Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBGEL:2025:11769 Rechtbank Gelderland , 12-12-2025 / 457727

Rechtbank Gelderland

Rechtbank Gelderland

Case Summary

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/457727 / KZ ZA 25-163 Vonnis in kort geding van 12 december 2025 in de zaak van de besloten vennootschap B.V. BONDIS , statutair gevestigd te Uitgeest, kantoorhoudende te Heemskerk, eisende partij, hierna te noemen: Bondis, advocaten: mr. R.C. de Mol en K.F. Liew, tegen 1 de naamloze vennootschap POSTNL N.V., 2. de besloten vennootschap KONINKLIJKE POSTNL B.V., beiden statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: PostNL, advocaten: mr. R.G.J. de Haan, mr. M. Keuper en mr. M. Zaatout. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding inclusief 15 producties - de mondelinge behandeling van 17 november 2025 - de pleitnota van Bondis - de pleitnota van PostNL c.s. 2 De feiten 2.1. Bij de beoordeling van dit kort geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 2.2. Bondis verzorgt onder de handelsnaam Abonnementenland ondersteunende diensten voor uitgevers van tijdschriften, waaronder onder meer de verzending daarvan. Samen met haar zustervennootschap geeft Bondis zelf ook tijdschriften uit. 2.3. Bondis heeft in het verleden voor de verzending van de tijdschriften samengewerkt met postbedrijf Sandd B.V. (hierna: Sandd). In oktober 2019 heeft PostNL de aandelen van Sandd overgenomen en vanaf 1 februari 2020 is het postnetwerk van Sandd opgehouden te bestaan. Vanaf dat moment werd de dienstverlening van Sandd operationeel uitgevoerd door PostNL. 2.4. In het voorjaar van 2020 is een geschil ontstaan tussen Bondis, Sandd en PostNL over de nakoming van de overeenkomst tussen Bondis en Sandd door PostNL. Dat geschil zag met name op de tariefverhogingen die PostNL wilde doorvoeren. Bondis had bij Sandd een zogenaamd blauw contract met blauwe tarieven, naar de kleur van het logo van Sand. Die tarieven waren en zijn veel lager dan de standaard “oranje” tarieven van PostNL. Naar aanleiding van dit geschil is Bondis een kort geding procedure gestart tegen Sandd en PostNL. Dit heeft geleid tot een schikking die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 29 mei 2020 (hierna: de vso). 2.5. In de vso zijn Bondis en PostNL onder meer het volgende overeengekomen: “Bezorging Huidige Periodieken tegen Sandd Periodiekentarief 1.1. Sandd zal uitsluitend de titels op de lijst die is opgenomen als Bijlage 1 (de Huidige Periodieken ) voor de resterende contractduur van de NOVK Periodieken (die van rechtswege afloopt op 31 december 2025) blijven bezorgen voor het tarief dat is overeengekomen in de NOW Periodieken (met inachtneming van de jaarlijkse indexatie daarvan) (het Sandd Periodiekentarief ). (…) Bezorging Nieuwe Periodieken door Post NL 1.5. Voor de bezorging van periodieken, (volgens de PostNL definitie) niet zijnde de Huidige Periodieken ( Nieuwe Periodieken ), zal PostNL op verzoek van Abonnementenland een offerte uitbrengen conform standaard PostNL beleid, waarbij de geoffreerde tarieven in lijn zullen zijn met de 104 voorbeeldtarieven die PostNL per e-mail op 30 maart 2020 aan Abonnementenland heeft verstrekt. Definitieve tarieven zullen ten opzichte van overige door PostNL tegen het dan geldende PostNL beleid in de markt aangeboden tarieven non-discriminatoir zijn, en zullen op basis van een concrete aanvraag worden verstrekt en hangen onder andere of van contractduur, frequentie, aangeboden aantallen en gewicht.” 2.6. Deze bepalingen houden – kort gezegd – in dat ten aanzien van Bondis het Sandd- contract wordt uitgediend en de (665) huidige periodieken (lees: tijdschriften) tot 31 december 2025 onder het lage blauwe tarief kunnen worden verstuurd. Voor de andere (nieuwe) periodieken zou PostNL een offerte uitbrengen zoals beschreven in artikel 1.5. 2.7. Na de overname zijn PostNL en Sandd ook in overleg getreden met andere partijen die nog een Sandd-contract hadden met de bijbehorende lage tarieven. Naar aanleiding daarvan hebben sommige klanten hun contract door Sandd laten afkopen en andere klanten hebben een ingroeiregeling gekregen waarmee ze stapsgewijs konden groeien van de Sandd-tarieven naar de PostNL tarieven. 