Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBAMS:2026:6633 Rechtbank Amsterdam , 25-06-2026 / 13-337494-25

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-337494-25 Datum uitspraak: 25 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 14 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door the Public Prosecutor’s Office at the Judicial Court of Valence, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Oezbekistan, voormalige Sovjet-Unie) op [geboortedag] 1976, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 2 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 17 juni 2026 om een detentiegarantie van de Franse autoriteiten voor de opgeëiste persoon af te wachten. Zitting van 17 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Oezbeekse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Penal Court of Valence van 9 september 2025. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Accessoire overlevering voor feit 2 De rechtbank stelt vast dat in Frankrijk voor feit 2 alleen een geldboete kan worden opgelegd. Deze straf voldoet dus niet aan het vereiste dat in de uitvaardigende lidstaat op het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Het feit is overigens wel strafbaar naar Nederlands recht en levert op: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10:1 van de Algemene douanewet . De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de overlevering voor feit 2. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW en gebruik te maken van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 7, zesde lid, OLW, aangezien feit 2 geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. De rechtbank overweegt dat het EAB ziet op twee feiten waarvan feit 1 door de uitvaardigende justitiële autoriteit is aangewezen als een lijstfeit (zie hiervoor onder 4.1). Gelet op het bepaalde in artikel 7, zesde lid, OLW kan de rechtbank daarom ook voor feit 2 de overlevering toestaan. De rechtbank maakt van deze mogelijkheid gebruik en overweegt hierbij dat door de accessoire overlevering alle beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon tegelijk kunnen worden afgedaan. Dit is in het belang van een effectieve rechtspleging en - omdat mogelijk een strafoplegging volgt na overlevering - in het belang van het voorkomen van straffeloosheid. Dat alle beschuldigingen tegelijk worden afgedaan, is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de opgeëiste persoon. 5 Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden Inleiding In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf korter dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd. Voor de opgeëiste persoon geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk. Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 1 april 2026 gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na zijn overlevering zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn. Op 5 juni 2025 heeft the French Republic Ministry of Justice, Department of Criminal Cases and Pardons - kort gezegd - geantwoord dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in de gevangenis van Marseille zal worden gedetineerd. Op aanvullende vragen van het IRC van 10 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op diezelfde dag geantwoord dat geen aanvullende garanties kunnen worden gegeven voor de opgeëiste persoon ten aanzien van de gevangenis in Marseille. Daarom zal naar een andere geschikte detentie-instelling worden gezocht. Per ongedateerde mail (waarvan de officier van justitie ter zitting heeft aangegeven dat deze op 12 juni 2026 om 16:12 uur is verstuurd) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit, voor zover hier relevant, de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ (…) I have laid my choice on the prison within my jurisdiction, namely the Valence prison, which admittedly had an overcrowding rate that may initially seem prohibitive, but which you will find attached a commitment from its acting director to guarantee him the principle of individual cell occupancy and all the guarantees required by the ECHR. ” Als bijlage bij bovengenoemde mail van 12 juni 2026 is een mail van 9 juni 2026 van the Acting Director of the Penitentiary Centre of Valence verstrekt, waarin het volgende staat: “ In response to your request to guarantee [opgeëiste persoon] individual detention in the very near future, I can assure the respect of individual detention for the person lodging him in a single cell measuring 8.5 m2, including 1.4 m2 for the shower and toilet, in accordance with the circular of March 16, 1988. ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Uit de aanvullende informatie van 5 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon mogelijk in de gevangenis van Marseille wordt gedetineerd. Het is echter onduidelijk over hoeveel persoonlijke leefruimte de opgeëiste persoon in de gevangenis van Marseille zal kunnen beschikken en hoelang hij in deze gevangenis zal worden geplaatst. De aanvullende informatie van 9 juni 2026 is ook onvoldoende. Het is de vraag of the Acting Director of the Penitentiary Centre of Valence kan worden gezien als de autoriteit die bevoegd is om een individuele detentiegarantie af te geven. Vervolgens is op 11 juni 2026 door the French Republic Ministry of Justice, Department of Criminal Cases and Pardons gelijkluidende informatie verstrekt als op 5 juni 2026, met als enige verschil dat de informatie nu ziet op de gevangenis van Valence. Aangezien het niet duidelijk is of de opgeëiste persoon over een persoonlijke leefruimte van meer dan 3 m2 kan beschikken, wordt door de verstrekte aanvullende informatie het algemeen gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon niet weggenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in de gevangenis van Valence in een eenpersoonscel met een oppervlakte van 8.5 m2, inclusief 1.4 m2 sanitair. De door de Franse autoriteiten verstrekte individuele detentiegarantie neemt het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt, op grond van de aanvullende informatie van 9 juni 2026 en 12 juni 2026, die ziet op de plaatsing van de opgeëiste persoon in de gevangenis van Valence, vast dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in een eenpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van 8.5 m2, inclusief 1.4 m2 aan sanitaire voorzieningen. Hoewel het niet aan de rechtbank is om zelf een berekening te maken, stelt de rechtbank in dit geval aan de hand van een zeer eenvoudige rekensom (namelijk 8.5 m2 min 1.4 m2) vast dat de opgeëiste persoon over een persoonlijke leefruimte van ruim 7 m2 in een eenpersoonscel zal beschikken. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat the Acting Director of the Penitentiary Centre of Valence niet bevoegd was om de individuele garantie van 9 juni 2026 te geven, in het bijzonder omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit op 12 juni 2026 heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon in de gevangenis van Valence zal worden geplaatst onder verwijzing naar de hiervoor genoemde garantie van the Acting Director of the Penitentiary Centre of Valence . Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de individuele garantie. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met de gegeven individuele garantie het aangenomen algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Franse Huizen van Bewaring voor mannen ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staan dan ook niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 10:1 Algemene douanewet en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor’s Office at the Judicial Court of Valence (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751. Rb. Amsterdam 20 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4875.