ECLI:NL:RBOVE:2026:3724 Rechtbank Overijssel , 30-06-2026 / 08.341114.25
Rechtbank Overijssel
Case Summary
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.341114.25 (P) Datum vonnis: 30 juni 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, postadres te [adres 1] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M. Breukink, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) door [naam] , medewerker van Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 16 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 11 tot en met 14 december 2025 samen met anderen [slachtoffer] heeft opgelicht (primair) , of dit op 14 december 2025 heeft geprobeerd (subsidiair) . Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op/in of omstreeks de periode van 11 december 2025 tot en met 14 december 2025 te Staphorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van: • 21.900 euro, althans enig geldbedrag, • een of meerdere sieraden, • een of meerdere munten en/of, • een of meerdere antieke spullen, althans enig goed, door - één of meermalen (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde [slachtoffer] en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker, - die [slachtoffer] mede te delen dat verdachte transacties en/of betalingen waren gedaan met zijn/hun bankrekening en/of die [slachtoffer] te waarschuwen voor mogelijke overvallen vanwege het bezit van waardevolle goederen, - die [slachtoffer] te vragen om contant geld in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden aan een (bank)medewerker die onderweg was naar zijn/hun woning, - die [slachtoffer] te vragen sieraden en/of waardevolle spullen aan te (laten) bieden, teneinde deze door voornoemde (bank)medewerker in veiligheid te laten brengen, - die [slachtoffer] te instrueren om betalingen in zijn/hun online bankierenomgeving te doen en/of goed te keuren en/of een of meerdere geldbedragen (laten) pinnen, - die [slachtoffer] te instrueren om meerdere applicaties (waaronder Quicksupport Teamviewer, AVG en Revolut Bank app) op zijn telefoon te installeren en/of - bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan, zich daarbij voor te doen als bank- en/of beveiliging- en/of politiemedewerker en om afgifte van geld en goederen te vragen waardoor voornoemde [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op/in of omstreeks 14 december 2025 te Staphorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door - één of meermalen (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde [slachtoffer] en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker, - die [slachtoffer] mede te delen dat verdachte transacties en/of betalingen waren gedaan met zijn/hun bankrekening en/of die [slachtoffer] te waarschuwen voor mogelijke overvallen vanwege het bezit van waardevolle goederen, - die [slachtoffer] te vragen om contant geld in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden aan een (bank)medewerker die onderweg was naar zijn/hun woning, - die [slachtoffer] te vragen sieraden en/of waardevolle spullen aan te (laten) bieden, teneinde deze door voornoemde (bank)medewerker in veiligheid te laten brengen, - die [slachtoffer] te instrueren om betalingen in zijn/hun online bankierenomgeving te doen en/of goed te keuren en/of een of meerdere geldbedragen (laten) pinnen, - die [slachtoffer] te instrueren om meerdere applicaties (waaronder Quicksupport Teamviewer, AVG en Revolut Bank app) op zijn telefoon te installeren en/of - bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan, zich daarbij voor te doen als bank- en/of beveiliging- en/of politiemedewerker en om afgifte van geld en goederen te vragen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3 De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs voor betrokkenheid. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw primair verzocht om vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor wetenschap en een nauwe en bewuste samenwerking. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De redengevende feiten en omstandigheden Op 13 december 2025 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van bankhelpdeskfraude. Hij werd op 11 en 12 december 2025 gebeld door een persoon die zich voorstelde als ‘ [alias] ’, en die zich voordeed als een medewerker van de ABN AMRO bank. Deze bankmedewerker zei tegen [slachtoffer] dat er vreemde transacties zichtbaar waren op zijn bankrekening en dat er aanwijzingen waren dat een overval zou worden gepleegd op zijn woning omdat hij waardevolle spullen had. Daarom instrueerde de bankmedewerker [slachtoffer] om een grote hoeveelheid contant geld op te nemen en dit contant geld aan iemand af te geven. Ook moest [slachtoffer] een geldbedrag overmaken