ECLI:NL:CRVB:2026:749 Centrale Raad van Beroep , 18-06-2026 / 24/114 ZW
CRVB
Case Summary
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 24/114 ZW, 24/115 ZW, 24/116 ZW, 24/117 ZW, 24/343 ZW, 24/344 ZW, 23/345 ZW, 24/346 WIA, 24/347 WIA, 24/348 ZW, 24/349 ZW, 24/350 WIA, 24/351 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2023, 22/5157, 22/5161, 22/5163, 22/5164, 22/5406, 23/165, 23/178, 23/181, 23/2060, 23/2077, 23/2081, 23/2083, 23/2192, 23/6349 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) [stichting 1] te [vestigingsplaats 1] (Stichting 1) [stichting 2] te [vestigingsplaats 2] (Stichting 2) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 18 juni 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaken om de vraag of het Uwv terecht de ZW- en WAZO-uitkeringen van appellante heeft ingetrokken en de WIA-uitkering heeft herzien en de betaalde uitkeringen heeft teruggevorderd, omdat zij niet verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringswetten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het gaat ook om de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in het kader van de Wet WIA per 31 juli 2022 terecht heeft vastgesteld op 44,09%. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij daarom niet de voor haar geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Dit hoger beroep staat geregistreerd onder de nummers 24/114 ZW tot en met 24/117 ZW. De Stichtingen hebben te kennen gegeven als derde-belanghebbende deel te willen nemen aan het geding. Omdat appellante geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens in de procedure over haar uitkeringen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 31 juli 2022 aan de Stichtingen te verstrekken, heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de Stichtingen. Namens de Stichtingen heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Deze hoger beroepen staan geregistreerd onder de nummers 24/343 ZW tot en met 24/347 ZW (Stichting 1) en 24/348 ZW, 24/349 ZW, 24/350 WIA en 24/351 WIA (Stichting 2). Appellante heeft te kennen gegeven als derde-belanghebbende deel te nemen aan deze gedingen. Het Uwv heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend, en gereageerd op vragen van de Raad. Bij brief van 17 februari 2026 heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt. De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 22 april 2026. Voor appellante zijn verschenen mr. Van Ingen en [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] . De Stichtingen hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Labordus, [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] (huidig bestuurder van Stichting 1 en voormalig bestuurder van Stichting 2) en [naam bestuurder van beide stichtingen] (bestuurder van beide Stichtingen). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellante is werkzaam geweest als lid van de Raad van Toezicht (RvT) van Stichting 1 en als verzorgende bij Stichting 2. Appellante heeft ook gewerkt als optometrist bij [naam stichting 3] ( [stichting 3] ) in [vestigingsplaats 3] . 1.2. Appellante heeft zich per 12 december 2018 (bij de Stichtingen) en per 17 december 2018 (bij [stichting 3] ) ziekgemeld. Het Uwv heeft haar per die data uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend in verband met ziekte als gevolg van zwangerschapsklachten. Vanaf 18 maart 2019 ( [stichting 3] ) en 1 april 2019 (Stichtingen) heeft appellante zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen van het Uwv. Aansluitend heeft appellante zich ziekgemeld met klachten als gevolg van de bevalling en heeft het Uwv haar per 9 juli 2019 weer ZW-uitkeringen toegekend. Het Uwv heeft appellante vervolgens per 1 april 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Het Uwv heeft deze uitkering met ingang van 1 maart 2022 omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Bij de beoordeling van deze uitkeringsaanvragen heeft het Uwv zich gebaseerd op informatie zoals opgenomen in de polisadministratie. 1.3. In 2021 heeft de afdeling Handhaving van het Uwv onderzoek verricht naar appellante. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 december 2021 (Onderzoeksrapport). Daarin is vermeld dat de aanleiding voor het onderzoek was dat de gemeente [vestigingsplaats 1] onderzoek doet naar de geleverde zorg door Stichting 1 en dat deze casus is aangemeld bij het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC). Ook is vermeld dat in het onderzoek door de gemeente naar de geleverde zorg van Stichting 1 appellante en [naam vader] , de vader van de drie kinderen van appellante, naar voren zijn gekomen als mogelijke bestuurders van Stichting 1. Het onderzoek richtte zich op de vraag in welke relatie appellante stond tot Stichting 1 en mogelijke andere stichtingen en of sprake was geweest van verzekerde arbeid. De conclusie van het onderzoek is dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en de Stichtingen omdat een gezagsverhouding ontbrak. Het Uwv heeft daaraan het gevolg verbonden dat appellante niet als werknemer in de zin van de ZW, WAZO en Wet WIA kon worden aangemerkt en dus niet verplicht verzekerd was op grond van deze wetten. Het Uwv heeft om die reden begin 2022 met diverse besluiten het recht op de ZW- en WAZO-uitkeringen ingetrokken, de WIA-uitkering herzien heeft en de in dat verband ten onrechte betaalde uitkeringen teruggevorderd tot een bedrag van ruim € 105.000,-. 