2.8. Voorafgaand aan de vso heeft Bondis aan PostNL gevraagd of zij na afloop van de vso ook een ingroeiregeling aangeboden zou krijgen. Daarop heeft de CEO van PostNL en Sandd, [naam 1] , Bondis in een mail van 20 augustus 2020 als volgt gereageerd: “Graag kom ik ook inhoudelijk terug op veel van de mailwisseling van de laatste weken. Hierbij is een aantal zaken van belang om te weten: 1. Er zijn nog steeds meerdere aanbieders van postdiensten actief in Nederland, (deels) via een eigen netwerk en deels op basis van bestaande contracten door dit volume bij PostNL aan te bieden. 2. De genoemde contracten kunnen oranje contacten zijn (een contract met PostNL) of blauwe contracten (een contract met Sandd). 3. Bij de ontmanteling van Sandd is getracht zoveel mogelijk blauwe contracten om te zetten naar oranje contracten dan wel wordt het blauwe contract uitgediend. 4. Ook zijn er casus waarbij het blauwe contract is opgezegd. 5. Voor PostNL is in ieder geval een correcte migratie belangrijk. Bij klanten waar het blauwe contract afloopt of anderszins, proberen wij op een correcte en non-discriminatoire wijze aan alle klanten in gelijke omstandigheden een zelfde ingroei te bieden, etc. Voor onze relatie met Abonnementenland: 1. Zoals gesteld, proberen wij zorgvuldig om te gaan met alle contractuele verplichtingen die er liggen. Zo respecteren wij het blauwe contract voor de bestaande titels waarin voor jullie zelfs de ruimte zit om – in een markt die dubbeldigit daalt (!) - in 2020 ca. 100% groei te realiseren. Kortom; wij acteren uiterst zorgvuldig en verhalen dat wij jullie geen ruimte geven voor groei zijn hiermee ver bezijden de waarheid. 2. Jullie hebben een oranje contract gekregen voor al het nieuwe volume dat jullie willen acquireren. Dit is gewoon een marktconform contract. Dat er partijen zijn die nog op bestaande blauwe afspraken en of combinatie van eigen bezorgnetwerken schijnbaar scherper kunnen offreren is een situatie waar ik niets aan kan en wil veranderen. Zoals ook hierboven onder 1 uitgelegd, proberen wij alle partijen correct en gelijk te behandelen, net zoals wij dat bij jullie hebben gedaan. 3. De laatste discussie van afgelopen week: als wij aan een partij (uitgever bijvoorbeeld) nu met een aflopend blauw contract een nieuw oranje tarief geven, geven wij hierbij een tarief dat is gebaseerd op ingroei. Ook hier proberen wij dat zeer zorgvuldig te doen. [naam 2] heeft jou afgelopen week aangegeven (uitgaande dat het een uitgave is die nu uit een blauw contract komt, sprake is van hetzelfde profiel – zoals looptijd, gewicht etc. -) jullie toegang kunnen krijgen tot datzelfde oranje inzake tarief. Daarvoor is het noodzakelijk dat wij de titel kennen. Voor de volledigheid; de salesfee geldt niet op inzake tarieven.” 2.9. Bondis en PostNL hebben ver voor de afloop van de vso meermaals met elkaar gecorrespondeerd over de overgang naar een PostNL contract en een daarbij behorende ingroeiregeling. PostNL heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat Bondis fungeert als intermediair en daarom conform standaard PostNL-beleid geen aanspraak kan maken op ingroeitarieven en PostNL op dit moment in het geheel geen ingroeiregelingen meer aanbiedt. 2.10. Op 9 september 2025 heeft Bondis aan PostNL verzocht om op grond van artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nieuw (hierna Rv) binnen zeven dagen inzage te geven in: Alle bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid over de tarieven voor de leveringen van periodieken; en Alle bescheiden in de ruimste zin des woords over de tarieven die PostNL in 2024 en 2025 heeft aangeboden (inclusief de aanbiedingen zelf) voor de leveringen van periodieken aan derde partijen. 2.11. PostNL heeft het inzageverzoek afgewezen. 