Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBNHO:2026:1171 Rechtbank Noord-Holland , 09-02-2026 / HAA 25/1285

Rechtbank Noord-Holland

Rechtbank Noord-Holland

Case Summary

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1285 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Zaandam, eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college, (gemachtigde: mr. Ph. H. Arnold). Totstandkoming van het besluit 1. De rechtbank stelt in het licht van de totstandkoming van het bestreden besluit van 14 januari 2025 het volgende vast. 1.1. Eiseres heeft over de schooljaren 2022 – 2023 en 2023- 2024 een beroep op vrijstelling van de leerplicht gedaan voor haar kind, [naam kind] . 1.2. Eiseres heeft op 8 maart 2022 een vrijstellingskennisgeving verstrekt aan het college (hierna: de kennisgeving). 1.3. Eiseres heeft verder op 24 juli 2022, afzonderlijk, een toelichting gegeven van haar bezwaren op de scholen die binnen een redelijke afstand liggen waar [naam kind] op geplaatst zou kunnen worden, als daartegen geen richtingsbezwaren zouden bestaan (hierna: de toelichting). 1.4. Eiseres heeft, op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG), op 5 april 2024 een verzoek gedaan om de toelichting uit de systemen te verwijderen. 1.5. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen. 1.6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. 1.7. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.8. Eiseres heeft op 24 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.9. Het college heeft op 14 augustus 2025 gereageerd met een verweerschrift. 1.10. Eiseres heeft vervolgens op 9 december 2025 aanvullende gronden ingediend. 1.11. De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en de gemachtigde van het college. Toepasselijke wettelijke bepalingen 2. In het licht van de beoordeling zijn de volgende bepalingen in het bijzonder van belang. Artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969: Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (…) Artikel 3, eerste lid,van de Leerplichtwet 1969 De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven (…). Artikel 5 Leerplichtwet 1969 De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school (…) zolang; b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning (…) overwegende bedenkingen hebben (…) Artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan het college van burgemeester en wethouders (…) hebben kennis gegeven van: (…) b. op welke grond zij een beroep op vrijstelling menen te mogen maken. Artikel 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning (…) , overwegende bedenkingen bestaan. Artikel 16 Leerplichtwet 1969 1. Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders wijst daartoe een of meer ambtenaren aan. (…) 4. Het college van burgemeester en wethouders stelt een instructie vast voor deze ambtenaren (…) 5. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, zijn belast met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 22, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 Indien blijkt, dat een leerplichtige (…) niet als leerling (…) staat ingeschreven, zonder dat een grond voor vrijstelling aanwezig is (…), stelt de ambtenaar vanwege het college van burgemeester en wethouders een onderzoek in. Hij hoort de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen en tracht hen ertoe te bewegen hun verplichtingen na te komen. Artikel 1, aanhef en onder c, 1, van de Leerplichtregeling 1995 Deze regeling verstaat onder: leerling: leerplichtige jongere, Artikel 8 Leerplichtregeling 1995 1. De kennisgeving van beroep op vrijstelling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, geschiedt overeenkomstig het aan deze regeling gehechte model LE 0/1995. (…) 5. Burgemeester en wethouders kunnen voor de in dit artikel bedoelde kennisgevingen en mededelingen andere modellen of formulieren vaststellen, mits deze ten minste dezelfde gegevens bevatten Artikel 12, tweede lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers Het college van burgemeester en wethouders levert Onze Minister de vrijstellingsgegevens. Artikel 13 Wet register onderwijsdeelnemers Onze Minister neemt het persoonsgebonden nummer en de andere gegevens die zijn geleverd op grond van artikel 12 op in het register onderwijsdeelnemers (…). Artikel 3 Archiefwet De overheidsorganen zijn verplicht de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Artikel 6, eerste 1, van de AVG De verwerking is alleen rechtmatig indien (…): c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. (…) d) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Artikel 17 AVG 1. De betrokkene heeft het recht (…) wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen (…) wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: (…) b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking (…), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking; (…) d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; (…) 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: (…) b) voor het nakomen van een (…) wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust (…). Beoordeling Leerling 3. Alvorens in te gaan op de vraag of het verzoek van eiseres gehonoreerd kan worden, is er bij eiseres blijkbaar onduidelijkheid over de vraag of haar zoon wel als leerling kan worden aangemerkt in de zin van de Leerplichtwet 1969. Daartoe het volgende. Gelet op het bepaalde in de artikelen 2 en 3 Leerplichtwet 1969, in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, van de Leerplichtregeling 1995, is de zoon van eiseres een leerplichtige jongere en daarmee leerling. Eiseres is vervolgens gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 verantwoordelijk dat haar zoon als leerplichtige jongere staat ingeschreven als leerling. De Leerplichtwet 1969 is dus van toepassing op eiseres en haar zoon, waarbij binnen de wet de mogelijkheid bestaat om zich te beroepen op de wettelijke vrijstelling. De toelichting 4. Eiseres voert aan dat artikel 8 Leerplichtwet 1969 alleen vraagt om een kennisgeving waarin de verklaring is opgenomen dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs. De wet vereist geen afzonderlijke scholenlijst. Nu zij nooit om deze gegevens gevraagd mocht worden dient de toelichting uit de systemen te worden verwijderd. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1. De kennisgeving dient, krachtens het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, te vermelden op welke grond men meent een beroep op vrijstelling te kunnen doen. Artikel 8, eerste lid, van de Leerplichtwet, schrijft dwingend voor dat degene die een beroep wenst te doen op de vrijstellingsgrond, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, een ‘eigen verklaring’ moet toevoegen. In die ‘eigen verklaring’ moet tot uitdrukking worden gebracht dat degene die de kennisgeving doet overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van diens woning gelegen scholen of instellingen waarop de jongere ten behoeve van wie de vrijstelling wordt geclaimd geplaatst zou kunnen worden. Het college heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij naast het formulier ook de toelichting (naar de rechtbank begrijpt als ‘eigen verklaring’) gebruikt, waarbij voor iedere op deze lijst genoemde school de ouder moet verklaren daartegen overwegende bedenkingen te hebben. 4.2. De rechtbank stelt voorop wordt dat de vrijstelling rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, indien de kennisgeving voldoet aan de in artikel 6 van de wet opgenomen vormvoorschriften en de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet. Hierin ligt tevens besloten dat het niet aan burgemeester en wethouders is om de kennisgeving en de verklaring op enigerlei wijze te toetsen. Dit heeft ook te gelden ten aanzien van de in artikel 6, tweede lid, en artikel 8, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 aan de geldigheid van de kennisgeving en de verklaring gestelde vereisten. 4.3. Bovenstaande staat er niet aan in de weg dat de met het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 belaste leerplichtambtenaar, op grond van het bepaalde in artikel 16 en artikel 22 van de Leerplichtwet 1969, bevoegd is om een (strafvorderlijk) onderzoek in te stellen, indien blijkt dat een leerplichtige jongere niet als leerling is ingeschreven, zonder dat een grond voor vrijstelling aanwezig is. Of wordt voldaan aan de door de Leerplichtwet gestelde voorwaarden, kan evenwel uitsluitend worden beoordeeld in het kader van een strafrechtelijke procedure wegens overtreding van het bepaalde in de Leerplichtwet. De leerplichtambtenaar en de rechter dienen wel de mogelijkheid te hebben om te onderzoeken of het bezwaar de richting van het onderwijs betreft en dat is slecht mogelijk indien een ‘eigen verklaring’, in deze zaak in de vorm van de scholenlijst, wordt toegevoegd aan de kennisgeving. 4.4. Concluderend volgt de rechtbank het standpunt van eiseres niet. Dat betekent dat de beroepsgrond faalt. Verwerking van de persoonsgegevens Noodzakelijkheid 5. Volgens eiseres is er geen noodzaak tot verwerking van de scholenlijst. Het college kan daarom geen beroep doen op wettelijke verplichting tot verwerking als bedoeld in de AVG. De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende. 5.1. Ten eerste is in artikel 12, tweede lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers bepaald dat het college aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de vrijstellingsgegevens dient aan te leveren. De minister neemt de gegevens op in het register onderwijsdeelnemers. 5.2. Tevens is gelet op het bepaalde in artikel 3 Archiefwet 1995 overheidsorganen verplicht om de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Op grond hiervan is het college dus verplicht om archiefbescheiden, in dit geval de scholenlijst, met inachtneming van de geldende bewaartermijn te bewaren. Archivering op grond van de Archiefwet is onder deze omstandigheden niet in strijd met de AVG. 5.3. Tot slot is - zoals hierboven reeds besproken - het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 opgedragen aan door het college aangewezen leerplichtambtenaren. De leerplichtambtenaar moet kunnen onderzoeken of voldaan is aan de voorwaarden van vrijstelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969. Ook daarom is de verwerking van de toelichting en de daarin opgenomen gegevens noodzakelijk. Evenredigheid 5.4. In het geval de verwerking van persoonsgegevens in deze zin noodzakelijk is, dient vervolgens te worden beoordeeld of de inbreuk op het privéleven van eiseres evenredig is met de belangen die zijn gediend met de verwerking van de persoonsgegevens. In het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dient te worden beoordeeld of de inbreuk op het privéleven van eiseres is beperkt tot wat voor het behalen van het doel strikt noodzakelijk is. Met name moet worden beoordeeld of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken personen minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. De rechtbank overweegt als volgt. 5.5. Het doel van de registratie, namelijk het door de leerplichtambtenaar en de rechter kunnen beoordelen of aan de door de Leerplichtwet 1969 gestelde voorwaarden is voldaan, mede gezien in het licht van het sociale grondrecht op onderwijs (leerplicht), maakt dat dit doel niet op een andere, voor eiseres haar zoon minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. De rechtbank wijst in dat kader ook naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Niet valt in te zien hoe het doel op een minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. Proportioneel en evenwichtig 5.6. De rechtbank is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat het belang van (de zoon van) eiseres niet zwaarder weegt dan het belang van het registreren van zijn gegevens. Het bewaren van de gegevens is, in het licht van vorengaande overwegingen, proportioneel en evenwichtig. Conclusie en gevolgen 6. Het voorgaande betekent dat eiseres geen recht heeft op het wissen van de persoonsgegevens. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vgl. ABRvS van 15 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1825. Vgl. ABRvS van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2684.