1.4. Appellante en de Stichtingen hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij beslissingen op bezwaar van 5 oktober 2022, 11 oktober 2022 en 13 oktober 2022 (bestreden besluiten appellante) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Bij beslissingen op bezwaar van 29 september 2022, 5 oktober 2022, 11 oktober 2022 en 13 oktober 2022 (bestreden besluiten Stichtingen) heeft het Uwv de bezwaren van de Stichtingen ongegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op de intrekking van de ZW- en de WAZO-uitkering en de herziening van de WIA-uitkering in verband met het standpunt van het Uwv dat appellante niet verplicht verzekerd was op grond van de ZW, WAZO en WIA, en niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze betrekking hebben op de terugvorderingen. 1.5. In mei 2022 heeft een herbeoordeling van appellante plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 mei 2022. De arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 32,65%. Het Uwv heeft bij besluit van 30 mei 2022 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 31 juli 2022 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante en de Stichtingen hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 mei 2022. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts is aangenomen en heeft op 7 februari 2023 een gewijzigde FML opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat de (meeste van de) eerder geselecteerde functies niet passend zijn, heeft opnieuw functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 juli 2022 berekend op 44,09%. Bij besluit van 14 maart 2023 (bestreden besluit appellante) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard, de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 juli 2022 vastgesteld op 44,09% en bepaald dat de WIA-uitkering van appellante per 31 juli 2022 wordt voortgezet. Bij besluiten van 19 december 2022 en 2 februari 2023 (bestreden besluiten Stichtingen) heeft het Uwv de bezwaren van de Stichtingen tegen het besluit van 30 mei 2022 nietontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat in geschil is of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en de Stichtingen in de perioden 12 december 2018 tot 5 juli 2021 (ZW en WAZO) en 1 april 2021 en 31 januari 2022 (WIA). De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv, op basis van de in de onderzoeken genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk heeft gemaakt dat in de perioden in geding geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen appellante en de Stichtingen. 2.2. De rechtbank heeft, naar aanleiding van de grond van appellante en de Stichtingen dat het onderzoek onrechtmatig is geweest, vastgesteld dat gebleken is dat een RIECmelding, die aanvankelijk betrekking had op onderzoek naar verlening van zorg door Stichting 1, de aanleiding vormde voor verder onderzoek naar appellante alsmede Stichting 2. De rechtbank heeft de door het Uwv geschetste gang van zaken kunnen volgen. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat de melding mondeling is geschied en dat het niet beschikt over onderliggende stukken van de RIEC-melding, zodat het Uwv die ook niet aan appellante en de Stichtingen kan verstrekken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het door Uwv verrichte onderzoek onrechtmatig te achten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld vond het onderzoek niet plaats op grond van algoritmes, zoals appellante stelt, maar op basis van een RIEC-melding over Stichting 1. De bevindingen van dat onderzoek strekten zich vervolgens uit naar onderzoek naar appellante. Dat algoritmes zijn gebruikt kan niet worden uitgesloten maar de rechtbank heeft in dit geval geen aanwijzing gezien voor vooringenomenheid aan de kant van het Uwv. Wat appellanten verder in dit verband naar voren hebben gebracht, onder meer over onderzoek door middel van bankafschriften, stelselmatig observeren en een datalek ten aanzien van medische gegevens van appellante, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in het – gemotiveerde – standpunt dat geen sprake is geweest van stelselmatig onderzoek en evenmin van een datalek. 2.3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van de eerder toegekende rechten met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het beleid van het Uwv. De rechtbank heeft dit standpunt niet gevolgd. 2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv, op basis van het standpunt dat appellante geen werknemer was in de zin van de ZW, WAZO en WIA, in beginsel gehouden was het recht op ZW, WAZO en WIA te herzien en de ten onrechte verstrekte bedragen terug te vorderen. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij in de veronderstelling was dat zij bij beide Stichtingen werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst en redelijkerwijs niet kon weten dat zij geen recht had op uitkeringen uit deze dienstverbanden. Het Uwv heeft toegelicht dat het zich bij de beoordeling van een recht op uitkering baseert op de gegevens zoals opgenomen in de polisadministratie, en dat er geen controle plaatsvindt op de verzekeringsplicht. De rechtbank heeft dit in beginsel een aanvaardbare werkwijze geacht. In dit geval zijn de gegevens achteraf onjuist gebleken. Dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding is een gegeven waarvan het Uwv bij de toekenning van de uitkeringen niet op de hoogte was en dat het Uwv ook niet eigener beweging had hoeven nagaan. 