam het beeld naar voren dut sprake is van vermoedelijk een schijnconstructie inzake het eigendom en [belanghebbende] de feitelijke eigenaar van deze auto is. (...) 3) Voorwerp: Personenauto, Nissan Nare met kenteken [kenteken 3] (…) Tenaamgestelde: (...) Geschatte dagwaarde: tussen €4.950,- en € 6.950,- Deze auto stond sinds 01 juni 20/6 op naam van ( ...), zijnde de (ex-)partner van verdachte [belanghebbende] en moeder van zijn kinderen. Uit tapgesprekken en raadpleging van politiesystemen kwam het beeld naar voren dat sprake is van vermoedelijk een schijnconstructie inzake het eigendom en [belanghebbende] de feitelijke eigenaar van deze auto is. In diverse tapgesprekken met betrekking tot een kapotte wie/lager en de Nissan Note met het kenteken [kenteken 3] benoemt [belanghebbende] namelijk dat het om 'zijn' auto gaat. (. . .) 4) Voorwerp: contant geldbedrag van € 80.900,- (...) Het geldbedrag van € 80.900,- werd aangetroffen in de woning van de ouders van verdachte [belanghebbende] Dit opsporingsonderzoek was met name gericht op 'een Marokkaanse dealer ' [naam 2] ' waarmee [belanghebbende] wordt bedoeld. Uit tapgesprekken komt het beeld naar voren dat [belanghebbende] de aansturing van de deallijn [naam 2] deed. Uit 2 tapgesprekken tussen [belanghebbende] en zijn vader bespreken zij de aankoop van grond waarbij vader vraagt of [belanghebbende] geld kan sturen. [Belanghebbende] vraagt hierbij of het 40 per stuk is. Vader zegt dat daarop dat het voor twee is. In een tweede gesprek tussen [belanghebbende] en zijn vader zegt vader dat de percelen in het goede locatie zijn gelegen en goedkoop zijn [Belanghebbende] zegt daarop dat hij het geld heeft maar niet bij de hand, hij kan die 40 over een week naar zijn vader sturen. [Belanghebbende] zegt dat vader tegen de verkoper moet zeggen dat het verkocht is. Een totaalbedrag van € 80.000,- werd aangetroffen verstopt in sokken in de ladekast op de slaapkamer van de ouders. Een bedrag van € 900,- werd aangtroffen in slaapkamer nummer 2 op de eerste verdieping in een zwarte etui met daarbij ook ponypacks met vermoedelijk verdovende middelen. (… ) 2.6. De inspecteur heeft het hiervoor in 2.5. genoemde netto wederrechtelijk verkregen voordeel, ter grootte van € 1.012.320, uit de onderzoeksperiode (2 maart 2013 tot en met 20 september 2016) als volgt tijdsevenredig herrekend: 2013 2014 2015 2016 Totaal Maanden 10 12 12 8 42 Bedrag € 241.029 € 289.234 € 289.234 € 192.823 € 1.012.320 2.7. Over de jaren 2014 en 2016 heeft belanghebbende nihilaangiften IB/PVV ingediend. Over het jaar 2015 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet tijdig een aangifte IB/PVV ingediend. Op 15 december 2017 heeft belanghebbende alsnog over het jaar 2015 een nihilaangifte ingediend. 2.8. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2014, 2015 en 2016 de volgende (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd en de volgende boete- en rentebeschikkingen gegeven: Belastbaar inkomen uit werk en woning/ bijdrage-inkomen Boete Belastingrente Navordering IB/PVV 2014 € 289.234 € 56.753 € 25.538 Aanslag IB/PVV 2015 € 19.000 € 369 € 167 Aanslag Zvw 2015 € 19.000 € 59 Navordering IB/PVV 2015 € 289.234 € 55.769 € 21.130 Aanslag IB/PVV 2016 € 192.823 € 36.717 € 9.332 Aanslag Zvw 2016 € 52.763 € 294 2.9. De OvJ heeft aan belanghebbende een transactie ter voorkoming van strafvervolging aangeboden als bedoeld in artikel 74 Wetboek van Strafrecht. Belanghebbende heeft zich op 15 augustus 2019 akkoord verklaard met de inhoud van de aan hem aangeboden transactie. In de overeenkomst is onder meer vermeld dat de overeenkomst pas tot stand komt als de overeenkomsten door medeverdachten [broer] en [naam 4] tevens voor akkoord zijn getekend. 2.10. De rechtbank heeft op de voet van het bepaalde in artikel 8:60, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de medewerkers van de Belastingdienst [naam 5] en [naam 6] als getuige gehoord. 2.11. De rechtbank heeft de vergrijpboete over 2016 vernietigd en de vergrijpboeten over 2014 en 2015 vanwege undue delay met 20% gematigd tot € 45.402 (2014) respectievelijk € 44.615 (2015). Verder heeft de rechtbank nevenbeslissingen gegeven over de proceskostenvergoeding, het griffierecht en de vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Dienen de ontnemingsrapportage en de bankafschriften als bewijs te worden uitgesloten omdat deze niet op rechtmatige wijze zouden zijn verkregen? Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Zijn de (navorderings)aanslagen terecht en tot juiste bedragen opgelegd? Heeft de inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden, in het bijzonder de meerderheidsregel? Zijn de vergrijpboeten over 2014 en 2015, zoals gematigd door rechtbank, terecht en tot juiste bedragen opgelegd? 3.2. Belanghebbende is van mening dat de vragen 1 en 4 bevestigend moeten worden beantwoord en de overige vragen ontkennend. De inspecteur is telkens de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, alsmede van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw en boete- en rentebeschikkingen over de jaren 2014 tot en met 2016 voor zover in stand gelaten door de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. Dienen de ontnemingsrapportage en de bankafschriften als bewijs te worden uitgesloten omdat deze niet op rechtmatige wijze zouden zijn verkregen? 4.1. De inspecteur heeft de ontnemingsrapportage ontvangen naar aanleiding van een op 12 oktober 2017 gedaan artikel 55 AWR-verzoek. Belanghebbende heeft zowel in de bezwaar- als beroepsfase de inspecteur om opheldering gevraagd naar de aanleiding van dit verzoek. Omdat de inspecteur geen opheldering kan geven over hoe hij wist dat naar belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek werd gedaan, moet er volgens belanghebbende van worden uit gegaan dat informatie over het strafrechtelijk onderzoek op onrechtmatige wijze is gedeeld door de politie en/of is verkregen door de inspecteur vanuit het RIEC. De onrechtmatigheid zit hem volgens belanghebbende in het in strijd handelen met de Wet Politiegegevens, het Besluit Politiegegevens en/of het RIEC-convenant door persoonsgegevens te delen en deze vervolgens voor andere doeleinden te gebruiken dan waarvoor deze zijn gekregen. Dat kan dan vervolgens niet worden gerepareerd met een artikel 55 AWR-verzoek. Belanghebbende stelt dat zijn recht op privacy is geschaad. Dit betekent volgens belanghebbende dat de ontnemingsrapportage, wat een resultante is van de onrechtmatig verkregen startinformatie, niet als bewijs mag dienen. Ook het opvragen van de bankafschriften is volgens belanghebbende onmiskenbaar een gevolg geweest van deze onrechtmatige startinformatie en dient daarom te worden uitgesloten van bewijs. 4.2. Het hof constateert dat de inspecteur geen opheldering heeft kunnen geven over hoe, van wie en wanneer de melding dat er een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende liep hem heeft bereikt. Het bevreemdt het hof dat binnen de systemen van de Belastingdienst hier kennelijk geen vastlegging (meer) van is. Het hof ziet hierin aanleiding om veronderstellenderwijs belanghebbende in zijn standpunt te volgen dat de informatiedeling over het strafrechtelijk onderzoek op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Verder zal het hof aannemen dat deze onrechtmatigheid aan de inspecteur is toe te rekenen en dat belanghebbende, zoals door hem is gesteld, in zijn recht op privacy is geschaad. Ook zal het hof aannemen dat zowel de ontnemingsrapportage als de bankafschriften het directe gevolg zijn van de onrechtmatige informatiedeling. 4.3. Het hof ziet zich dus voor de vraag gesteld of de (veronderstelde) onrechtmatige informatiedeling die toerekenbaar is aan de inspecteur en waarbij belanghebbende in zijn recht op privacy is geschaad, ertoe leidt dat de ontnemingsrapportage en de bankafschriften als bewijs dienen te worden uitgesloten. 4.4. Het hof is van oordeel dat een onrechtmatigheid in het traject voorafgaand aan het artikel 55 AWR-verzoek en die ook toerekenbaar is aan de inspecteur in beginsel niet de rechtmatigheid van het artikel 55 AWR-verzoek aantast. In beginsel kan de inspecteur dan ook de ontnemingsrapportage als bewijs gebruiken. Dit kan anders zijn indien het onrechtmatige voortraject jegens de belastingplichtige heeft geleid tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Indien zo’n uitzonderlijke situatie aan de orde is, is het niet uitgesloten dat de rechter daaraan de slotsom verbindt dat de onrechtmatige informatiedeling voorafgaand aan het artikel 55 AWR-verzoek heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de informatie die is verkregen met het artikel 55 AWR-verzoek en die het directe gevolg is van het onrechtmatige voortraject als bewijs dient te worden uitgesloten. Een schending van het recht op privacy die is toe te rekenen aan de inspecteur kan echter niet tot zo’n uitzonderlijke situatie worden gerekend. Het hof is dan ook van oordeel dat de ontnemingsrapportage niet als bewijsmiddel dient te worden uitgesloten. Voor wat betreft de bankafschriften geldt dat de inspecteur deze niet ten grondslag heeft gelegd aan de bestreden (navorderings)aanslagen. De bankafschriften zijn dus niet als bewijsmiddel gebruikt. Het hof komt dan ook niet toe aan de vraag of deze als bewijsmiddel dienen te worden uitgesloten. Het hof overweegt ten overvloede dat indien de bankafschriften wel als bewijsmiddel zouden zijn gebruikt, deze om dezelfde reden als de ontnemingsrapportage niet uitgesloten dienen te worden van bewijs. 2. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 4.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt, omdat er stukken moeten zijn over de informatiedeling over het strafrechtelijk onderzoek jegens hem en interne vastleggingen daaromtrent. 4.6. Het hof verstaat dat belanghebbende dit standpunt heeft ingenomen in het kader van zijn standpunt dat de informatiedeling over het strafrechtelijk onderzoek jegens hem op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden en deze onrechtmatigheid is toe te rekenen aan de inspecteur. Doordat het hof veronderstellenderwijs belanghebbende heeft gevolgd in zijn standpunt (zie 4.2.), behoeft vraag 2 geen beantwoording meer. 3. Zijn de (navorderings)aanslagen terecht en tot juiste bedragen opgelegd? 4.7. De rechtbank heeft ten aanzien van deze vraag als volgt overwogen: “Beschikte de inspecteur over een grond tot navordering? 4.4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet beschikte over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR, zodat de inspecteur niet kon navorderen over de jaren 2014 en 2015. De inspecteur heeft dit betwist en daarnaast aangevoerd dat belanghebbende te kwader trouw is en daarom voor navordering geen nieuw feit vereist is. 4.4.1. De rechtbank overweegt dat belanghebbende te kwader trouw (als bedoeld in artikel 16 van de AWR) was ten aanzien van de feiten die tot navordering hebben geleid, zodat de inspecteur niet hoefde te beschikken over een nieuw feit. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende opzettelijk onjuiste inlichtingen in zijn aangiften heeft verstrekt en de inspecteur de juiste inlichtingen heeft onthouden. Belanghebbende heeft over 2014 een nihilaangifte IB/PVV ingediend en over 2015 niet tijdig een aangifte IB/PVV ingediend en vervolgens een nihilaangifte ingediend, terwijl aannemelijk is dat hij over die jaren aanzienlijke inkomsten heeft genoten (zie hierna). Gezien de illegale herkomst van de inkomsten is aannemelijk dat belanghebbende bewust deze inkomsten buiten het zicht van de inspecteur heeft gehouden, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten moeten worden aangegeven. Nu belanghebbende te kwader trouw was, beschikte de inspecteur over een grond tot navordering. Zijn de (navorderings)aanslagen terecht en tot juiste bedragen opgelegd? Omkering bewijslast 4.5. De inspecteur stelt dat belanghebbende voor alle jaren de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Als de vereiste aangifte niet is gedaan, dan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).2 4.6. Het staat vast dat belanghebbende over het jaar 2015 niet tijdig aangifte heeft gedaan. De aangifte IB/PVV van 15 december 2017 kan ook niet worden aangemerkt als de vereiste aangifte. De rechtbank acht aannemelijk dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 met dagtekening 29 december 2017 geen rekening meer kon houden met de gegevens vermeld in die aangifte. Uit de door de inspecteur overgelegde schermprint uit het systeem van de Belastingdienst volgt dat de aanslagoplegging op 7 december 2017 al was afgerond en nadien alleen de geautomatiseerde verwerking en verzending heeft plaatsgevonden. Niet aannemelijk is dat de inspecteur op 15 december 2017 daar nog wijzigingen in aan kon brengen. Dit betekent dat belanghebbende voor het jaar 2015 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. 4.6.1. Voor de jaren 2014 en 2016 heeft belanghebbende wel voor de aanslagoplegging een aangifte ingediend. De inspecteur stelt echter dat deze onjuist zijn gedaan en ten onrechte een inkomen van nihil is vermeld. Als aan een aangifte inhoudelijke gebreken kleven, dan kan dat tevens tot gevolg hebben dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Daarvoor moet aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast worden vastgesteld: 1. dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de belasting die volgens de aangifte verschuldigd is verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting; 2. dat het gaat om een aanzienlijk bedrag aan de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven; en 3. dat de belastingplichtige op het moment van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat door de gebreken een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.3 4.6.