ECLI:NL:RBDHA:2026:16959 Rechtbank Den Haag , 17-03-2026 / C/09/698812 / KG ZA 26-113
Rechtbank Den Haag
Case Summary
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/698812 / KG ZA 26-113 Vonnis in kort geding van 17 maart 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats], gemeente [gemeente], eiser, advocaat mr. F.L.P. Vulto te Den Haag, tegen: de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiën te Den Haag, gedaagde, in persoon verschenen. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op 13 februari 2026 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 16; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6; - de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Op 24 mei 2016 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) beslag gelegd op twee boten van het merk Baja, type 38 Special (hierna: de boten). Dit beslag vond plaats in verband met een vordering van de Ontvanger op [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap). [eiser] is bestuurder van de vennootschap. 2.2. Op 19 december 2018 heeft de Ontvanger een brief van [eiser] ontvangen waarin hij in beroep gaat tegen de beslaglegging op de boten. [eiser] stelt in het beroep dat de boten geen eigendom zijn van de vennootschap, maar dat deze tot zijn privévermogen behoren. De Ontvanger heeft naar aanleiding van het beroep nadere stukken opgevraagd bij [eiser], waarna op 25 februari 2019 een aantal stukken van [eiser] zijn ontvangen. 2.3. Na 25 februari 2019 is er door de Ontvanger geruime tijd geen vervolg gegeven aan de afhandeling van het beroep van [eiser]. Pas bij brief van 25 mei 2025 heeft [eiser] een reactie van de Ontvanger gekregen. In deze brief staat het volgende, voor zover nu relevant: “(…) Op 19 december 2018 heb ik uw brief ontvangen waarin u in beroep gaat tegen de beslaglegging op twee boten ten laste van [vennootschap] B.V. Dit beroep is gebaseerd op artikel 22 van de Invorderingswet 1990. In het beroepschrift voert u aan dat de betreffende boten geen eigendom zijn van de B.V., maar tot uw privévermogen behoren. Door omstandigheden is op het beroepschrift tot op heden geen beslissing genomen. De Ontvanger acht het wenselijk om alsnog inhoudelijk op het beroepschrift te beslissen. Hoewel het tijdsverloop tussen indiening van het beroepschrift en deze beschikking onwenselijk lang is, vormt dit geen belemmering om alsnog op zorgvuldige wijze een inhoudelijk besluit te nemen. Overwegingen en motivering Artikel 22 van de Invorderingswet 1990 biedt de belanghebbenden de mogelijkheid om op te komen tegen een beslagmaatregel als een zaak ten onrechte als verhaalsobject is aangemerkt. Aan de hand van de door u overlegde documenten en daarbij rekening houdend met het tijdsverloop, dient het beslag als onrechtmatig te worden aangemerkt. De Ontvanger komt hiermee tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Opheffing beslag Omdat de Ontvanger hiermee uw beroepschrift gegrond heeft verklaard, zal de inbeslagname van de twee boten ongedaan worden gemaakt. Het beslag op de twee boten wordt hiermee per direct opgeheven. Wij maken graag met u een afspraak voor het ophalen van de boten. (…). (…)” 2.4. Op 26 juni 2025 heeft de teruggave van de twee boten plaatsgevonden. Na de teruggave van de boten heeft [eiser] deze op enig moment verkocht . 2.5. In een brief van 8 juli 2025 laat de Ontvanger het volgende aan [eiser] weten: “(…) In uw brief van 18 juni 2025 waarin u resumerend verzocht om verdeling van de kosten van het vervoer van de vaartuigen deel ik u mede hiermee in te stemmen. Ik vraag u om de factuur te overleggen en tevens kenbaar te maken naar welk rekeningnummer de helft van de gedeelde kosten kunnen worden overgemaakt. (…)” 2.6. Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [eiser] de Ontvanger bericht dat hij de schade als gevolg van het beslag heeft geïnventariseerd en vastgesteld. Hij stelt – onder overlegging van een factuur van Delta Watersport – dat hij € 9.125,= (exclusief BTW) aan kosten heeft gemaakt voor transport, takelen en werkzaamheden door derden, staling en werkplaatstarief. In de e-mail staat dat van de transportkosten van € 2.000,= de helft voor rekening van [eiser] komt en dat daarmee ‘de eenvoudig te berekenen schade waarvan zonder beslag geen sprake zou zijn geweest’ inclusief BTW € 9.831,25 bedraagt. [eiser] stelt verder in de e-mail dat hij ook schade heeft geleden als gevolg van waardeverlies door de boten negen jaar onrechtmatig in beslag te houden. Volgens [eiser] bedraagt het totale waardeverlies € 106.760,=. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst [eiser] naar “de officiële waarderingsbron van [naam]”. Hij stelt voor in goed overleg tot een minnelijke regeling te komen. 2.7. Bij brief van 4 november 2025 stelt de Ontvanger dat hij een deel van de kosten zoals vermeld op de factuur van Delta Watersport wil betalen, maar niet de kosten die verband houden met het verkoopklaar maken van de boten (vermeld onder “werkplaatstarief”). In de brief staat verder het volgende: “(…) Voor de financiële afwikkeling van de directe kosten ontvangen wij graag het betalingsbewijs behorend bij de factuur van Delta Transport. Na ontvangst en beoordeling stellen wij de toewijsbare directe kosten vast en keren wij uit. Ons eerdere aanbod inzake de transportkosten nemen wij in de eindafrekening mee. Voor de door u gestelde waardevermindering tussen een veronderstelde marktwaarde in 2016 en de verkoopopbrengst in 2025 zien wij op dit moment geen grond voor vergoeding. Over een periode van negen jaar spelen reguliere veroudering en marktontwikkeling een zelfstandige rol. Zonder een objectieve waardebepaling per peildatum 2016 van de twee vaartuigen en een onderbouwing van het causaal verband kan deze gevolgschade niet aan het beslag worden toegerekend. Mocht u dit onderdeel toch willen voortzetten, dan kan uitsluitend worden gedacht aan een onafhankelijke registertaxateur (pleziervaartuigen) voor zo’n waardebepaling. Zonder die basis handhaven wij ons standpunt. (…)” In de brief staat verder dat de Ontvanger de wens deelt om het dossier tot een nette minnelijke oplossing te brengen. Hij nodigt [eiser] uit voor een eerste gesprek hierover. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden. 2.8. De Ontvanger heeft over het geschil met [eiser] contact gezocht met (de juristen van) het Ministerie van Financiën, waarna een medewerker van het Ministerie (hierna ook: de jurist van het Ministerie) de correspondentie met [eiser] over de afwikkeling van de schade door het beslag heeft voortgezet. 2.9. De jurist van het Ministerie heeft opdracht gegeven aan een taxateur (hierna: ‘de expert’) om de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop te begroten. De jurist van het Ministerie heeft via de advocaat van [eiser] een aantal foto’s ontvangen waarmee [eiser] zijn claim wilde onderbouwen. Deze foto’s zijn doorgeleid naar de expert. De expert heeft de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop begroot op € 31.250,= inclusief omzetbelasting. De jurist van het Ministerie heeft het rapport van de expert op 31 december 2025 aan de advocaat van [eiser] gezonden. 2.10. Per e-mail van 9 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] een conceptdagvaarding voor een kort geding aan de jurist van het Ministerie toegezonden. In de e-mail schrijft de advocaat dat het geduld van [eiser] op is, dat hij geen uitstel meer accepteert en wil dat er “juridisch wordt doorgepakt om een voorschot op de schadevergoeding af te dwingen”. In de e-mail staat verder het volgende: “(…) Daarbij wijs ik u op een specifiek punt: cliënt heeft mij de uitdrukkelijke opdracht gegeven om niet alleen de Staat, maar ook de betrokken ambtenaren (mevrouw (…) en de heer (…)) in privé in rechte te betrekken wegens onrechtmatig handelen en het bewust traineren van de afwikkeling. Hoewel ik mij als advocaat nog beraad op de proceseconomische wenselijkheid van deze specifieke stap in dit stadium, wilde ik u dit concept en de intentie van cliënt niet onthouden. Het tekent de frustratie en de ernst van de zaak. (…)” 2.11. Per e-mail van 12 januari 2026 heeft de jurist van het Ministerie aan de advocaat van [eiser] het volgende laten weten: “De Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding. Daarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn. (…)” 2.12. Per e-mail van 12 januari 2026 heeft [eiser] zelf gereageerd op voormelde e-mail aan zijn advocaat. In zijn e-mail – gericht aan zijn advocaat, de jurist van het Ministerie en de Ontvanger – staat, voor