2.3.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en de Stichtingen bij de aanvragen voor de uitkeringen niet de juiste informatie hebben verstrekt, zodat deze uitkeringen ten onrechte zijn toegekend door toedoen van appellante en de Stichtingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het recht op deze uitkeringen op die grond terecht met terugwerkende kracht tot en met de datum van toekenning heeft herzien. Van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening had moeten afzien is volgens de rechtbank niet gebleken. 2.3.3. Ook als de rechtbank ervan zou uitgaan dat de onjuiste informatieverstrekking vooral te wijten is aan de Stichtingen en appellante zelf niet op de hoogte was van de onterechte ZW- en WAZO-aanvragen, heeft het Uwv de uitkeringen tot en met de datum van toekenning mogen herzien. In dat kader heeft de rechtbank, alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien, geoordeeld dat appellante vanaf het moment van de toekenning van de diverse uitkeringen redelijkerwijs had kunnen weten dat zij deze uitkeringen ten onrechte ontving. 2.4. De rechtbank heeft ingezien dat de gevolgen van de onjuiste gegevensverstrekking in dit geval geheel worden gedragen door appellante, nu zij het totale bedrag moet terugbetalen, en dat dat ingrijpend is voor appellante. Het is echter naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die maakt dat de terugvorderingsbesluiten strijd opleveren met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals hiervoor is geoordeeld is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Voor zover sprake is van onevenredige gevolgen voor appellante, nu zij als enige wordt geconfronteerd met een terugbetalingsverplichting, overweegt de rechtbank dat die (mede) verband houden met de weigering van de stichtingen om bij te dragen aan de terugbetaling. De rechtbank gaat er hierbij ook van uit dat het Uwv met de (financiële) situatie van appellante rekening houdt als de invordering aan de orde is. 2.5. In het kader van de WIA-beoordeling per 31 juli 2022 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. 2.5.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft opgevraagd en gekregen van behandelaars van appellante en dat de verkregen informatie bij de beoordeling is betrokken. Dat geldt ook voor andere informatie die al over appellante bekend was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een nader rapport van 27 oktober 2023 gereageerd op de door appellante in beroep ingebrachte medische informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arts hierin afdoende gemotiveerd waarom die informatie niet leidt tot verandering in de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv de beperkingen van de belastbaarheid van appellante per 31 juli 2022 op zorgvuldige en juiste wijze heeft vastgesteld. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv de maatman terecht heeft vastgesteld op (alleen) het werk van appellante bij het [naam stichting 3] . De rechtbank heeft, gelet op het rapport van 6 november 2023 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het Uwv gevolgd in het standpunt dat de voor appellante geselecteerde functies vallen binnen haar belastbaarheid zoals vastgesteld in de FML. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het bestreden besluit (van 14 maart 2023) in stand kan blijven, en dat het beroep van appellante ongegrond is. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. 3.1. Appellante heeft herhaald dat de aanleiding voor het onderzoek onrechtmatig was, zodat de onderzoeksresultaten als ‘verboden vrucht’ niet mogen worden meegenomen. In dat kader heeft appellante gesteld dat het onderzoek is gestart omdat [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] (verder: [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] ) zou hebben gefraudeerd, terwijl inmiddels is gebleken (onder meer uit een brief van 4 maart 2024 van de politie) dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling en een in de systemen foutief vermelde sepotcode. Desondanks is het Uwv doorgegaan met het onderzoek naar appellante. Bovendien heeft het Uwv verzuimd informatie te verstrekken over (de inhoud van) de RIEC-melding, terwijl uit het besluit op grond van de Wet open overheid van 7 november 2024 inzake [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] blijkt dat (wel) sprake is van een RIECdossier. Door niet alle informatie te verstrekken is volgens appellante sprake van strijd met het EVRM, het beginsel van equality of arms en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Verder is met het (zonder haar toestemming) opvragen van de bankafschriften bij de ING en de loonstroken bij de boekhouder sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en is in strijd gehandeld met artikel 8 van het EVRM. Verder is volgens appellante, met de uitgevoerde observaties, sprake van onterecht stelselmatig onderzoek en strijd met artikel 8 van het EVRM. Ook heeft appellante gesteld dat de gemeente [woonplaats] heeft erkend dat, zoals ook bij appellante is gebeurd, pasfoto’s onrechtmatig aan het Uwv zijn verstrekt. 