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aan de hand van het rapport van het strafrechtelijk onderzoek (door het hof aangeduid als de ontnemingsrapportage) aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren aanzienlijke inkomsten uit de handel in cocaïne heeft genoten. Op de inspecteur rustte niet de verplichting om zelf een (nader) onderzoek in te stellen, hij mocht gebruik maken van de feiten en omstandigheden vermeld in het strafrechtelijk onderzoek. Uit het rapport en de daarin opgenomen verklaringen van afnemers van cocaïne volgt dat belanghebbende in alle jaren actief is geweest in de drugshandel. Dat strafrechtelijk een transactie met belanghebbende is getroffen en een eerder onderzoek niet heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging, maakt niet dat de inspecteur in deze zaken niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. 4.6.3. Gelet op het aantal telefoontjes dat belanghebbende heeft gepleegd, gaat het om aanzienlijke aantallen verkopen waarmee een behoorlijk inkomen is genoten. Ook als een deel van die telefoontjes niet de verkoop van cocaïne betrof of kleinere hoeveelheden zouden zijn verkocht dan waar in het rapport vanuit is gegaan. Bovendien zijn ook geen andere inkomsten bekend waarmee belanghebbende in zijn levensonderhoud kon voorzien. De door belanghebbende afgelegde verklaringen daarover zijn niet onderbouwd en zijn geen reden om te twijfelen aan de door inspecteur bepleite belaste inkomsten uit de cocaïnehandel. 4.6.4. Belanghebbende heeft in de aangiften een inkomen van nihil vermeld. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een zodanig inkomen heeft genoten dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting absoluut en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de belasting die (tenminste) werkelijk verschuldigd is. De rechtbank acht verder aannemelijk – gelet op de hoogte van het inkomen dat is genoten en het aanzienlijke aantal transacties dat heeft plaatsgevonden – dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2014 en 2016 zich ervan bewust was dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Dat betekent dat belanghebbende ook voor 2014 en 2016 de vereiste aangifte niet heeft gedaan. 4.6.5. Aangezien belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, wordt de bewijslast voor 2014, 2015 en 2016 omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV als de (navorderings)aanslagen Zvw. Hoogte van de (navorderings)aanslagen 4.7. Bij omkering en verzwaring van de bewijslast moet de rechtbank beoordelen: 1. of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, 2. of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw onjuist zijn. 4.7.1. De inspecteur heeft het inkomen bepaald aan de hand van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.012.320, zoals dat is berekend door de politie over de onderzoeksperiode van 2 maart 2013 tot en met 20 september 2016. Daarbij heeft de inspecteur dit voordeel tijdsevenredig toegerekend aan de verschillende jaren. Aangezien aannemelijk is dat belanghebbende in elk van de jaren inkomsten uit cocaïnehandel heeft genoten en er geen aanwijzingen zijn dat deze in het ene jaar veel hoger zijn dan in andere jaren, acht de rechtbank de schatting redelijk. Specifiek voor het jaar 2015 overweegt de rechtbank dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 ermee rekening heeft gehouden dat bij de aanslag IB/PVV 2015 al € 19.000 aan inkomen was begrepen. 4.7.2. Belanghebbende heeft zijn stellingen dat in zijn levensonderhoud is voorzien door zijn familieleden en hij in 2015 voor langere duur in Marokko verbleef onvoldoende onderbouwd om daarmee overtuigend aan te tonen dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Ook heeft hij – in weerwil van de bevindingen opgenomen in het rapport van het strafrechtelijk onderzoek – niet overtuigend aangetoond dat hij zich in 2016 niet langer bezig heeft gehouden met de drugshandel.” Onder vermelding van de volgende voetnoten: “2. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR. 3.Vgl. onder andere Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.” 4.8. Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven. 4.9. In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de hoogte waarmee het belastbaar inkomen jaarlijks is bijgesteld te hoog is. De inspecteur had volgens belanghebbende niet alleen mogen afgaan op de ontnemingsrapportage, maar had zelfstandig (aanvullend) onderzoek moeten doen. 4.10. Het volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aannemelijk maken dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen. De inspecteur heeft zijn schattingen gebaseerd op de ontnemingsrapportage. Hierin is uitvoerig en gedetailleerd een berekening gemaakt van het netto-voordeel dat belanghebbende heeft genoten met de handel in cocaïne in de periode 2 maart 2013 tot en met 20 september 2016. De berekening is gebaseerd op verklaringen, telefoontaps, observaties, belhistorie, doorzoekingen en meldingen. De inspecteur heeft het netto wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.012.320 tijdsevenredig verdeeld en op basis hiervan de (navorderings)aanslagen opgelegd. In de berekening van het netto-wederrechtelijk verkregen voordeel is rekening gehouden met (veronderstelde) inkoopkosten van € 1.012.320 (zijnde 50% van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel), terwijl dergelijke kosten op grond van artikel 3.14, lid 1, letter e, Wet IB 2001, niet aftrekbaar zijn. Het hof is daarom van oordeel dat de schattingen van de inspecteur redelijk zijn. 4. Heeft de inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden, in het bijzonder de meerderheidsregel? 4.11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en beroept zich specifiek op de zogenoemde meerderheidsregel. Volgens hem zijn [broer] en [naam 4] gelijke gevallen en heeft de inspecteur aan hen geen aanslagen opgelegd of vragen gesteld. 4.12. De inspecteur weerspreekt dat sprake is van gelijke gevallen. Volgens hem stond belanghebbende als ‘dealer [naam 2] ’ hoger in de hiërarchie dan de door belanghebbende genoemde personen. De inspecteur verwijst hiervoor naar de ontnemingsrapportage en de omstandigheid dat daarin het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan belanghebbende is toegerekend. 4.13. Het hof is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt daarom. 5. Zijn de vergrijpboeten terecht en tot juiste bedragen opgelegd? 4.14. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e AWR voor de jaren 2014 en 2015 vergrijpboeten van in beginsel 50% opgelegd. Omdat de grondslag van de boeten tot stand is gekomen met omkering en verzwaring van de bewijslast, heeft de inspecteur de boeten gematigd met 20% (dus tot 40% van de boetegrondslag). 4.15. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren inkomsten verkregen met de handel in cocaïne. De inspecteur stelt dat het op geen enkele wijze vermelden van deze inkomsten in box 1 naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het verzwijgen van die inkomsten voor de inspecteur, dat het niet anders kan dan dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van de aangiften bewust van was dat hij een te lage aangifte deed en het gevolg dat bij het vaststellen van de aanslagen conform de aangifte te weinig belasting zou worden geheven bewust heeft aanvaard. Nu dat gevolg is ingetreden, staat naar zijn mening buiten redelijke twijfel vast dat het aan opzet dan wel voorwaardelijke opzet te wijten is dat te weinig belasting is geheven. 4.16. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee in zijn bewijslast is geslaagd overtuigend aan te tonen dat het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijzen dat de (primitieve) aanslagen IB/PVV over 2014 en 2015 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Verder is het hof van oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boeten in voldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast. De boeten van 40% van de boetegrondslag acht het hof daarom in beginsel passend en geboden zijn. De rechtbank heeft de boeten vanwege undue delay verder gematigd met 20% tot € 45.402 (2014) respectievelijk € 44.615 (2015) (zie 2.11). Het hof ziet geen aanleiding om de boeten verder te matigen. Tussenconclusie 4.17. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.18. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.19. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van H. Smits, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen. De griffier, De voorzitter, H. Smits C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Vergelijk HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.2. – 5.4. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483; HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486 en HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.