ECLI:NL:RBZWB:2026:5513 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-06-2026 / 24/4181
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/4181 Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Italië), belanghebbende (gemachtigde: mr. L.H.E. Møller), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Het verzoek 1. De hoofdzaak heeft betrekking op de vraag of de inspecteur terecht een informatiebeschikking aan belanghebbende heeft uitgereikt. 1.1. De inspecteur heeft op 4 oktober 2024 een verweerschrift in de hoofdzaak ingediend. In dit verweerschrift heeft de inspecteur zowel een verzoek om geheimhouding als een verzoek om beperkte kennisneming ingediend, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De inspecteur heeft vervolgens bij afzonderlijke brief met dagtekening 4 oktober 2024 de verzoeken gemotiveerd en twee gesloten enveloppen overgelegd met daarin de stukken die volgens de inspecteur geheel – dan wel deels – geheimgehouden moeten worden. 1.2. Het verzoek om beperkte kennisneming ziet op bijlagen 21, 33 en 34a bij het verweerschrift. 1.3. Voor wat betreft de redenen voor zijn verzoek om beperkte kennisneming heeft de inspecteur verwezen naar bijlage 21 van het verweerschrift. De redenen genoemd in bijlage 21 van het verweerschrift zijn – in de kern – als volgt te omschrijven: - Reden A: het belang van privacy van individuele ambtenaren; - Reden B: het belang van privacy van derden; - Reden C: het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3); - Reden D: persoonlijke opvattingen/vrije meningsvorming. 1.4. In de geschoonde stukken die ten behoeve van het verzoek om beperkte kennisneming aan de geheimhoudingskamer zijn overgelegd, is steeds per zwartgelakte passage aangegeven om welke reden als genoemd in 1.3 de desbetreffende passage is zwartgelakt. 1.5. Het verzoek om volledige geheimhouding ziet op bijlage 35 van het verweerschrift en bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De inspecteur geeft als redenen voor het verzoek om geheimhouding enerzijds het belang van de Belastingdienst bij effectieve controle en controlestrategie en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtige en anderzijds de bescherming van de gegevens van derden. Deze redenen komen overeen met de in 1.3 vermelde redenen B en C. De inspecteur heeft geen geschoonde versie van bijlage 35 overgelegd omdat hij zich met betrekking tot het gehele document beroept op geheimhouding. 1.6. De rechtbank heeft de brief met het verzoek om beperkte kennisneming/geheimhouding met als dagtekening 4 oktober 2024 aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt. De geschoonde stukken die zien op het verzoek om beperkte kennisneming (zie 1.3), zijn als bijlagen bij het verweerschrift aan gemachtigde verstrekt. In de versie die aan belanghebbende is overgelegd is – in tegenstelling tot de versie die aan de geheimhoudingskamer is overgelegd (zie 1.4) – niet inzichtelijk gemaakt om welke reden een bepaalde passage is zwartgelakt. 1.7. De gemachtigde heeft, bij brief van 1 november 2024, gereageerd op de verzoeken van de inspecteur. Belanghebbende verzet zich tegen beperkte kennisname door de hoofdkamer. Belanghebbende verzet zich niet tegen het weglakken van de namen van individuele ambtenaren (reden A). Voor het overige gaat belanghebbende niet akkoord met het verzoek om beperkte kennisneming dan wel geheimhouding. Geen zitting 2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank hem de mogelijkheid had geboden om te melden of hij prijs stelt op een zitting. Kader voor de beoordeling van artikel 8:29 van de Awb 3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.1. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt: Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming). 3.2. In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b. alleen is toegestaan met toestemming van de belanghebbende. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven voor beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer neemt, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de inspecteur voor het geval belanghebbende zich niet in het verzoek tot beperkte kennisneming kan vinden – hetgeen het geval is – alsdan verzoekt om toepassing van variant a, geheimhouding. 3.3. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Vooraf 4. Belanghebbende heeft in zijn reactie op de verzoeken van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming aangegeven dat in de door hem ontvangen geschoonde versies van de gedeeltelijk geheimgehouden stukken niet inzichtelijk is gemaakt welke passage om welke reden is zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat er geen verplichting bestaat voor de inspecteur om bij een geheimhoudingsverzoek (of verzoek tot beperkte kennisneming) per zwartgelakte passage richting een belanghebbende inzichtelijk te maken om welke reden hij deze heeft zwartgelakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is het voldoende dat belanghebbende weet welke redenen de inspecteur heeft voor geheimhouding en dat de geheimhoudingskamer per passage kan beoordelen of de betreffende reden voldoende is voor geheimhouding van die passage. 4.1. Verder heeft belanghebbende zich in de reactie op de verzoeken van de inspecteur om beperkte kennisneming/geheimhouding op het standpunt gesteld dat de geschoonde versie van bijlage 34a van het verweerschrift in de aan hem verstrekte stukken ontbreekt. De geheimhoudingskamer heeft op grond van de aan haar verstrekte geschoonde stukken vastgesteld dat met bijlage 34a het document wordt bedoeld met als titel ‘Pandora paper evaluatieformulier’. In tegenstelling tot de versie die belanghebbende heeft verkregen is op het document dat aan de geheimhoudingskamer is verstrekt, de tekst geschreven ‘bijlage 34A’. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat dit (geschoonde) document in het digitale dossier van de hoofdzaak is opgenomen onder bijlage 34 van het verweerschrift. De geheimhoudingskamer gaat er daarom van uit dat met bijlage 34a wordt bedoeld het eerste deel van bijlage 34, namelijk de vijf pagina’s voorafgaand aan het document met de titel ‘Memo Checklist dossiervorming [belanghebbende] ’. Belanghebbende heeft dus wel toegang tot het geschoonde document van bijlage 34a. 4.2. Voor wat betreft de overige gronden die belanghebbende met betrekking tot de vormgeving van het verzoek tot geheimhouding/beperkte kennisneming heeft aangevoerd, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze gronden niet slagen. Het verzoek van de inspecteur voldoet namelijk aan de daaraan gestelde voorschriften en het is voor de geheimhoudingskamer – die op het geheimhoudingsverzoek dient te beslissen – voldoende duidelijk welke passage of welk stuk om welke reden volgens de inspecteur geheimgehouden dient te worden. Met betrekking tot de opmerkingen van belanghebbende betreffende bijlage 16A van het verweerschrift merkt de geheimhoudingskamer op dat het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur hier niet op ziet, zodat de geheimhoudingskamer hierover ook geen oordeel kan geven. Artikel 8:42 van de Awb en het geheimhoudingsverzoek 5. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de inspecteur moet worden overgelegd in beginsel toebehoort aan de hoofdkamer. 5.1. De beoordeling of de inhoud van een bepaald stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan echter in beginsel niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Gelet op het verzoek tot geheimhouding van de volledige bijlage 35 van het verweerschrift, ziet de geheimhoudingskamer zich voor de vraag geplaatst of dit stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1 van de Awb kan worden aangemerkt. Indien het verzoek om geheimhouding van de volledige bijlage 35 wordt toegewezen, krijgt de hoofdkamer dit stuk namelijk in zijn geheel niet te zien. 5.2. De geheimhoudingskamer acht, gelet op de inhoud van bijlage 35 het aannemelijk dat de inspecteur heeft beschikt over deze stukken ten tijden van het opmaken en opleggen van de informatiebeschikking, dan wel in de periode die heeft geleid tot het doen van uitspraak op bezwaar. De geheimhoudingskamer merkt bijlage 35 van het verweerschrift daarom aan als een op de zaak betrekking hebbend stuk. Beoordeling van de verzoeken om geheimhouding 6. De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om (delen van) de stukken geheim te houden. Reden A: namen van individuele belastingambtenaren 6.1. Ten aanzien van de geheimhouding van de namen van individuele ambtenaren heeft belanghebbende aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het weglakken van deze namen. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de zwartgelakte passages die zijn aangeduid met een A of met een NN-nummer inderdaad de persoonsgegevens van belastingambtenaren bevatten. De geheimhoudingskamer zal het verzoek om geheimhouding op grond van reden A (zie 1.1) toewijzen. Reden B: het belang van privacy van derden 6.2. Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn (persoons)gegevens van derden, waaronder namen van natuurlijke personen en rechtspersonen en adressen om redenen van privacy zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De omstandigheid dat andere namen van derden wel zichtbaar zijn in het dossier, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De geheimhoudingskamer is dan ook van oordeel dat voor deze passages sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen. Redenen C1, C2 en C3: controle(strategie), interne werkwijze en calculerend gedrag 6.3. Voor zowel de geheimhouding van de zwartgelakte passages als de geheimhouding van bijlage 35 van het verweerschrift motiveert de inspecteur zijn verzoek tot geheimhouding met de redenen het belang van een effectieve controle en controlestrategie (C1) een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3). De geheimhoudingskamer zal deze redenen tot geheimhouding gezamenlijk behandelen omdat deze door de inspecteur in zijn verzoek ook gezamenlijk worden aangedragen als motivering van de geheimhouding van een bepaalde passage of bijlage. 