3.2. Appellante heeft verder aangevoerd dat in het kader van de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake is van een belastend besluit, en dat het Uwv niet aan de in dat kader bij het Uwv liggende bewijslast heeft voldaan. Appellante heeft ten aanzien van de arbeidsverhouding met Stichting 2 een beroep gedaan op de rechtspraak van deze Raad inzake de zogenoemde formele benadering in arbeidsverhoudingen tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon. Appellante heeft verder gesteld dat wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding in haar arbeidsverhoudingen met de Stichtingen. Zo was bij Stichting 1 ook [naam werknemer] werkzaam in de RvT, en kon appellante gelet op de statuten door haar ontslagen worden als lid van de RvT. Verder moest zij bij Stichting 2 de opdrachten van de werkgever uitvoeren, vrij vragen, kon zij niet zelf bepalen wanneer ze zou gaan werken en gaf Stichting 2 haar sturing en instructie. Bovendien heeft de Belastingdienst, zoals volgens appellante blijkt uit rapporten van 14 februari 2024 (inzake Stichting 1) en 20 februari 2024 (inzake Stichting 2), het standpunt ingenomen dat wel sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de Stichtingen en appellante. Appellante heeft verder, onder verwijzing naar de Beleidsregels Schorsing, opschorting, intrekking en herziening 2006 (Beleidsregels), gesteld dat het Uwv in ieder geval niet met terugwerkende kracht tot intrekking en terugvordering mocht overgaan omdat zij nooit onjuiste informatie heeft verstrekt aan het Uwv en het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij ten onrechte een ZW-, WAZO- en WIA-uitkering ontving. Appellante heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 april 2024 van deze Raad, ook aangevoerd dat sprake is van een dringende reden om van intrekking en terugvordering af te zien. In dat kader heeft zij erop gewezen dat het Uwv vanaf het begin bekend was met het feit dat appellante werkte als lid van de RvT en dat de uitkeringen ook na de eerste interne fraudemelding van 13 april 2019 door hebben gelopen. 3.3. Tot slot heeft appellante in het kader van de WIA-beoordeling per 31 juli 2022 herhaald dat zij volledig arbeidsongeschikt is, dan wel dat het Uwv verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Appellante heeft ter onderbouwing daarvan een intake en een zorgplan van 3 mei 2025 en een brief van 12 april 2025 van een behandelaar overgelegd. Zij heeft tot slot herhaald dat de maatman niet juist is vastgesteld, en dat zij de voor haar geselecteerde functies niet kan verrichten. Het standpunt van de Stichtingen 4. De Stichtingen hebben (in lijn met het betoog van appellante) aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige start van het onderzoek, dat wel sprake was van een gezagsverhouding en (dus van) privaatrechtelijke dienstbetrekkingen en dat het terugkomen op de genomen toekenningsbesluiten in strijd is met de rechtszekerheid. Het standpunt van het Uwv 5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. 5.1. Het Uwv heeft nader toegelicht dat uit de onderzoeksrapporten blijkt dat de casus eerder in het RIEC is besproken, maar dat de onderzoeker van Handhaving pas op 1 maart 2021 aanleiding heeft gezien de interne fraudemelding te maken. Het Uwv heeft een schermafbeelding overgelegd, waaruit blijkt dat deze fraudemelding op 1 maart 2021 is gecreëerd en gearchiveerd. Het Uwv heeft benadrukt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, en heeft in dat kader gewezen op een uitspraak van 14 januari 2026 van deze Raad waaruit blijkt dat stukken uit het RIEC-dossier niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. 5.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de door appellante overgelegde rapporten van 14 februari 2024 en 20 februari 2024 van de Belastingdienst niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is geweest van verzekeringsplicht. Het Uwv heeft er, onder verwijzing naar de reikwijdte van de onderzoeken, op gewezen dat de Belastingdienst nu juist niet heeft onderzocht of daarvan sprake is. Het Uwv heeft nader toegelicht waarom geen sprake is geweest van een gezagsverhouding in de arbeidsverhoudingen tussen de Stichtingen en appellante, zodat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW en artikel 8 van de Wet WIA. Bovendien is ook geen sprake geweest van een fictieve dienstbetrekking tussen de Stichtingen en appellante. In reactie op de stelling van appellante dat het Uwv al bij de toekenning van de uitkeringen op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat geen sprake was van verzekeringsplicht, heeft het Uwv gewezen op de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018. Het Uwv heeft gesteld dat het bij de beoordeling van een uitkeringsaanvraag uitgaat van de juistheid van de in de polisadministratie opgenomen gegevens en dat niet van het Uwv verwacht kan worden dat het bij een bepaalde functienaam of beschrijving van werkzaamheden actief onderzoekt of sprake is van verzekeringsplicht. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat geen sprake was van verzekeringsplicht vanuit de arbeidsverhoudingen met de Stichtingen, en dat de ZW-, WAZO- en WIA-uitkeringen dus met terugwerkende kracht mochten worden ingetrokken en herzien en worden teruggevorderd. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden om van intrekking, herziening dan wel terugvordering af te zien omdat het Uwv geen aandeel heeft in de ontstane situatie. Het Uwv heeft bovendien vanaf 1 maart 2021 uitgebreid onderzoek gedaan en na afronding van het onderzoek de besluiten binnen afzienbare tijd genomen. 5.3. In het kader van de WIA-beoordeling per 31 juli 2022 heeft het Uwv erop gewezen dat het door appellante overgelegde zorgplan van 3 mei 2025 dateert van jaren na de datum in geding en dat uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen van 5 mei 2022 en van 7 februari 2023 een ander beeld van de belastbaarheid van appellante naar voren komt. De overgelegde brief van 12 april 2025 van de behandelaar beschrijft volgens het Uwv de subjectieve klachtenbeleving en bevat geen medische onderzoeksbevindingen. Het oordeel van de Raad 6.1. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 6.2. Het geschil tussen partijen richt zich op een aantal aspecten die hieronder zullen worden besproken: Hebben de Stichtingen procesbelang bij de vraag of appellante wat betreft haar arbeidsverhoudingen met de Stichtingen verplicht verzekerd is op grond van de ZW, WAZO en Wet WIA (zie overweging 7)? Is sprake geweest van een onrechtmatig onderzoek, en zo ja, wat zijn daarvan de gevolgen (zie overweging 8)? Was sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de Stichtingen op grond waarvan appellante verplicht verzekerd was op grond van de ZW, WAZO en Wet WIA (zie overweging 9)? Was sprake van een dringende reden om van intrekking en herziening van de uitkeringen en de terugvordering af te zien (zie overweging 10)? Heeft het Uwv terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage per 31 juli 2022 vastgesteld op 44,09% (zie overweging 11)? 6.3. Gelet op de omvang van de stukken die zijn ingediend en de veelheid van argumenten daarin, zal de Raad de aangevoerde beroepsgronden terugvoeren op de kern daarvan. Hebben de Stichtingen procesbelang? 7.1. De Stichtingen hebben zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat appellante wat betreft haar arbeidsverhoudingen met de Stichtingen niet verplicht is verzekerd op grond van de ZW, WAZO en Wet WIA, en dat het daarnaar door het Uwv verrichte onderzoek niet onrechtmatig te achten is. De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de Stichtingen op dit punt procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. 7.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. 7.3. De Stichtingen hebben ter zitting van de Raad, waar zij uitdrukkelijk hierover zijn bevraagd, niet duidelijk kunnen maken wat hun specifieke belang is bij een oordeel over de vraag of sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen van de Stichtingen met appellante op grond waarvan zij verplicht verzekerd was, of welke feitelijke betekenis dat oordeel zou kunnen hebben. 7.4. Hieruit volgt dat de Stichtingen geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Hun hoger beroepen zijn daarom nietontvankelijk. Was sprake van een onrechtmatig onderzoek? 8.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de aanleiding voor het onderzoek van het Uwv onrechtmatig is geweest en om die reden de onderzoeksresultaten (als ‘verboden vrucht’) niet aan de besluitvorming ten grondslag mochten worden gelegd. In dat kader heeft appellante gesteld dat het onderzoek is gestart omdat [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] zou hebben gefraudeerd, terwijl inmiddels is gebleken (onder meer uit een brief van 4 maart 2024 van de politie) dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling en een in de systemen foutief vermelde sepotcode. Deze grond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen. 8.1.1. Uit de stukken blijkt dat een medewerker Handhaving van het Uwv op 1 maart 2021 een ‘Melding vermoedelijke overtreding’ heeft opgemaakt betreffende appellante. In deze melding staat dat de melding gaat over ‘Samenwerkingsverband Handhaving [regio] ’. In deze melding staat bij de toelichting op de vermoedelijke overtreding: ‘Er wordt voor klant loonaangifte op basis van code 15 (werknemer) gedaan op het Loonheffingsnummer van [stichting 1] . Klant is enig lid van Raad van Toezicht. Loonsom 2020 is verhoogd waardoor er meer NOW is verkregen. Er is mogelijk sprake van (gedeeltelijk) gefingeerde dienstverbanden. Klant heeft 3 tegelijkertijd 3 dienstbetrekkingen.’ 8.1.2. In het Onderzoeksrapport staat bij de aanleiding voor het onderzoek vermeld: ‘De gemeente [vestigingsplaats 1] (Toezichthouders) doet onderzoek naar de geleverde zorg van [stichting 1] . Deze casus is bij RIEC aangemeld ondecasusnummer [casusnummer] . In het onderzoek naar de geleverde zorg van de Stichting zijn mevrouw [appellante] (hierna te noemen klant) en de heer [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] (zaaknummer [zaaknummer] ) naar voren gekomen als de mogelijke bestuurders van deze stichting. Naast deze stichting, zouden zij mogelijk ook de feitelijk bestuurders zijn van andere stichtingen. Uit de loonaangifte van beide blijkt dat zij partners zijn. Klant ontvangt een uitkering vanuit een drietal stichtingen, namelijk [stichting 1] , [stichting 2] en Stichting [stichting 3] . Dit onderzoek richt zich op de vraag in welke relatie klant tot deze drie stichtingen staat en of sprake is van verzekerde arbeid.’ 8.1.3. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat de interne fraudemelding van 1 maart 2021 het startdocument is voor het onderzoek. Het Uwv heeft toegelicht dat elk onderzoek door Handhaving begint met een startdocument. Dat kan bijvoorbeeld ook een (anonieme) tip zijn, een melding van een Uwv-medewerker of van een gemeente. Naar aanleiding van het door appellante in hoger beroep ingebrachte RIEC-signaalformulier van 28 januari 2020 heeft het Uwv toegelicht dat dit zich niet in het Uwv-dossier van appellante bevindt, maar dat al bekend was dat haar casus in het RIEC is besproken. Pas op 1 maart 2021 heeft de onderzoeker van Handhaving aanleiding gezien de interne fraudemelding te maken met de hierboven geciteerde omschrijving, waarna het Uwv een onderzoek is gestart. 8.1.4. Hoewel niet geheel duidelijk is geworden wat de tip uit het RIEC die ten grondslag zou liggen aan de interne fraudemelding van 1 maart 2021 precies inhield, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat een ongeoorloofde aanleiding ten grondslag ligt aan de interne fraudemelding van 1 maart 2021. De stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat het onderzoek (uitsluitend) is gestart omdat [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] zou hebben gefraudeerd en dat inmiddels is gebleken dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling en een in de systemen foutief vermelde sepotcode. Daarbij wordt nog daargelaten of bewijs voor een bestuursrechtelijk besluit uit een aldus gestart onderzoek onrechtmatig is. Verder geldt daarbij ook nog dat het Uwv te allen tijde het recht heeft om onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen. 8.1.5. Zou al gesteld moeten worden dat, in verband met de aanleiding van het onderzoek, sprake zou zijn van eventuele onrechtmatigheid van het bewijs, dan geldt bovendien niet zonder meer dat dit niet als grondslag kan dienen voor de bestreden besluiten. Volgens vaste rechtspraak van deze Raad geldt immers dat onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen alleen niet mogen worden gebruikt ter onderbouwing van een besluit als die zijn verkregen op een manier die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. 8.1.6. De stelling van appellante dat het Uwv met het opvragen van haar bankafschriften en loonstroken bij de boekhouder een inbreuk heeft gemaakt op het recht op respect voor het privéleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft appellante op 4 mei 2021 en 20 mei 2021 in de gelegenheid gesteld de bankafschriften vrijwillig over te leggen, alvorens over te gaan tot het vorderen van de gegevens bij de bank, welke bevoegdheid het Uwv ontleent aan onder meer de artikelen 5:11 van de Awb en 55a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De loonstroken werden spontaan verstrekt door de boekhouder van de Stichtingen, in reactie op een brief waarin het Uwv de auditfiles vorderde van (onder andere) de Stichtingen. 8.1.7. Appellante heeft betoogd dat het Uwv heeft verzuimd informatie te verstrekken over (de inhoud van) de RIEC-melding, waarmee sprake is van strijd met het EVRM, het beginsel van equality of arms en de AVG. Dit betoog wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft, onder meer ter zitting van de Raad, nader toegelicht dat de interne fraudemelding van 1 maart 2021 is voortgekomen uit een bespreking in het RIEC en dat de onderzoeker van Handhaving op 1 maart 2021 aanleiding heeft gezien de interne fraudemelding te maken. Het Uwv heeft naar aanleiding van die fraudemelding een eigen onderzoek verricht, resulterend in het Onderzoeksrapport van 9 december 2021, en op basis van uitsluitend de eigen onderzoeksbevindingen de bestreden besluiten genomen. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat het niet beschikt over RIEC-stukken betreffende deze zaak. Daaruit volgt dat eventuele RIEC-stukken niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Was sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de Stichtingen? 9. In geschil is verder of appellante moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW, WAZO en Wet WIA. Daarvoor is vereist dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de Stichtingen. 9.1. Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. 9.2. Voor die beoordeling kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Tussen deze omstandigheden bestaat geen volgorde. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. 9.3. Bij besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en de Stichtingen. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. 9.4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van het persoonlijk verrichten van arbeid en het betalen van loon. Zij zijn verdeeld over de vraag of sprake was van een gezagsverhouding. 9.5. De Raad is van oordeel dat het Uwv met het Onderzoeksrapport aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellante en de Stichtingen geen sprake is geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een gezagsverhouding. Daartoe wordt het volgende overwogen. 9.5.