Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RVS:2026:3775 Raad van State , 17-06-2026 / 202402384/1/A3

Raad van State

Raad van State

Case Summary

202402384/1/A3. Datum uitspraak: 17 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in De Lier, gemeente Westland, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. 23/3099 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Westland. Openbare zitting gehouden op 17 juni 2026 om 10:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer griffier: mr. C.D. Westerbaan Verschenen: [appellanten], bijgestaan door mr. A. Orhan, advocaat in Den Haag. ==================================== Bij afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2022 heeft het college de verzoeken van [appellanten] om correctie van hun gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2023 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt het college van burgemeester en wethouders van Westland op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, de gebreken uit het besluit van 21 maart 2021, kenmerk CB22-00259, te herstellen door dat alsnog deugdelijk te motiveren, dan wel een nieuw besluit te nemen, dat op wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling mee te delen. Gronden: 1. [appellant A] heeft op 13 april 2022 een verzoek om correctie van zijn huwelijksgegevens in de brp ingediend bij het college. Daarbij heeft hij gevraagd om de naamsgegevens van zijn echtgenote, haar geboortedatum en de huwelijksdatum als volgt te wijzigen: - wijziging van de naam van [appellant B] met geboortedatum van [geboortedatum] 1980 (gegevens HHO) in [naam] met de geboortedatum [geboortedatum] 1985 (gegevens BJA); - wijziging van de huwelijksdatum van [datum] 1998 in [datum] 2005. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft [appellant A] een originele huwelijksakte uit Irak met gegevens van [appellant A] en gegevens BJA en een uittreksel registratie geboorte uit Irak van hemzelf verstrekt. 2. [appellant B] heeft op 13 april 2022 een verzoek om correctie van persoonsgegevens in de brp ingediend bij het college. Ze heeft gevraagd om wijziging van haar naam en geboortedatum zoals ook [appellant A] die heeft verzocht. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [appellant B] de volgende documenten verstrekt: - een uittreksel van inschrijving uit Irak met gegevens BJA; - een kopie persoonlijk identiteitsbewijs uit Irak met gegevens BJA; - een kopie Iraaks nationaliteitsbewijs met gegevens BJA; - een kopie Iraaks paspoort met gegevens BJA met geldigheid tot 14 juli 2026; - een uittreksel geboortegegevens met gegevens BJA; - een originele huwelijksakte uit Irak met gegevens BJA. 3. Bij afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2022 heeft het college de correctieverzoeken afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2023 is het college bij de afwijzingen gebleven. 4. De rechtbank heeft overwogen dat bij de verzoeken brondocumenten zijn verstrekt die door Bureau Documenten als echt zijn beoordeeld. Van [appellant B] bestaan nu twee sets met brondocumenten die als echt zijn beoordeeld en geaccepteerd, waaronder twee paspoorten, met verschillende persoonsgegevens. Uit de brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met daaraan ten grondslag gelegde nadere bewijsmiddelen, volgt volgens de rechtbank niet buiten redelijke twijfel dat de daarin opgenomen persoonsgegevens van [appellant B] juist zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de correctieverzoeken pas in 2022 zijn gedaan en bij de geboorte van vijf kinderen steeds als moeder de naam [appellant B] is opgegeven. Hiervoor hebben [appellanten] volgens de rechtbank geen goede verklaring gegeven en dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid. Het gezichtvergelijkend onderzoek en het verwantschapsonderzoek zeggen niets over de juistheid van de persoonsgegevens. 5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel is dat de in de nieuwe brondocumenten vermelde persoonsgegevens juist zijn. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank het begrip ‘buiten redelijke twijfel’ te streng heeft opgevat. Zij wijzen op de hoeveelheid overgelegde en echt bevonden brondocumenten, die deels ook van een hogere rangorde zijn. Dat de correctieverzoeken pas in 2022 zijn gedaan en niet tijdens de geboorteaangiften van de vijf kinderen, betekent niet dat de nu overgelegde brondocumenten onjuist zijn, aldus [appellanten]. 6. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, (overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) vernieuwd. Daarin heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken om persoonsgegevens in de brp te wijzigen. Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd. De Afdeling zal voor de beoordeling van het hoger beroep uitgaan van dit vernieuwd beoordelingskader. 7. De Afdeling stelt voorop dat een standpunt van het college over de rectificatieverzoeken in het kader van het nieuwe beoordelingskader is uitgebleven. Zo zijn de schriftelijke uiteenzetting en het nader stuk van het college nog van vóór de overzichtsuitspraak. De Afdeling heeft op 14 november 2025 naar partijen een brief gestuurd waarin is gewezen op de overzichtsuitspraak. Daarin is gevraagd om een reactie op de vraag of het nieuwe beoordelingskader gevolgen heeft voor de rectificatieverzoeken in deze procedure. Het college heeft op deze brief niet gereageerd. Daarnaast is het college, zonder opgaaf van reden, niet op de zitting bij de Afdeling verschenen. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het besluit van het college van 21 maart 2023 er geen blijk van dat het college de vereiste stappen heeft doorlopen om vast te stellen of buiten redelijke twijfel is dat de gestelde gegevens juist zijn. Daarom moet het college dit gebrek herstellen. De Afdeling zal hieronder uitleggen hoe het college dat moet doen. 8. De Afdeling overweegt om te beginnen dat het college heeft aangenomen dat alle door [appellanten] overgelegde brondocumenten echt zijn. Daarvan wordt dus uitgegaan. Het college moet eerst per overgelegd buitenlands document motiveren of sprake is van een brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp en zo ja van welke orde. Het college heeft in het besluit van 21 maart 2023 alleen expliciet het overgelegde paspoort van [appellant B] beoordeeld en aangenomen dat het geen brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Het college dient deze beoordeling uit te voeren aan de hand van de in de overzichtsuitspraak uiteengezette stappen. Het college moet dit ook voor de overige overgelegde buitenlandse documenten doen. In het besluit van 21 maart 2023 is overwogen dat geen brondocumenten als bedoeld onder a tot en met c van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp zijn overgelegd, maar onduidelijk is waarop het college deze vaststelling baseert. Als het college twijfelt aan het origineel bevonden overgelegde paspoort van [appellant B] dan moet het college aannemelijk maken dat het paspoort niet is opgemaakt door een bevoegde instantie volgens de plaatselijke voorschriften. Dat heeft het college in het besluit van 21 maart 2023 niet gedaan. Als het een ander document is dan een paspoort ligt dat op de weg van [appellant B] en [appellant A]. Als tussen partijen niet in geschil is dat de overgelegde documenten brondocumenten zijn, betekent dat niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. Als het college namelijk twijfelt aan de juistheid of rechtsgeldigheid van de feiten in de buitenlandse brondocumenten, dat zal het college aannemelijk moeten maken dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek is gedaan voorafgaand aan de afgifte van die buitenlandse brondocumenten. Daarbij kan het college bijvoorbeeld het Ambtsbericht van Irak betrekken. Zie hiervoor verder de overzichtsuitspraak, onder 6.2. Als de rechtsgeldigheid van de buitenlandse brondocumenten vaststaat, moet gekeken worden of een verband kan worden gelegd tussen de aanvrager en de gegevens in het buitenlandse brondocument. De aanvrager heeft de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking op hem heeft. Als het college zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat dat niet zo is, bijvoorbeeld door te wijzen op verschillen tussen uiterlijke kenmerken van de aanvrager en foto’s die voorkomen op die documenten, moet het dat standpunt zo veel mogelijk van bewijs voorzien. De aanvrager moet dan aannemelijk maken dat, kortgezegd, hij wel degene is over wie het document gaat. Dit is mogelijk met alle daartoe dienstige bewijsmiddelen. Zie de overzichtsuitspraak, onder 9. De Afdeling verwijst voor het volledige beoordelingskader naar de overzichtsuitspraak. 9. De conclusie is dat het besluit van 21 maart 2023 in strijd met de artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding het college op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit te herstellen binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. In dat kader moet het college het besluit, met inachtneming van hetgeen onder 6 tot en met 8 is overwogen alsnog toereikend motiveren, dan wel een nieuw besluit nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en aan de Afdeling meedelen. 10. In de einduitspraak wordt beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Westerbaan griffier 1050