6.4. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het licht van de informatiebeschikking die in geschil is in de hoofdprocedure – het van belang is de betreffende (delen van) stukken geheim te houden om zo calculerend of anticiperend gedrag bij belanghebbende te voorkomen. Het delen van de betreffende stukken staat namelijk op gespannen voet met de informatiebeschikking, omdat het doel van de informatiebeschikking nu juist is het verkrijgen van informatie van belanghebbende. 6.5. De geheimhoudingskamer volgt de opvatting van Hof ’s-Hertogenbosch dat in het kader van een procedure over de informatiebeschikking, het belang van de inspecteur bij geheimhouding anders moet worden gewogen dan wanneer, na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking, belastingaanslagen worden opgelegd. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de belastingaanslag zal de inspecteur belanghebbende in beginsel volledig op de hoogte moeten brengen van de informatie die hem bij zijn besluitvorming ter beschikking heeft gestaan. In de context van de informatiebeschikking is de geheimhoudingskamer in algemene zin van oordeel, dat bij de afweging van belangen meer gewicht dient te worden toegekend aan het belang van de inspecteur om belanghebbende niet bekend te maken met de informatie waarover de inspecteur beschikt. Immers kan dit het gevolg hebben dat belanghebbende de door hem te verstrekken informatie daarop afstemt en wordt het bovenvermelde doel van de informatiebeschikking in dat opzicht tenietgedaan. 6.6. Bijlage 35 van het verweerschrift bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de laatste pagina van deze bijlage een stuk uit het jaar 2016 betreft, dat is verzonden aan belanghebbende. Het betreft derhalve informatie die aan belanghebbende bekend is gemaakt. Niet valt in te zien wat dan het zwaarwegende belang van geheimhouding is. Bovendien zijn de door de inspecteur genoemde redenen voor geheimhouding van bijlage 35 (zie 6.3) naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet op de laatste pagina van bijlage 35 van toepassing. Gelet op het voorgaande wijst de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding voor wat betreft de laatste pagina van bijlage 35 af. 6.7. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor zowel het resterende gedeelte van bijlage 35 als de passages die zijn zwartgelakt geldt dat het belang van geheimhouding door de inspecteur zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming. De stelling van belanghebbende dat zijn belang bij kennisneming van de geheimgehouden (delen van) stukken zwaarder weegt dan het belang van de inspecteur bij geheimhouding in het geval zich daarin aanwijzingen bevinden voor belanghebbende om er achter te komen waar hij de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken kan krijgen, slaagt niet. Voorwerp van geschil in de hoofdzaak is het verstrekken van informatie door belanghebbende. De stelling van belanghebbende hangt samen met de in de hoofdzaak te beantwoorden vraag of belanghebbende kan beschikken over de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken. Indien belanghebbende weet over welke informatie de inspecteur beschikt bestaat het risico van calculerend gedrag van belanghebbende. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de door de inspecteur genoemde redenen C1, C2 en C3 gewichtige redenen die geheimhouding van de betreffende (delen) van stukken rechtvaardigen. Reden D: persoonlijke opvattingen/vrije meningsvorming 6.8. De in 1.3. opgenomen ‘Reden D’ is door de inspecteur in het geheel niet vermeld bij de door hem zwartgelakte passages. De geheimhoudingskamer hoeft deze reden daarom niet te beoordelen. Beslissing De geheimhoudingskamer: wijst het verzoek om geheimhouding af voor zover het betreft de laatste pagina van bijlage 35 van het verweerschrift; wijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe; verzoekt de inspecteur om binnen vier weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is het gedeelte van het stuk ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van vier weken na verzending van deze beslissing. Deze beslissing is genomen door mr. J.A. den Braber-Riemens rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 22 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De griffier is verhinderd deze beslissing mede te ondertekenen. De beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593. De geheimhoudingskamer merkt daarbij op dat de geheel blanco pagina’s in bijlage 34a moeten zijn ontstaan door het dubbelzijdig kopiëren van enkelzijdige stukken. De blanco pagina’s betreffen dus geen geheimgehouden tekst. Paragraaf 2.8 procesreglement bestuursrecht rechtbanken. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017 r.o.3.11.2., ECLI:NL:GHSHE:2017:3630 en HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632, r.o. 3.18.