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat in geschil is of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en de Stichtingen in de perioden in geding 12 december 2018 tot 5 juli 2021 (ZW en WAZO) en 1 april 2021 en 31 januari 2022 (WIA). Deze bepaling van de perioden in geding wordt niet onderschreven. Hiervoor is weergegeven hoe beoordeeld moet worden of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Daaruit blijkt dat niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dat ook acht moet worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daaruit volgt dat ter beoordeling voorligt of in de perioden waarin appellante feitelijk werkzaam was voor de Stichtingen, dus voor het intreden van het verzekerde risico op 12 december 2018, sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Stichting 1 9.5.2. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel inzake Stichting 1 blijkt het volgende. Appellante staat sinds 25 november 2015, de datum van oprichting, ingeschreven als ‘algemeen lid Raad van Toezicht’. Er bestaat een op 1 juli 2018 gedateerde arbeidsovereenkomst tussen Stichting 1, vertegenwoordigd door de voorzitter van de RvT, [naam voorzitter] , en appellante. Daarin bevestigt Stichting 1 dat appellante per 1 juli 2018 bij de onderneming in dienst komt in de functie ‘Lid Raad van Commissaris’. Vervolgens heeft Stichting 1 de inkomstenverhouding met appellante op 31 juli 2018 met terugwerkende kracht in de polisadministratie aangemeld tot 1 januari 2018. Ter zitting van de Raad heeft [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] daarvoor als verklaring gegeven dat pas sinds 2018 sprake was van een betaalde functie. 9.5.3. Stichting 1 is opgericht op 25 november 2015. In artikel 4 van de per die datum vastgestelde statuten staat (onder meer) dat de bestuurders worden benoemd en geschorst door de RvT. In artikel 10 van deze statuten staat (onder meer) dat de RvT tot taak heeft het toezicht houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting, dat de samenstelling van de RvT zodanig is dat de leden ten opzichte van elkaar, het bestuur en welk deelbelang dan ook, onafhankelijk en kritisch kunnen opereren, en dat de leden van de RvT worden benoemd en ontslagen door de RvT. De artikelen 4, 11, 12 en 15 van de per 17 september 2018 gewijzigde statuten kennen daarmee vergelijkbare bepalingen. In artikel 11, eerste lid, van deze statuten is expliciet vermeld dat de RvT de werkgeversrol vervult voor het bestuur. 9.5.4. Uit het samenstel van de in 9.5.3 genoemde bepalingen volgt dat appellante als lid van de RvT niet werkzaam was in een gezagsverhouding ten opzichte van (het bestuur van) Stichting 1. Dat, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, de voorzitter van de RvT het gezag uitoefende of kon uitoefenen, is niet gebleken. Volgens de statuten van Stichting 1 vervult de RvT de werkgeversrol voor het bestuur, en niet omgekeerd. Artikel 15 van de statuten houdt in dat de RvT zodanig is samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar onafhankelijk en kritisch kunnen opereren en deze leden hun functie zonder last of ruggespraak vervullen. Dat bij het staken van stemmen over een besluit, waaronder een ontslagbesluit, de stem van de voorzitter doorslaggevend is, is daarmee onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat de voorzitter van de RvT het gezag uitoefent over appellante. 9.5.5. Appellante heeft ter zitting van de Raad gesteld dat zij ook uitvoerende werkzaamheden heeft verricht. Ook is gesteld dat zij feitelijk werkzaam geweest zou zijn als bezoldigd bestuurder. Voor zover appellante daarmee beoogt te stellen dat zij in verband met die uitvoerende werkzaamheden dan wel als bezoldigd bestuurder wel werkzaam was in een gezagsverhouding, slaagt deze stelling niet. Nog daargelaten de vraag of een rol als werknemer dan wel bezoldigd bestuurder verenigbaar is met het (ook) zijn van lid van de RvT in diezelfde organisatie, zijn voor de stellingen van appellante geen aanknopingspunten te vinden in de gedingstukken. 9.5.6. Het Uwv heeft in het verweerschrift in beroep van 6 november 2023 het standpunt ingenomen dat wel sprake zou kunnen zijn van een gezagsverhouding als sprake is van een gedelegeerd commissaris. Deze functie moet dan volgens het Uwv uit de statuten blijken en de gedelegeerd commissaris moet (mede)bestuurstaken uitoefenen. Het Uwv heeft gesteld dat daarvan ten aanzien van appellante niet is gebleken. Dit standpunt wordt onderschreven. 9.5.7. Naar het oordeel van de Raad bieden de in 9.5.2 tot en met 9.5.6 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding en (dus) ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en Stichting 1. Het Uwv is dan ook geslaagd in zijn in hiervoor beschreven bewijslast. Appellante heeft niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Daartoe wordt het volgende overwogen. 9.5.8. Ter onderbouwing van de stelling dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst heeft appellante, naast hetgeen hierboven al is besproken, verwezen naar een rapport van 14 februari 2024 van de Belastingdienst. Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar de in het rapport omschreven reikwijdte van het onderzoek, op het standpunt gesteld dat het onderzoek van de Belastingdienst zich niet richtte op de vraag of appellante werkzaam was in een verzekerde arbeidsverhouding, maar op de door Stichting 1 betaalde vergoedingen, die uiteindelijk zijn aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden waarover (alsnog) inkomstenbelasting moet worden betaald. Het standpunt van het Uwv, dat de Belastingdienst geen onderzoek heeft verricht naar en geen standpunt heeft ingenomen over de arbeidsverhouding tussen Stichting 1 en appellante wordt onderschreven. Aan dat rapport wordt dan ook geen onderbouwing ontleend voor de stelling van appellante dat zij werkzaam was op basis van een verzekerde arbeidsverhouding. 