3 Het geschil 3.1. Bondis vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 3.1.1. PostNL te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis aan Bondis inzage of afschrift of uittreksel van kopieën van de volgende bescheiden te verstrekken: alle bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid over het aanbieden van (non-discriminatoire) tarieven en een ingroeiregeling aan partijen met een aflopend Sandd-contract voor de leveringen van periodieken; en alle bescheiden in de ruimste zin des woords over de tarieven, ingroeiregelingen, mogelijkheid tot ‘stapelen’ (volumekortingen), kickback fees en overige kortingen die PostNL in 2024 en 2025 heeft aangeboden (inclusief de aanbiedingen zelf) aan derde marktpartijen voor de leveringen van periodieken; dit steeds onder overlegging van een door een onafhankelijk registeraccountant opgestelde verklaring waaruit volgt dat deze de volledigheid en correctheid van het door PostNL gepresenteerde positief heeft geverifieerd; 3.2. te bepalen dat voor zover PostNL niet aan gevorderde onder 3.1.1. voldoet zij hoofdelijk een dwangsom verbeurt van € 100.000,- te vermeerderen met € 25.000,- voor iedere dag dat de niet-nakoming langer voortduurt met een maximum van € 5.000.000,- althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag; 3.3. PostNL hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Bondis legt – kort weergegeven – aan de vorderingen het volgende ten grondslag: PostNL heeft ten onrechte het verzoek tot inzage geweigerd. Uitgangspunt van artikel 196 Rv is dat een inzageverzoek wordt toegewezen tenzij sprake is van een afwijzingsgrond. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook heeft Bondis een spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat de eerder gemaakte afspraken op 31 december a.s. verlopen. Als Bondis voor 1 januari 2026 geen tarieven kan contracteren met een ingroeiregeling worden zij en de uitgeverijen achter de 665 verschillende tijdschriften geconfronteerd met tariefverhogingen tussen de 160 en 350%. Ook moet Bondis zo snel mogelijk zekerheid verkrijgen over de kosten die zij moet gaan maken voor de verzending van tijdschriften en heeft Bondis belang bij zekerheid over de vraag of PostNL zich aan de gemaakte afspraken houdt. 3.5. PostNL voert verweer. PostNL N.V concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Bondis, met veroordeling van Bondis in de kosten van deze procedure. 3.6. PostNL voert – kort weergegeven – het volgende aan: Bondis heeft geen spoedeisend belang bij haar vorderingen, aangezien zij er al jaren van op de hoogte is dat zij na afloop van dit jaar geen recht heeft op een ingroeiregeling. Bondis heeft jaren stilgezeten en heeft de huidige haast zelf gecreëerd. Verder voldoet het inzageverzoek van Bondis niet aan de vereisten van artikel 196 Rv. Bondis heeft onvoldoende belang bij de verzochte inzage en de vorderingen zijn onvoldoende bepaald. Ook zien de gevraagde vorderingen op vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie met name daar waar het gaat om concurrenten van Bondis. Bij een eventuele belangenafweging weegt het belang van PostNL bij het handhaven van een gelijk speelveld richting andere klanten, het beschermen van bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie, het voorkomen van een ontoelaatbare fishing expedition en het vermijden van onevenredige administratieve en operationele lasten die met de brede en onbepaalde exhibitievordering gepaard gaan, zwaarder. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of Bondis ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Spoedeisend belang 4.2. Nu de afspraken over de tarieven zoals vastgelegd in art. 1.1. van de vso aan het eind van dit jaar aflopen en Bondis over de verzochte informatie wil beschikken in het kader van het maken van nieuwe tariefafspraken met PostNL vanaf 1 januari 2026, heeft Bondis een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen. Toetsingskader inzageverzoek. 4.3. Als een wederpartij of een derde niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv in spoedeisende gevallen het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan de voorzieningenrechter worden gedaan. In dat geval gelden de criteria van artikel 196 lid 2 Rv. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. Tevens moet ter zake een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens op grond van de artikelen 204 Rv in verbinding met 194, 195 en 195a Rv sprake zijn van een rechtsbetrekking waarop de gevorderde gegevens zien. 4.4. Het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen staat hier vast. Ook heeft PostNL niet gesteld dat het verzoek om inzage in strijd is met de goede procesorde of dat Bondis misbruik van bevoegdheid maakt. In geschil is of Bondis een voldoende belang heeft bij de door haar gevorderde inzage, of de door Bondis verzochte informatie voldoende bepaald is en of er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. Heeft Bondis een voldoende belang bij de door haar verzochte informatie? 4.5. PostNL stelt dat Bondis onvoldoende belang heeft bij haar vorderingen. Bondis stelt dat zij aanspraak maakt op een ingroeiregeling en dat dit volgt uit artikel 1.5 van de vso en de toezegging van [naam 1] in zijn e-mail van 20 augustus 2020. PostNL is van mening dat deze stelling niet juist is en dat voor het vaststellen ervan de door Bondis gevorderde bescheiden niet nodig zijn, hetgeen Bondis zelf ook bevestigt. Ten onrechte stelt Bondis dat ‘is gebleken dat PostNL niet kan worden geloofd op haar woord dat zij non-discriminatoir handelt tegenover Bondis’ en ook dat ‘Bondis heeft geconstateerd dat PostNL – in strijd met de gemaakte afspraken en toezeggingen – aan derde marktpartijen gunstigere tarieven biedt (met onder andere een ingroeiregeling)’. Daarnaast zou een vordering ten aanzien van een ingroeiregeling ook geen kans van slagen hebben. Uit rechtspraak volgt dat een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting in dat geval ook moet worden afgewezen wegens onvoldoende belang. Bondis heeft ook geen aanspraak op ingroeitarieven want in de vso zijn partijen niets overeengekomen op basis waarvan Bondis recht zou hebben op een ingroeiregeling. Het feit dat Bondis geen ingroeiregeling aangeboden krijgt is juist non-discriminatoir en in lijn met standaard PostNL beleid, aldus PostNL. Dit verweer slaagt niet. 4.6. De vraag of een mogelijke vordering van Bondis ten aanzien van het aanspraak maken op een ingroeiregeling toewijsbaar zal zijn ligt in een verzoek om voorlopige bewijsverrichting niet voor. Op dit moment kan niet worden gesteld dat vaststaat dat een vordering van Bondis met betrekking tot ingroeitarieven of een mogelijke tekortkoming van PostNL geen kans van slagen heeft. Het belang van het in een vroegtijdig stadium ophelderen van de feiten, het bepalen van de eigen rechtspositie en het vastleggen van bewijsmateriaal brengt mee dat de rechter een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen of een combinatie daarvan in beginsel toewijst. Een vordering tot inzage kan worden gedaan met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met voorgenomen onderhandelingen of met het oog op het voeren van de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure. De gevraagde stukken hoeven niet van doorslaggevend belang te zijn, maar ze moeten wel relevant zijn voor de rechtspositie van de verzoeker. In dit geval heeft Bondis uitgebreid onderbouwd op grond waarvan zij vermoedt dat PostNL haar contractuele verplichtingen niet nakomt. PostNL heeft zich in het kader van die discussie tussen partijen herhaaldelijk beroepen op haar beleid. Om een mogelijke tekortkoming van PostNL te kunnen onderbouwen en om te kunnen controleren of PostNL jegens Bondis non-discriminatoir handelt heeft Bondis er belang bij om inzage te krijgen in het beleid waarop PostNL zich beroept en om inzage te krijgen in tarieven die worden aangeboden. Is het verzoek van Bondis voldoende bepaald? 4.7. PostNL stelt dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de omvang van de stukken niet voldoende bepaald is. PostNL heeft toegelicht waarom de door Bondis in de dagvaarding genoemde partijen niet vergelijkbaar zijn. Voor zover Bondis wil grasduinen in tarieven die PostNL aan andere partijen in rekening brengt voor de bezorging van periodieken dient het inzageverzoek te worden aangemerkt als een ‘fishing expedition’. Dit verweer slaagt deels. 