naar een bankrekening en de waardevolle spullen aan iemand afgeven. Op zowel 12 als 13 december 2025 verscheen een persoon bij de woning van [slachtoffer] die zich voordeed als een medewerker van de politie om het gepinde contante geld en de waardevolle spullen (sieraden en antiek) op te halen. Om de fraudeurs op heterdaad te betrappen deden verbalisanten zich op 14 december 2025 om 9:30 uur via de telefoon voor als [slachtoffer] . Zij zeiden tegen ‘ [alias] ’ dat zij nog meer geld en sieraden in de woning hadden gevonden. Kort daarna berichtten ‘ [alias] ’ aan [slachtoffer] dat er iemand naar de woning zal komen om het geld en de sieraden op te halen. Omstreeks 15:30 uur werd [slachtoffer] gebeld en zei ‘ [alias] ’ dat het nog maximaal een half uur zal duren. Om 15:55 uur werd er een ANPR-passage geregistreerd op de A28 in de richting van [plaats 2]. Deze passage had betrekking op een Volkswagen Polo, met kenteken [kenteken] . Op datzelfde moment liet ‘ [alias] ’ aan [slachtoffer] weten dat iemand bijna bij zijn woning was. Om 16:16 uur zag een verbalisant een jongeman lopen. Hij keek eerst wat zoekend om zich heen en belde vervolgens aan bij de woning van [slachtoffer] . Deze persoon werd aangehouden en bleek medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) te zijn. In een parkeervak een paar straten verderop van de woning stond de eerdergenoemde Volkswagen Polo. Verbalisanten zagen dat de bestuurder zijn omgeving scherp in de gaten hield. De bestuurder werd aangehouden en bleek verdachte te zijn. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem ophaalde en dat zij samen naar de woning van [slachtoffer] zijn gereden. Onderweg ontving hij via Snapchat een instructie van ‘ [gebruikersnaam] ’ om zich voor te doen als een medewerker van de politie en een verificatiecode te noemen. Verdachte vertelde aan [medeverdachte] hoe hij naar de woning moest lopen en dat hij daar iets, mogelijk goud, moest ophalen. Verdachte heeft verklaard dat hij op 14 december 2025 als ‘snorder’ iemand heeft vervoerd van [plaats 1] naar [plaats 2]. Hij is op Snapchat door een account met de naam ‘ [gebruikersnaam] ’ benaderd met de vraag of hij tegen betaling iemand naar een bepaald adres wilde brengen. Verdachte heeft hier - zonder enige vragen te stellen - mee ingestemd. De overweging van de rechtbank Ten aanzien van het primair ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichtingshandelingen die hebben plaatsgevonden vóór 14 december 2025. Gelet hierop acht de rechtbank niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er is door een combinatie van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen geprobeerd [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van geld en goederen, waarbij degene die zich hieraan schuldig hebben gemaakt, handelde met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte bij de oplichting betrokken was en zo ja, of zijn bijdrage aan de oplichting kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Zij overweegt daartoe als volgt. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat verdachte op 14 december 2025 de rol van chauffeur vervulde door [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] te vervoeren. Verdachte heeft dit ter zitting ook bekend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap had van de oplichtingsgedragingen ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte instructies heeft gegeven aan [medeverdachte] . Hij heeft hem verteld hoe hij naar de woning van [slachtoffer] moest lopen en dat hij daar spullen, mogelijk goud, moest ophalen. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte op de hoogte was van de oplichtingshandelingen en dus wist dat hij werd ingeschakeld om [medeverdachte] ten behoeve van bankhelpdeskfraude te vervoeren. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de rol van verdachte dusdanig beperkt is dat niet kan worden gesproken van (een poging tot) medeplegen. De rechtbank volgt de raadsvrouw hierin niet. Hoewel het niet verdachte zelf was die telefonisch contact onderhield met [slachtoffer] , en verdachte ook niet het geld en de goederen bij de woning van [slachtoffer] heeft opgehaald, was zijn bijdrage als vervoerder van de persoon die wel het geld en de goederen bij de woning van [slachtoffer] ging ophalen wel onmisbaar in de poging om de oplichting te laten slagen. [medeverdachte] was afhankelijk van verdachte om hem naar [slachtoffer] toe te brengen en verdachte gaf aanwijzingen aan [medeverdachte] over hoe hij bij de woning van [slachtoffer] moest komen en wat hij daar kon meenemen. Verdachte en [medeverdachte] zijn gezamenlijk naar [plaats 2] gereden. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s). Er was een duidelijk onderlinge taakverdeling en verdachte heeft als vervoerder een significante bijdrage geleverd aan de poging tot oplichting, zodat sprake is van medeplegen. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 14 december 2025 te Staphorst, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan, zich daarbij voor te doen als politiemedewerker en om afgifte van geld en goederen te vragen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47 en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: subsidiair het misdrijf: poging tot medeplegen van oplichting . 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting. Met hun handelwijze hebben verdachte en de mededaders misbruik gemaakt van het vertrouwen van [slachtoffer] in zijn medemens en de autoriteiten. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat mede door het handelen van verdachte zijn gevoel van veiligheid en vertrouwen ernstig is geschaad. De rechtbank rekent het verdachte aan dat de oplichting was gericht op een oudere man. Verdachte heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en niet stil gestaan bij de impact en gevolgen voor [slachtoffer] . Dat het enkel bij een poging is gebleven is niet te danken aan verdachte. Alvorens de poging kon slagen werd verdachte aangehouden door de politie. De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2024 eerder is veroordeeld voor een poging tot medeplegen van oplichting. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 9 juni 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van een patroon van vermogensdelicten. De reclassering schat het risico op recidive dan ook in als hoog. In 2014 is verdachte gediagnosticeerd met een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, reactieve hechtingsstoornis en een beneden gemiddeld IQ. Sindsdien hebben reclasseringstrajecten geen effect gehad en heeft er nooit een succesvolle behandeling plaatsgevonden. Dit kwam met name doordat verdachte geen bereidheid toonde tot gedragsverandering. Verdachte heeft bij de reclassering laten weten een nieuwe kans te willen en zijn delictverleden achter zich te willen laten. De reclassering acht toezicht geïndiceerd om het risico op recidive te beperken maar twijfelt aan de mate waarin verdachte in staat is om zich aan het plan van aanpak te houden. Mocht verdachte willen meewerken aan bijzondere voorwaarden, adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijk straf met de volgende voorwaarden: - meldplicht; - diagnostiek en ambulante behandeling; - verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - contactverbod met medeverdachte; en - dagbesteding. De op te leggen straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot medeplegen van oplichting. De destijds opgelegde taakstraf en het reclasseringstoezicht hebben hem er niet van weerhouden om nogmaals de fout in te gaan. Gelet hierop, in combinatie met de ernst van het feit, kan niet anders worden gereageerd dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal ook een voorwaardelijk deel opleggen op als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte nogmaals zal recidiveren. Anders dan de officier van justitie en raadsvrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierbij bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft meerdere kansen bij eerdere reclasseringstrajecten gehad, maar deze hebben wegens een gebrek aan inzet en motivatie niet tot de gewenste gedragsverandering geleid. Indien verdachte daadwerkelijk gemotiveerd is om een behandeling aan te gaan, is dit mogelijk in een vrijwillig kader. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht. 7 De schade van benadeelde 7.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 304.942,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - bedrag via online bankieren overgeschreven € 1.400,00; - bedragen contant opgenomen van rekening € 10.000,00; - contant geldbedrag van zwager € 10.500,00; - aanschafkosten paspoort en ID € 224,45; - aanschafkosten beveiliging camera’s € 83,89; - sieraden en antieke spullen € 281.983,95. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,00 gevorderd. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk, te weten voor € 165.158,34, hoofdelijk kan worden toegewezen en het overige deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de gedraging en de schade. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van het materiële deel verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu het uitzoeken van de daadwerkelijke waarde van de sieraden een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft het subsidiair ten laste gelegde, de poging tot medeplegen van oplichting op 14 december 2025, bewezen verklaard. [slachtoffer] heeft als gevolg van de door verdachte en zijn mededaders gepleegde handelingen op 14 december 2025 geen schade geleden. De aangevoerde posten zien op de oplichtingshandelingen die uitgevoerd zijn voorafgaand aan 14 december 2025, waar verdachte voor is vrijgesproken. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. 8. De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr. 9 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: subsidiair het misdrijf: poging tot medeplegen van oplichting ; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden ; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: - stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; schadevergoeding - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. Buiten staat Mr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025602779. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. 1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte: Op 14 december 2025 heb ik als snorder iemand opgehaald in [plaats 1] en naar een adres in [plaats 2] gebracht. Ik ben op Snapchat door ‘ [gebruikersnaam] ’ benaderd met de vraag of ik iemand wilde ophalen en naar een bepaald adres wilde toebrengen. Ik heb geen vragen gesteld en heb dit gedaan. Ik zou er geld voor krijgen; 2. Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 15 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven, pagina 141: Ik was via Snapchat door ‘ [gebruikersnaam] ’ gevraagd voor een job. Ik zou door een driver opgehaald worden. De jongen op Snapchat zei dat er een zwarte polo klaar zou staan. Ik kreeg de opdracht om als iemand van de politie aan de deur te gaan en de code 419 te melden. Ik zou dan spullen krijgen. Ik vroeg de driver wat ik moest doen. Hij vertelde mij waar ik naartoe moest lopen. Er waren zeven straten en ik moest de zesde straat in. Daar zou ik wat ophalen. Het ging mogelijk om goud. Toen ik daar kwam werd de deur geopend door een oudere man. Ik liep naar binnen; 3. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 13 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 37: Op donderdag 11 december werd ik gebeld door een ‘ [alias] ’ van de beveiliging van de ABN AMRO. De bankmedewerker zei dat er vreemde transacties waren gedaan en dat er overal zou komen op onze woning; 4. Het proces-verbaal van bevindingen pseudokoop van 15 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, pagina 25: Op zondag 14 december 2025 bevonden wij ons in de woning van aangever [slachtoffer] , gelegen aan de [adres 2] . Wij zagen dat op zondag 14 december 2025 om 09:29 uur [alias] aan de aangever: "Goedemorgen" stuurde en vroeg "Bent u nog gebeld meneer. Hierop heb ik, verbalisant, met de telefoon van aangever [slachtoffer] meerdere berichten verstuurd naar [alias] . lk gaf mij hierbij voor als aangever [slachtoffer] . In deze berichten gaf ik aan dat er nog geld was gevonden en wat ik hiermee moest. lk stuurde ook dat er nog sieraden gevonden waren en wat ik hiermee moest. Het gesprek ging vervolgens verder over het ophalen van dit geld en sieraden. Omstreeks 15:30 uur werd door deze [alias] telefonisch aangegeven dat het nog maximaal een half uur zou duren voordat er iemand langs zou komen. Omstreeks 15:57 uur kreeg ik van collega's door dat er een verdacht voertuig door de ANPR kwam vanuit het noorden over de A28. Op dit voertuig stond een aandacht vestiging met betrekking tot betrokkenheid bij bankpasfraude. Dit betrof een Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] . Rond dit tijdstip werd door [alias] tegen de aangever gezegd dat er bijna iemand was; 5. Het proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven, pagina’s 120-121: Op zondag 14 december 2025 te 16:16 uur zag ik, [medeverdachte] , een jongen lopen op de stoep over de [adres 3] , komende uit de richting van de [adres 4] en gaande in de richting van de [adres 2] . Ik zag hem om zich heen kijken. Ik hoorde dat collega's hoorden dat hij aanbelde bij de woning van aangever. Kort hierop werd de eerdergenoemde jongen in de woning aangehouden. De jongen bleek te zijn genaamd verdachte [medeverdachte] . Direct na de aanhouding ben ik in de directe nabijheid van de woning van aangever gaan kijken of ik daar een verdacht voertuig zag staan. Ik reed over de [adres 3] en zag op de kruising met de [adres 4] in een parkeervak een Volkswagen Polo staan met kenteken [kenteken] . Dit was de auto welke kort hiervoor gehit had op de ANPR A28 nabij [plaats 2]. Ik zag dat er nu een (1) persoon achter het stuur zat. Ik zag dat deze persoon de omgeving scherp in de gaten hield. Ik gaf mijn bevindingen door aan collega's van de Ondersteuningsgroep wie verdachte aan hielden. De bestuurder/inzittende bleek verdachte [verdachte] te zijn.