9.5.9. Appellante heeft gewezen op een beslissing op bezwaar van 30 april 2024 van het Uwv in het kader van compensatie van de door Stichting 1 aan [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] betaalde transitievergoeding. Daaruit blijkt volgens appellante dat het Uwv (toch) het standpunt inneemt dat een bestuurder van Stichting 1 een werknemer is. Dat standpunt van appellante wordt niet gevolgd, reeds omdat zij geen bestuurder was van Stichting 1 maar lid van de RvT. Stichting 2 9.5.10. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel inzake Stichting 2 blijkt dat [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] (enig) bestuurder was ten tijde van de werkzaamheden van appellante voor Stichting 1. In een arbeidsovereenkomst van 1 januari 2018, namens Stichting 2 gesloten door [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] , is (onder meer) vermeld dat appellante per 1 januari 2018 de functie van verzorgende bekleedt voor onbepaalde tijd en voor minimaal zestien uur per week. Vervolgens heeft Stichting 2 de inkomstenverhouding met appellante op 21 juni 2018 met terugwerkende kracht in de polisadministratie aangemeld tot 1 januari 2018. 9.5.11. Appellante heeft wat betreft de arbeidsverhouding tussen appellante en Stichting 2 een beroep gedaan op de rechtspraak van de Raad inzake de zogenoemde formele benadering in arbeidsverhoudingen tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon. Deze rechtspraak is evenwel niet van toepassing op een arbeidsverhouding als die van appellante als verzorgende bij Stichting 2. 9.5.12. Ten tijde van de werkzaamheden van appellante voor Stichting 2 was [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] de enige bestuurder en heeft Stichting 2 alleen loonaangifte gedaan voor appellante en [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] . Niet in geschil is dat appellante en [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] samen drie kinderen hebben en beiden voor een gelijk deel een recht van erfpacht hebben op het adres [adres] te [woonplaats] , waar appellante woonachtig is. Daarmee bestaat een zeer nauwe band tussen [naam huidig bestuurder van stichting 1 en voormalig bestuurder van stichting 2] en appellante, wat een element is dat betrokken kan worden bij de beoordeling zoals die is weergegeven in 9.1 en 9.2. Stichting 2 heeft de arbeidsverhouding met appellante pas op 21 juni 2018 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 aangemeld in de polisadministratie. Uit de polisadministratie blijkt dat het loon van appellante voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 12 december 2018 niet overeenkwam met wat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Uit de polisadministratie blijkt voorts dat het loon van appellante in oktober 2018 en november 2018 (de maanden voor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) meer dan verdubbelde, namelijk van € 1.606,- voor 107 uur per maand in de maanden april 2018 tot en met september 2018 naar € 3.648,67 voor 107 uur per maand in de maanden oktober 2018 en november 2018). Een aannemelijke verklaring daarvoor is niet gegeven. Tot slot roept de (inhoud en redactie van de) arbeidsovereenkomst van 1 januari 2018, ook bezien tegen de achtergrond van de inhoud van de toepassing zijnde CAO VVT, diverse vragen op die ter zitting van de Raad niet konden worden beantwoord door de gemachtigde van appellante of door de gestelde werkgever. 9.5.13. Naar het oordeel van de Raad bieden de in 9.5.12 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding en (dus) ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en Stichting 2. Het Uwv is dan ook geslaagd in zijn in de eerder beschreven bewijslast. Appellante heeft niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Daartoe wordt het volgende overwogen. 9.5.14. Ter onderbouwing van de stelling dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst heeft appellante, naast hetgeen hierboven al is besproken, verwezen naar een rapport van 20 februari 2024 van de Belastingdienst. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek van de Belastingdienst zich niet richtte op de vraag of appellante werkzaam was in een verzekerde arbeidsverhouding maar op de door Stichting 2 betaalde vergoedingen, die uiteindelijk zijn aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden waarover (alsnog) inkomstenbelasting moet worden betaald. Het standpunt van het Uwv dat de Belastingdienst geen onderzoek heeft verricht naar, en geen standpunt heeft ingenomen over de arbeidsverhouding tussen Stichting 2 en appellante, wordt onderschreven. Aan dat rapport wordt dan ook geen onderbouwing ontleend voor de stelling van appellante dat zij werkzaam was op basis van een verzekerde arbeidsverhouding. 9.5.15. Uit 9.5.2 tot en met 9.5.14 volgt dat het Uwv op grond van de artikelen 30a en 33 van de ZW, artikel 3:16, eerste lid, aanhef en onder b en m, van de WAZO in combinatie met de artikelen 30a en 33 van de ZW en de artikelen 76 en 77 van de Wet WIA gehouden is de uitkeringen in te trekken (te herzien wat betreft de Wet WIA) en terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende red