Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBNNE:2026:2483 Rechtbank Noord-Nederland , 03-04-2026 / C/18/25/212 R

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland

Case Summary

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Groningen zaaknummer: C/18/25/212 R vonnis van 3 april 2026 in de zaak van: [schuldenares] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen de schuldenares bewindvoerder: [bewindvoerder] . PROCESGANG Bij vonnis van deze rechtbank van 16 juli 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenares. Vanwege het niet nakomen van de sollicitatieplicht dan wel onduidelijkheid over de arbeids(on)geschiktheid van de schuldenares was er voor 11 december 2025 een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris ingepland. Wegens het niet verschijnen van de schuldenares is het verhoor opnieuw ingepland op 8 januari 2026. Vanwege de slechte weersomstandigheden heeft de schuldenares aangegeven niet ter zitting te kunnen verschijnen. Van de aangeboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord heeft de schuldenares geen gebruik gemaakt. De rechter-commissaris heeft op 16 januari 2026 de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank voorgedragen voor een tussentijdse beëindigen. De voordracht is behandeld ter zitting van 20 februari 2026 en inhoudelijk voortgezet op 20 maart 2026, alwaar beide keren de schuldenares en mevrouw [naam] , namens de bewindvoerder, zijn verschenen. RECHTSOVERWEGINGEN De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenares één of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en of op die grond de regeling tussentijds moet worden beëindigd. Ter zitting van 20 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek tot tussentijdse beëindiging uitvoerig besproken. Naar aanleiding van de behandeling heeft de rechtbank de schuldenares de kans geven om te laten zien dat het beter gaat en de behandeling tot tussentijdse beëindiging met vier weken aangehouden. De volgende afspraken zijn ter zitting van 20 februari 2026 met de schuldenares gemaakt: - regeling treffen met Menzis; - regeling treffen met Arriva; - verklaring via school regelen voor de buitenschoolse opvang en naar de gemeente sturen; - het initiatief nemen om de bewindvoerder te informeren over hoe het er voor staat. De bewindvoerder heeft ter zitting gemeld dat de rechter-commissaris de schuldenares onlangs een ontheffing heeft verleend van de sollicitatieverplichting voor de gehele duur van de looptijd van haar schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft voorts nog gemeld dat zij van de schuldenares weinig informatie heeft ontvangen. Alleen twee e-mailberichten van 13 en 17 maart 2026 waarin de schuldenares aangeeft het erg druk te hebben en met de nieuwe schulden bezig te zijn. Sinds de schuldenares afgelopen december het budgetbeheer heeft stop gezet kan de bewindvoerder vanwege het uitblijven van uitkeringsspecificaties en bankafschriften geen nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag maken. Verder geeft de bewindvoerder aan dat het onduidelijk is of de schuldenares op dit moment wel de premie voor de zorgkosten betaalt. Ook is onduidelijk hoe het zit met de strafbeschikkingen van het CJIB. De schuldenares heeft tijdens de voortzetting van de behandeling op 20 maart 2026 aangegeven dat zij vanwege drukte rondom haar kinderen nog niet alles heeft kunnen regelen. De schuldenares heeft Flanderijn (Arriva) een betalingsvoorstel gedaan van vijf maandelijkse termijnen van € 38,00, maar hierop heeft zij nog geen reactie ontvangen. Of dit akkoord is weet zij dus niet. Het is de schuldenares nog niet bekend hoe hoog de premieachterstand bij Menzis is, maar haar is wel gebleken dat de premieachterstand nu bij LAVG ligt. Van LAVG heeft zij nog geen bericht ontvangen. Ten aanzien van de betaling van het openstaande eigen risico bij Menzis ad € 60,00 geeft de schuldenares aan dat zij hiervoor een regeling heeft getroffen van twee keer € 30,00. Zelf heeft ze ook geen uitkeringsspecificaties ontvangen zodat zij deze ook niet kan doorsturen naar de bewindvoerder. De schuldenares geeft verder aan Menzis niet te hebben betaald omdat zij spullen voor haar woning moest kopen. Uit de e-mailberichten van de schuldenares blijkt dat zij pas op 16 maart 2025 initiatief heeft genomen om betalingsregelingen te treffen. Het initiatief van de schuldenares bestaat er uit dat zij Flanderijn (Arriva) een betalingsvoorstel heeft gemaild en Menzis een voorstel heeft gemaild om het eigen risico in twee termijnen te betalen. Op de vraag van de rechtbank waarom de schuldenares hiervan geen bewijsstukken heeft overgelegd heeft de schuldenares geantwoord dat dat had gekund. Ter zake van de schuld bij Menzis – in verband met de premieachterstand – heeft de schuldenares in haar e-mail van 17 maart 2026 aangegeven dat zij niet weet welke deurwaarder die incasso behandelt en dat als zij hieraan toekomt hierover met Menzis zal bellen. Met het CJIB heeft de schuldenares nog geen contact opgenomen. De rechtbank constateert, gelet op het vorenstaande, dat ondanks de waarschuwing van de rechtbank tijdens de behandeling op 20 februari 2026, de houding van de schuldenares niet in positieve zin is veranderd. De schuldenares had naar het oordeel van de rechtbank meer actie moeten ondernemen, door bijvoorbeeld te bellen met Menzis of een van de deurwaarderskantoren en door de bewindvoerder van informatie te voorzien. De rechtbank trekt dan ook de conclusie dat bij schuldenares de schuldsaneringsregeling nog steeds niet de prioriteit heeft die het moet hebben. Als gevolg hiervan zijn nieuwe schulden ontstaan en komt de schuldenares haar informatieverplichting onvoldoende na. De rechtbank is op grond daarvan dan ook van oordeel dat de schuldenares is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat haar dat kan worden toegerekend. De rechtbank onderkent dat de privésituatie van de schuldenares belastend en zwaar is, maar dit is geen verzachtende omstandigheid waardoor sprake kan zijn een geringe betekenis van de tekortkoming van de schuldenares. De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling daarom tussentijds gaan beëindigen op grond van artikel 350, lid 3 sub c Faillissementswet (Fw). Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling heeft gewerkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, afdwingbaar blijven. Blijkens het overzicht van de bewindvoerder is de stand van de boedelrekening momenteel € 44.47. Op grond van het bepaalde in artikel 350, lid 5 Fw zal niet van rechtswege faillissement volgen aangezien er na aftrek van de kosten van de schuldsaneringsregeling, onvoldoende baten beschikbaar zullen zijn. Nu het uit te delen actief na aftrek van de boedelkosten (met name salaris en advertentiekosten) minder dan € 2.000,00 bedraagt, kan naar het oordeel van de rechtbank het opmaken van een slotuitdelingslijst achterwege blijven en eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis. De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.439,48 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. BESLISSING De rechtbank: - beëindigt de schuldsaneringsregeling; - stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen; - stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 3.439,48. Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement, en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.