4.8. De vordering van Bondis tot inzage moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden die voldoende concreet kunnen worden omschreven. Het begrip bescheiden moet daarbij ruim worden opgevat. Bondis moet bij de inzage van de stukken een rechtmatig belang hebben. Voor zover Bondis verzoekt om bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid bij het aanbieden van (non-discriminatoire) tarieven en een ingroeiregeling aan partijen met een aflopend Sandd-contract voor de leveringen van periodieken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vordering voldoende bepaald is. Bondis heeft een rechtmatig belang bij inzage in dat beleid en het kunnen controleren of PostNL ten aanzien van haar in lijn met dat beleid handelt. Daarbij is de vordering bovendien beperkt tot het beleid met betrekking tot het aanbieden van non-discriminatoire tarieven en tot partijen met een aflopend Sandd contract. 4.9. De vordering met betrekking tot alle bescheiden in de ruimste zin des woords over de tarieven, ingroeiregelingen, mogelijkheid tot ‘stapelen’ (volumekortingen), kickback fees en overige kortingen die PostNL in 2024 en 2025 heeft aangeboden voor de leveringen van periodieken aan derde marktpartijen, acht de voorzieningenrechter wel onvoldoende bepaald. Het onderliggende geschil tussen partijen heeft betrekking op tarieven en mogelijke ingroeiregelingen die aan klanten zijn aangeboden waarvan het blauwe (Sandd) contract afliep en die vervolgens zijn overgestapt naar een oranje (PostNL) contract. PostNL zal die informatie wel aan Bondis moeten overleggen, zodat de voorzieningenrechter de daartoe strekkende vordering zal toewijzen en de vordering met betrekking tot de derde marktpartijen zal afwijzen. Is sprake van andere gewichtige redenen op grond waarvan het inzageverzoek moet worden afgewezen? 4.10. PostNL stelt dat de gevraagde bescheiden onder andere zien op alle tarieven, inclusief de aanbiedingen zelf, die zijn aangeboden in 2024-2025 aan uiteenlopende ‘derde marktpartijen’. De vorderingen zien hierdoor op vertrouwelijke bedrijfsgevoelige informatie. Met name nu het gaat om bedrijfsgevoelige informatie over concurrerende ondernemingen van Bondis. Dit verweer slaagt niet. Voor zover het gaat om tarieven, inclusief aanbiedingen die zijn aangeboden aan uiteenlopende derde marktpartijen heeft de voorzieningenrechter hiervoor onder 4.9 al geoordeeld dat het verzoek ten aanzien van die informatie moet worden afgewezen. Toewijzing registeraccountant 4.11. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het inschakelen van een registeraccountant, reeds nu niet valt in te zien hoe een dergelijke deskundige zou kunnen controleren of de door PostNL ter beschikking gestelde bescheiden compleet zijn. De veroordeling maakt voldoende duidelijk dat PostNL inzicht dient te geven in alle voormalige Sandd-contracten die door haar zijn voortgezet na de overname van Sandd en welke regelingen met deze klanten destijds dan wel nadien zijn getroffen. Dwangsom 4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. Proceskosten 4.13. PostNL N.V is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bondis worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 125,10 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.124,10 4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.15. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt PostNL om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis aan Bondis inzage of afschrift of uittreksel van kopieën van de volgende bescheiden te verstrekken: alle bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid over het aanbieden van (non-discriminatoire) tarieven en een ingroeiregeling aan partijen met een aflopend Sandd-contract voor de leveringen van periodieken; 5.2. veroordeelt PostNL c.s. om aan Bondis een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, 5.3. veroordeelt PostNL c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.124,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als PostNL N.V niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt PostNL c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025. 1518