zover nu van belang, het volgende: “(…) Met het genoemde bedrag van € 35.741,25 als voorwaarde om van het kort geding af te zien, kan ik akkoord gaan. (…) Secundaire voorwaarde is wel dat dit bedrag uiterlijk einde van week 3 (16 januari 2026) zal zijn bijgeschreven op rekeningnummer (…). (…) Eveneens akkoord is dat het genoemde bedrag van € 35.741,25 tevens strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat (uiteindelijk) ten gronde zal blijken schuldig te zijn. De verdere voorwaarden die de heer (…) aan de bodemprocedure koppelt, zijn niet acceptabel. Vooral de eis dat een eventuele bodemprocedure uitsluitend zou mogen zien op vorderingen jegens de Staat – waarbij ik ervan uitga dat hiermee wordt beoogd de betrokken ambtenaren in privé te vrijwaren – ervaar ik als een principieel probleem. (…) Wel ben ik bereid om, uit proceseconomische overwegingen, in een eventuele bodemprocedure (vooralsnog) uitsluitend de Staat aan te spreken, maar uitsluitend indien dit niet inhoudt dat ik afstand doe van mijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld. (…)” 2.13. Per e-mail van 13 januari 2026, in reactie op de onder 2.12 genoemde e-mail, heeft de jurist van het Ministerie als volgt bericht aan de advocaat van [eiser]: “(…) De Staat is bereid het eerder geformuleerde schikkingsvoorstel in de door uw cliënt aangepaste vorm gestand te doen. Het voorstel komt daarmee te luiden als volgt: De Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding. Daarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich thans zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn. Het voorgaande houdt niet in dat uw cliënt afstand doet van zijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld. Graag ontvang ik, indien akkoord, hiervan een schriftelijke bevestiging van u. Na ontvangst daarvan zal ik zorg dragen voor uitbetaling van het overeengekomen bedrag. Ik merk daarbij op voorhand op dat het, gelet op mijn ervaringen, niet mogelijk is toe te zeggen dat dit bedrag vrijdag al zal worden uitgekeerd. Verder wijs ik er op dat standaard voorafgaand aan uitbetaling wordt bezien of er sprake is van betalingsachterstanden. Voor een kort geding zal echter nog een datum gevonden moeten worden en daarna zal twee weken moeten worden gewacht op een uitspraak, en geldt eenzelfde procedure rond uitbetaling. Het lijkt mij daarom niet zinvol die procedure om deze reden voort te zetten. (…)” 2.14. Per e-mail van 14 januari 2026, gericht aan zijn advocaat en in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, laat [eiser] het volgende weten in reactie op voormelde e-mail van 13 januari 2026 van het Ministerie: “(…) Ik kan mij vinden in het door de Staat aangeboden bedrag van € 35.741,25 als voorschot op de uiteindelijk door de Staat verschuldigde schadevergoeding, onder de reeds door mij geformuleerde voorwaarden ten aanzien van de bodemprocedure en – met name – het behoud van de mogelijkheid om individuele ambtenaren afzonderlijk aan te spreken. Met de door de heer (…) genoemde extra termijn van veertien dagen voor uitbetaling kan ik mij daarentegen niet verenigen. (…) Vanuit dat perspectief verzoek ik u de opgedwongen interval niet te zien als reden tot wachten, maar juist als gelegenheid om de kortgedingdagvaarding omgaand te (doen) uitbrengen de datum te laten bepalen. (…)” 2.15. Nadat de jurist van het Ministerie in reactie op voormelde e-mail van 14 januari 2026 aan de advocaat van [eiser] heeft laten weten dat geen uitbetalingstermijn van veertien dagen wordt genoemd en vraagt om alsnog een akkoord op zijn laatste voorstel, stuurt [eiser] eveneens op 14 januari 2026 een e-mail aan zijn advocaat, in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, met de volgende inhoud: “(…) Naar aanleiding van de recente correspondentie met de heer (…) constateer ik dat strikt taalkundig en inhoudelijk kan worden verdedigd dat hij zichzelf niet daadwerkelijk tegenspreekt over de “twee weken”. De frictie zit verleer in het afwijzen van mijn harde eis van betaling uiterlijk 16 januari tegenover zijn beschrijving van vermeend “realistische” betaal- en vonnistermijnen. Dat laat echter onverlet dat ik niet bereid ben twee weken af te wachten op ambtelijke contemplatie. Mijn instructie blijft dan ook ongewijzigd: laat de dagvaarding in kort geding gewoon uitbrengen. (…)” 2.16. Ook na 14 januari 2026 is er nog correspondentie geweest tussen partijen, maar dat heeft er niet toe geleid dat de Staat tot betaling van enig geldbedrag aan [eiser] is overgegaan. Op 3 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] de aanvraag voor dit kort geding ingediend. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven: primair: - de Staat te veroordelen aan [eiser] te betalen het bedrag van € 35.741,25, ter nakoming van de tussen partijen op 13 januari 20226 tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2026; subsidiair: - de Staat te veroordelen om aan [eiser] een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,= te betalen, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding; primair en subsidiair: - de Staat te bevelen om aan [eiser] schriftelijk de volledige naam, vestigingsplaats en (register)kwalificaties te verschaffen van de door de Staat opgevoerde deskundige, in de stukken aangeduid als ‘Expert NN’; alle vorderingen op straffe van een dwangsom en alles met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De Staat is gehouden deze overeenkomst na te komen en het daarin vastgestelde bedrag van € 35.741,25 onverwijld aan [eiser] te voldoen. Voor zover geoordeeld wordt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, vordert [eiser] subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De Staat heeft in de beschikking van 28 mei 2025 expliciet erkend dat het beslag onrechtmatig was. De onrechtmatige daad bestaat uit twee componenten, namelijk een inbreuk op het eigendomsrecht gedurende negen jaar en de schending van de zorgplicht. De Staat heeft gedurende de beslagperiode grovelijke nagelaten de zorg van een ‘goed bewaarder’ te betrachten. De boten zijn zonder adequaat onderhoud weggezet, waardoor ze ten prooi zijn gevallen aan verval, ongedierte en technische veroudering. De waardevernietiging die in negen jaar is opgetreden, komt voor risico van de onrechtmatig beslaglegger. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn primaire vordering vloeit volgens hem voort uit de aard van die vordering. Bovendien weegt de persoonlijke situatie van [eiser] zwaar. Hij is inmiddels 85 jaar en deze kwestie beheerst zijn leven bijna tien jaar. Van een man op deze leeftijd kan in redelijkheid niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten om te ontvangen wat de Staat al heeft toegezegd. Bovendien heeft [eiser] noodgedwongen uit privévermogen een bedrag van ongeveer € 19.000,= voorgeschoten aan derden om de boten veilig te stellen. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat een burger als bankier voor de overheid moet fungeren nadat diezelfde overheid zijn eigendom negen jaar lang onrechtmatig heeft gegijzeld en laten verpauperen. Ook de proceshouding van de Staat maakt onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. De Staat heeft de afwikkeling stelselmatig getraineerd, door eerst negen jaar lang niet te beslissen, door te schermen met anonieme experts en daarna terug te komen op een al gesloten akkoord. Alleen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan dit patroon van ambtelijk traineren doorbreken, aldus [eiser]. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil Primaire vordering: nakoming vaststellingsovereenkomst 4.1. [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat op 13 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en de Staat die moet worden nagekomen. [eiser] stelt daartoe dat de Staat op 12 januari 2026 een aanbod heeft gedaan en dat hij dat aanbod per e-mail van dezelfde dag heeft aanvaard , waarna de Staat de wilsovereenstemming per e-mail van 13 januari 2026 heeft bevestigd. 