ECLI:NL:RVS:2026:3763 Raad van State , 17-06-2026 / 202500079/1/A3
Raad van State
Case Summary
202500079/1/A3. Datum uitspraak: 17 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 8 november 2024 in zaak nr. 23/5551 in het geding tussen: [appellante] en de staatssecretaris voor Rechtsbescherming. Openbare zitting gehouden op 17 juni 2026 om 12:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer griffier: mr. C.D. Westerbaan Bij besluit van 11 april 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om rectificatie van twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming over haar zoon gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 24 april 2023 heeft de staatssecretaris het besluit van 11 april 2023 herzien door nog enkele documenten bij te voegen. Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 8 november 2024. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Gronden: 1. [appellante] wenst het gezag over haar oudste zoon terug te krijgen en het contact met hem te herstellen. Zij voert daartoe verschillende procedures, onder andere bij de familierechter over het hervatten van de omgangsregeling met hem. Volgens [appellante] wordt steeds teruggegrepen op de in haar ogen grotendeels onjuiste informatie in de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) van 3 mei 2018 en 15 oktober 2018 over haar oudste zoon. [appellante] heeft daarom op 26 januari 2023 de staatssecretaris verzocht om rectificatie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), van deze rapporten. Bij besluit van 11 april 2023 heeft de staatssecretaris het rectificatieverzoek van [appellante] voor een deel gehonoreerd en de bedoelde rapporten aangepast, omdat verschillende onjuistheden zijn geconstateerd. Over de klachten over het handelen of nalaten van de RvdK zelf heeft de staatssecretaris aangegeven dat de AVG-procedure daar niet voor is bedoeld. Bij besluit van 24 april 2023 heeft de staatssecretaris het besluit van 11 april 2023 herzien door nog enkele documenten bij te voegen. Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft overwogen dat het in artikel 16 van de AVG neergelegde correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee [appellante] zich niet kan verenigen te corrigeren of te verwijderen. Het is niet aan de bestuursrechter om te beoordelen welke gevolgen de RvdK of civiele rechter in het kader van de gezagsbeëindiging en uithuisplaatsing zou moeten verbinden aan de gerectificeerde rapportages. Op het verzoek van [appellante] tot wissing is in een andere procedure al beslist. De staatssecretaris heeft niet hoeven overgaan tot verdergaande rectificatie. Feitelijk wil [appellante] het gezag over haar oudste zoon terugkrijgen en het contact met hem herstellen, maar tot dat resultaat kan het verzoek op grond van artikel 16 van de AVG niet leiden. 3. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar meest essentiële beroepsgronden, namelijk dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging van het directe gezag en voor de uithuisplaatsing door het ontbreken van feitelijke waarnemingen en constateringen. Verder heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de arresten van 12 juli 2001, K en T/Finland, nr. 25702/94, en 8 april 2003, Haase/Duitsland, nr. 11057/02, overwogen dat het weghalen van een kind vlak na de geboorte in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Tot slot voert zij aan dat de RvdK de melding van Veilig Thuis (VT) Hollands Midden niet had mogen aannemen, omdat VT Hollands Midden het onderzoek niet had mogen verrichten. 4. De Afdeling overweegt hierover als volgt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een verzoek om rectificatie op grond van de AVG zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van het onderzoek van de RvdK of van de juistheid van de resultaten en conclusies ervan over de beëindiging van het gezag, de uithuisplaatsing en de vraag of het weghalen van haar kind vlak na de geboorte in strijd is met artikel 8 van het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1437, onder 4.1). De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3268, over het verzoek van [appellante] om wissing van de rapporten bij de RvdK over haar twee zoons al geoordeeld dat die procedure op grond van de AVG niet kan leiden tot een oordeel over de maatregel tot gezagsbeëindiging. Dat geldt ook voor een rectificatieverzoek op grond van de AVG. Daarbij heeft de rechtbank onder 3.5 terecht overwogen dat de bestuursrechter niet kan beoordelen welke gevolgen de RvdK of de civiele rechter zouden moeten verbinden aan de gerectificeerde rapporten. Voor zover [appellante] aanvoert dat de RvdK de melding van VT Hollands Midden niet had mogen aannemen, omdat VT Hollands Midden het onderzoek niet had mogen verrichten, overweegt de Afdeling, net als de rechtbank, dat dit buiten de omvang van dit geschil valt. Hoewel invoelbaar is dat de rapporten grote gevolgen hebben gehad en mogelijk nog hebben voor [appellante] en haar kinderen, kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat de RvdK geen onderzoek had mogen starten of dat er grond bestaat om tot beëindiging van de maatregelen te komen, zoals [appellante] wil. Er is in hoger beroep niets aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris de rapporten zelf niet verdergaand had hoeven te rectificeren. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Westerbaan griffier 1050