Skip to content
Case Law · Rechtbank Overijssel ·ECLI:NL:RBOVE:2026:3609 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

ECLI:NL:RBOVE:2026:3609 Rechtbank Overijssel , 25-06-2026 / ZWO 25/2071

Rechtbank Overijssel
Summary

Artikel 28 van de Wet politiegegevens. De korpschef is niet verplicht om de politiegegevens te vernietigen omdat de gegevens niet in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt en er niet voldaan hoeft te worden aan een wettelijke verplichting. Geen ruimte voor een belangenafweging. Ook geen schending van het vertrouwensbeginsel. Het beroep is ongegrond.

How it connects

3 of 5 paragraphs apply legislation or carry a topic — see them in the full text ↓

Full text 5 paragraphs

Paragraphs carrying a topic or an applied provision show those connections inline Original at the source →

Procesverloop

¶1

3. In februari 2023 heeft een incident plaatsgevonden op de school van [naam 1], naar aanleiding waarvan een melding is gedaan door de school aan de politie. Twee agenten hebben vervolgens een gesprek gevoerd met [naam 1], met [eiser] en er is een melding gedaan vanuit de politie bij Veilig Thuis. Van de melding van school, de gesprekken van de agenten en de melding bij Veilig Thuis zijn gegevens opgeslagen in een politiedossier. Die worden hierna aangeduid als ‘de gegevens’. 4. Bij brief van 16 mei 2025 heeft [eiser] de korpschef verzocht om vernietiging van de gegevens met betrekking tot zijn zoon [naam 1], zijn vrouw [naam 2] en zichzelf. 5. De korpschef heeft bij besluit van 16 juni 2025 (het bestreden besluit) het verzoek om vernietiging van de gegevens afgewezen. 6. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft op 10 april 2025 nog een aanvulling op zijn beroepsgronden ingediend. 7. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn zoon, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

¶2

Het standpunt van [eiser] 8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de korpschef ten onrechte heeft geweigerd om de politiegegevens te vernietigen. De gegevens moeten volgens hem vernietigd worden omdat deze onrechtmatig zijn verkregen, onjuiste verklaringen bevat en er bovendien geen belang meer is om deze stukken in het politiedossier te bewaren. De gegevens zijn daarmee in strijd met de wet verwerkt en moeten op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg worden vernietigd. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de gegevens moeten worden vernietigd om te voldoen aan een wettelijk voorschrift, namelijk artikel 4 van de Wpg. Tot slot voert [eiser] aan dat de korpschef met de weigering om de gegevens te vernietigen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel omdat in de klachtenprocedure is toegezegd dat er ‘een warme overdracht’ plaats zou vinden naar de juiste afdeling voor de beoordeling van het verzoek tot vernietiging en er daarmee het vertrouwen is gewekt dat de gegevens zouden worden vernietigd. De beoordeling 9. Artikel 28, tweede lid, van de Wpg noemt twee situaties waarin een verplichting bestaat voor de korpschef om gegevens uit een politiedossier te verwijderen. Het gaat daarbij dan om de situatie dat (1) de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of (2) om te voldoen aan een wettelijke verplichting. De korpschef heeft geen beslissingsruimte om een belangenafweging te maken bij de beoordeling. In het kader van de beoordeling van verwijderingsverzoeken is het verder relevant dat onderdeel is van de dagelijkse politietaak dat de politie op de hoogte is van incidenten die hebben plaatsgevonden en dat de informatiepositie van de politie wordt ondermijnd als gegevens verwijderd worden. Deze informatie heeft de politie namelijk nodig om haar taak goed uit te kunnen voeren. 10. De rechtbank oordeelt dat geen van de twee situaties uit artikel 28, tweede lid, van de Wpg zich in het geval van [eiser] voordoet. Zij overweegt hiertoe als volgt. Strijd met een wettelijk voorschrift 11. [eiser] heeft aangevoerd dat de gegevens onrechtmatig zijn verkregen omdat het gesprek op de school en de gegevensuitwisseling met de politie heeft plaatsgevonden zonder toestemming van de ouders van [naam 1]. De rechtbank gaat ervan uit dat deze toestemming inderdaad ontbreekt. Dit betekent echter niet dat de korpschef de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift heeft verwerkt. De Wpg kent namelijk geen toestemmingsvereiste. De politie mag gegevens verwerken over personen zonder dat deze personen daar expliciete toestemming voor hebben gegeven. Dat de school onzorgvuldig heeft gehandeld, zoals [eiser] aanvoert, ten opzichte van [naam 1] en het incident dat heeft plaatsgevonden, betekent dan ook niet dat de politie de verkregen informatie vervolgens onrechtmatig heeft verwerkt. Indien er verder feitelijk onjuiste gegevens in het politiedossier terechtkomen, kunnen betrokkenen daarvoor een rectificatieverzoek indienen. Daar wordt hierna nader op ingegaan. 12. De beroepsgrond slaagt niet. Voldoen aan een wettelijk voorschrift 13. [eiser] stelt subsidiair dat de gegevens moeten worden verwijderd om te voldoen aan een wettelijk voorschrift. Hij verwijst daarbij naar artikel 4 van de Wpg dat ziet op de juistheid en volledigheid van politiegegevens. De rechtbank overweegt echter dat uit dit artikel geen verplichting volgt om gegevens te vernietigen. Het artikel ziet er namelijk op dat politiegegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig moeten zijn en dat, indien deze gegevens niet meer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij worden verwerkt, vernietigd worden. De korpschef heeft echter voldoende onderbouwd dat de verwerking van de gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. 14. De beroepsgrond slaagt niet. Het vertrouwensbeginsel 15. De rechtbank oordeelt tot slot dat [eiser] geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Er is namelijk geen sprake van een concrete toezegging, gedaan door een bevoegd orgaan, waardoor er het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat de korpschef de politiegegevens zou vernietigen. En dat is wel vereist voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Uit de verklaring van de klachtenfunctionaris dat er een ‘warme overdracht’ zou plaatsvinden naar de bevoegde afdeling kan niet een toezegging worden afgeleid dat de gegevens zouden worden vernietigd. Daartoe is deze verklaring niet concreet genoeg. De klachtenfunctionaris is daarnaast onbevoegd om uitspraken te doen over vernietiging van politiegegevens omdat hij niet belast is met de beoordeling van dergelijke verzoeken. 16. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

¶3

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef terecht het verzoek om vernietiging van politiegegevens heeft afgewezen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

¶4

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

¶5

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Similar Content