4.2. Uit de tussen partijen gewisselde correspondentie kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat – zoals [eiser] stelt – op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van de Staat van 12 januari 2026 is gedaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [eiser] zou afzien van een kort geding. Die voorwaarde is één van de essentialia van de te bereiken overeenstemming, zoals [eiser] ook erkent. In reactie op dit aanbod schrijft [eiser] weliswaar dat hij instemt met het door de Staat aangeboden bedrag als voorwaarde om af te zien van een kort geding, maar hij heeft niet ingestemd met de voorwaarde dat een eventuele bodemprocedure alleen gericht mocht worden tegen de Staat en hij heeft een extra eis gesteld ten aanzien van een (uiterst korte) betaaltermijn (namelijk betaling uiterlijk op 16 januari 2026). Uit de reactie van [eiser] blijkt niet dat hij ook bereid is af te zien van een kort geding als de Staat niet instemt met de aanvullende voorwaarden die hij stelt. Uit deze reactie van [eiser] kan dan ook niet worden afgeleid dat er sprake is van overeenstemming over alle essentialia van de overeenkomst. 4.3. Voor zover de reactie van [eiser] van 12 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw aanbod, dan geldt dat dit aanbod door de Staat niet is aanvaard. Dit blijkt uit de reactie van de Staat van 13 januari 2026. Daarin stelt de Staat dat hij bereid is het schikkingsvoorstel in de door [eiser] aangepaste vorm ten aanzien van zijn rechten jegens individuele ambtenaren gestand te doen, Er wordt in die e-mail uitdrukkelijk gevraagd om aanvaarding van dat aanbod, én er wordt uitdrukkelijk niet ingestemd met de voorwaarde van betaling op 16 januari 2026. De reacties van [eiser] van 14 januari 2026 daarop houden in dat hij niet instemt met de afwijzing van zijn “harde eis van betaling uiterlijk 16 januari” , inclusief een (herhaalde) instructie aan zijn advocaat om de dagvaarding in kort geding uit te brengen. Ook hieruit kan dus niet worden afgeleid dat op 12 of 13 januari 2026 overeenstemming is bereikt. Conclusie is dan ook dat de primaire vordering worden afgewezen. 4.4. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat er ook na 14 januari 2026 nog correspondentie is geweest tussen partijen, maar die heeft er niet toe geleid dat op een later moment alsnog overeenstemming over een vaststellingsovereenkomst is bereikt. Dat stelt [eiser] ook niet. 4.5. Overigens heeft de Staat terecht gesteld dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden, onder andere door de tweede e-mail die [eiser] op 14 januari 2026 heeft gestuurd – waaruit blijkt dat [eiser] niet afziet van een kort geding – niet over te leggen. De Staat verzoekt de voorzieningenrechter daaraan de gevolgtrekking te verbinden die zij geraden acht. De voorzieningenrechter zal aan de schending van de waarheidsplicht geen ander gevolg verbinden dan de constatering ervan. Voor een andere gevolgtrekking ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat zij – door overlegging van de e-mail door de Staat – alsnog kennis van die e-mail heeft kunnen nemen en de primaire vordering van [eiser] mede op grond van die e-mail wordt afgewezen. Subsidiaire vordering: voorschot op schadevergoeding 4.6. De Staat heeft (alleen) ten aanzien van de subsidiaire vordering (terecht) gesteld dat hij ten onrechte is gedagvaard. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet treedt immers de Ontvanger in alle rechtsgedingen die uit zijn taakuitoefening voortvloeien als zodanig in rechte op. Daarom had ten aanzien van de subsidiaire vordering niet de Staat, maar de Ontvanger moeten worden gedagvaard. De Staat heeft [eiser] hier in aanloop naar dit kort geding, voorafgaand aan betekening van de dagvaarding, ook op gewezen. 4.7. Het is te verwachten dat een nieuw kort geding tegen de Ontvanger zal volgen als [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dat heeft de Staat ook erkend. De voorzieningenrechter acht dat uit oogpunt van proceseconomie en doelmatige van inzet van gemeenschapsmiddelen onwenselijk en ziet daarin aanleiding (ten overvloede) een inhoudelijk oordeel te geven over de subsidiaire vordering. Hierbij speelt ook een rol dat de Ontvanger weliswaar niet gedagvaard is, maar ter zitting wel aanwezig was en ook het woord heeft gevoerd, terwijl de Staat als gevolg van de schikkingsonderhandelingen die zijn gevoerd ook ten volle is geïnformeerd over de voorgeschiedenis in deze zaak. 4.8. Ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is volgens vaste jurisprudentie terughoudendheid geboden. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als het bestaan van de vordering in zo’n mate aannemelijk is dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrecht de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden. 4.9. De voor toewijzing van de vordering in kort geding vereiste onverwijlde spoed ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Zoals de Staat terecht stelt, is niet gebleken van enige financiële nood aan de zijde van [eiser]. Dat [eiser] een bedrag aan derden heeft betaald, levert geen spoedeisend belang op, nu niet is gebleken dat [eiser] daarvoor de middelen niet had. Ook uit de uitlatingen van [eiser] ter zitting blijkt dat van enig spoedeisend belang geen sprake is. Hij heeft immers verklaard dat het hem niet om de centen gaat, dat hij zonder kan en dat hij er geen boterham minder om eet. Het spoedeisend belang is evenmin gelegen in de omstandigheid dat het beslag al in 2016 is gelegd en dat deze kwestie al lang speelt. Weliswaar heeft de Ontvanger ten onrechte lange tijd niet beslist op het beroep van [eiser] tegen de beslaglegging, maar daar staat tegenover dat [eiser] de kwestie ook heeft laten rusten tot er in 2025 is beslist. Dat zijn leven, zoals in de dagvaarding wordt gesteld, wordt beheerst door het beslag blijkt nergens uit. Tot slot speelt de leeftijd van [eiser] geen rol van doorslaggevende betekenis in een geschil van uitsluitend financiële aard. Primair en subsidiair: gegevens deskundige 4.10. In de pogingen om te komen tot overeenstemming over de afwikkeling van het beslag heeft de Staat zelf een expert ingeschakeld om een schadeberekening te maken. Deze expert wil niet dat zijn / haar naam bij [eiser] bekend wordt. [eiser] vordert nu dat deze gegevens wel aan hem worden verstrekt. Deze vordering is door [eiser] niet afzonderlijk onderbouwd of van een grondslag voorzien. Alleen al hierom komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Daar komt nog het volgende bij. De Staat heeft ervoor gekozen zelf een expert in te schakelen in de hoop dat er overeenstemming met [eiser] kon worden bereikt over de afwikkeling van door hem geleden schade. Dat doet geen afbreuk aan dat het uitgangspunt is dat het aan [eiser] is om de schade die hij stelt te hebben geleden te onderbouwen en het staat hem vrij om daartoe zelf een deskundige in te schakelen. Dat de Staat in het traject om te komen tot overeenstemming van zijn kant heeft besloten een expert in te schakelen leidt er niet toe dat hij – binnen het bestek van een kort geding – verplicht kan worden om de persoonsgegevens van de deskundige aan [eiser] te verstrekken. Afronding en proceskosten 4.11. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt wel nog het volgende op. Ter zitting is aan de orde gekomen dat de Ontvanger al in juli 2025 heeft toegezegd dat helft van de kosten van het vervoer van de boten te zullen betalen. De factuur daarvan heeft [eiser] op 13 oktober 2025 al aan de Ontvanger toegestuurd (onderdeel van de factuur van Delta Watersport). Desondanks was ten tijde van de mondelinge behandeling het bedrag van de helft van de kosten van vervoer van de boten nog niet aan [eiser] uitbetaald. De Ontvanger – ter zitting aanwezig in persoon van de heer C.W.H. ten Haaf – heeft toegezegd alsnog opdracht te geven tot betaling van de helft van de transportkosten, waarbij echter wel voorafgaand aan uitbetaling gecontroleerd zal worden of er op grond van artikel 24 Invorderingswet 1990 aanleiding is om het uit te betalen bedrag te verrekenen met enig bedrag dat [eiser] nog schuldig is. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat aan deze toezegging inmiddels uitvoering is gegeven. 4.12. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat de Staat in persoon is verschenen, heeft hij geen advocaatkosten gemaakt. De proceskosten van de Staat worden daarom begroot op € 3.083,= aan griffierecht. Deze kosten worden verhoogd met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig de proceskosten aan de Staat betaalt, een en ander zoals opgenomen in het dictum. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 3.083,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij de kosten van die betekening betalen. Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. idt In de e-mail van 13 oktober 2025 (zie onder 2.6) stelt [eiser] dat beide boten zijn verkocht voor in totaal € 65.000,=. Dit betreft de onder 2.11 geciteerde e-mail. Dit betreft de onder 2.12 geciteerde e-mail. Dit betreft de onder 2.13 geciteerde e-mail.