ECLI:NL:RVS:2026:3796 Raad van State , 01-07-2026 / 202301564/1/A3
Raad van State
Case Summary
202301564/1/A3. Datum uitspraak: 1 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Delft, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2023 in zaak nr. 22/1556 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Delft. Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.L. Sett, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Pieter LLB en A. Kaya, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 1 februari 2021 verzocht om wijziging van zijn gegevens in de brp. Het gaat om de wijziging van zijn geslachtnaam van [appellant] naar [naam], zijn geboortedatum van [geboortedatum] 1985 naar [geboortedatum] 1981 en zijn geboorteplaats van Ma Li Wan naar Qingtian. Ook heeft [appellant] verzocht om opneming van oudergegevens. [appellant] heeft bij zijn verzoek onder meer een Chinees paspoort uit 2020, een ‘Certificate of Permanent Residence Registration’ (PSB-verklaring) en een ‘Notarial Certificate’ overgelegd. Bureau Documenten heeft de documenten op echtheid beoordeeld, maar heeft de PSB-verklaring niet kunnen beoordelen omdat het origineel ontbreekt. [appellant] heeft verder nog rapporten van een gezichtsvergelijkend onderzoek en een DNA-verwantschapsonderzoek overgelegd. Het college heeft het verzoek tot wijziging bij het besluit van 23 juni 2021, gehandhaafd bij het besluit van 24 februari 2022, afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat de huidige geregistreerde gegevens onjuist zijn en de nieuwe gegevens juist zijn. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college mocht twijfelen aan de juistheid van het Chinese paspoort, dat [appellant] heeft verkregen nadat hij zijn vorige paspoort was kwijt geraakt. Het college heeft navraag gedaan bij [appellant] en bij de Chinese ambassade over de manier waarop de ambassade het nieuwe paspoort heeft verleend, maar daarover is geen openheid van zaken gegeven. De overige overgelegde documenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als brondocumenten in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Er is geen uitsluitsel gegeven over de juistheid van de afgifte, opmaak en inhoud van de documenten. Er is niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke informatie de Chinese notaris tot zijn verklaring over de identiteit van [appellant] is gekomen, de PSB-verklaring is niet in origineel overgelegd en er is ook geen originele hukou overgelegd. Verder staat volgens de rechtbank niet vast dat de gestelde identiteit aan [appellant] toebehoort. Een beoordeling van het DNA-verwantschapsonderzoek kan pas aan de orde komen als er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat [appellant] is wie hij zegt te zijn, maar daarvoor nader bewijs noodzakelijk is. Volgens de rechtbank is op basis van de overgelegde documenten niet buiten redelijke twijfel dat [appellant] de persoon is die in de overgelegde documenten wordt genoemd. Wettelijk kader 3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat er twijfels zijn over de afgifte van het paspoort. Het is volgens [appellant] algemeen bekend dat Chinese ambassades niet reageren op verzoeken van gemeenten om duidelijkheid. Het college heeft pas in het verweerschrift in de beroepsprocedure haar twijfels geuit dat het onderzoek voorafgaand aan de afgifte van het paspoort niet behoorlijk heeft plaatsgevonden. 4.1. Volgens [appellant] heeft de rechtbank daarnaast ten onrechte geoordeeld dat de Chinese notariële verklaring en de PSB-verklaring geen brondocumenten zijn. Bureau Documenten heeft de notariële verklaring als echt beoordeeld en de PSB-verklaring kan, ondanks het ontbreken van een origineel, als volwaardig brondocument worden aangemerkt. [appellant] verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198. Ook gaat het oordeel van de rechtbank dat een originele hukou moet worden overgelegd te ver, omdat het volgens Chinese wetgeving verboden is een originele hukou uit China te halen. De rechtbank is verder niet ingegaan waarom een overgelegde schoolpas en de ‘Inquiry Result for Exit & Entry Records’ niet als brondocumenten kunnen worden aangemerkt. Uit de overgelegde documenten, in combinatie met het gezichtsvergelijkend onderzoek en DNA-verwantschapsonderzoek, volgt buiten redelijke twijfel dat de in die documenten vermelde persoonsgegevens juist zijn en moeten worden verwerkt in de brp, aldus [appellant]. Beoordeling 5. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling haar beoordelingskader, zoals uiteengezet in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, verder gewijzigd of verduidelijkt. De Afdeling zal hierna het hoger beroep van [appellant] behandelen aan de hand van de uitspraak van 22 oktober 2025. 5.1. Uit de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 7.5, volgt dat de Afdeling de lijn heeft verlaten dat bij een paspoort dat is afgegeven ter vervanging van een paspoort van voor 2012 het onderzoek naar het nieuwe, vervangende paspoort onbehoorlijk is geweest. Bureau Documenten gaat er in de regel van uit dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij Chinese paspoorten die zijn afgegeven na 2012. Het enkele feit dat een paspoort van na 2012 is afgegeven ter vervanging van een paspoort van voor 2012 maakt niet aannemelijk dat ook het nieuwe paspoort op onbehoorlijk onderzoek is gebaseerd. 5.2. Verder volgt uit de uitspraak van 22 oktober 2025 dat het uitgangspunt is dat bij echt bevonden paspoorten behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de gegevens juist zijn. Als het college zich op het standpunt stelt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet het dit aannemelijk maken. Het draagt daarvoor dus de bewijslast. 5.3. Het college heeft gesteld dat niet duidelijk is op welke wijze het paspoort is uitgegeven. Volgens het college had [appellant] voor de onderbouwing van de authenticiteit van het paspoort een hukou, een ziekenhuisverklaring of een PSB-verklaring moeten overleggen waaruit de geboorte blijkt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] dat niet heeft gedaan. 5.4. [appellant] heeft verklaard zijn oude paspoortnummer te hebben overgelegd en de Chinese autoriteiten op basis daarvan en door middel van een vingerafdrukonderzoek zijn identiteit hebben kunnen vaststellen. Daarnaast heeft [appellant] een PSB-verklaring en een gelegaliseerde notariële verklaring overgelegd. Deze documenten zijn afgegeven na verlening van het paspoort. Volgens [appellant] is het voor hem niet mogelijk om een originele hukou of een ziekenhuisverklaring over te leggen. 5.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort. In het geval van [appellant] gaat het om een nieuw paspoort uit 2020 dat dient ter vervanging van een paspoort uit 2008. Dat het college met twee e-mails navraag heeft gedaan bij de Chinese ambassade naar de wijze van afgifte van het geldige paspoort en de ambassade daarop niet heeft gereageerd, is onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Vergelijk daarvoor ook de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 18.2. Er zijn ook geen andere aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden die steun bieden voor het standpunt van het college dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het paspoort uit 2020 is daarmee een brondocument en voorafgaand aan de afgifte daarvan heeft behoorlijk onderzoek plaatsgevonden. Dit betekent dat buiten redelijke twijfel vast staat dat de gegevens in het paspoort juist zijn. 5.6. Als uitgangspunt geldt dat er van wordt uit gegaan dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort ook behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanvrager van het paspoort. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 18.3. Het is daarom aan het college om aannemelijk te maken waarom het paspoort geen betrekking heeft op [appellant]. Het college heeft dit onvoldoende gedaan. Zo volgt uit het gezichtsvergelijkend onderzoek dat het zeer waarschijnlijker is dat [appellant] dezelfde persoon is als [naam] dan dat dit niet zo is. Het gezichtsvergelijkend onderzoek kan in dit geval als nader bewijsmiddel dienen om gegevens uit een brondocument, het paspoort, aan te vullen. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 4.1. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat het paspoort betrekking heeft op [appellant]. Ook de PSB-verklaring en de notariële verklaring bieden steun voor die conclusie. 5.7. Het betoog over het paspoort slaagt. Dat betekent dat de gegevens van [appellant] over zijn naam, geboortedatum en geboorteplaats in de brp moeten worden gewijzigd. [appellant] heeft ook verzocht zijn oudergegevens in de brp te verwerken en heeft daarvoor een DNA-verwantschapsonderzoek overgelegd. De uitkomst van een verwantschapsonderzoek heeft een aanvullend karakter ten opzichte van de gegevens uit brondocumenten. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 19.1. Volgens Verilabs volgt uit het DNA-verwantschapsonderzoek dat praktisch bewezen is dat [vader] de biologische vader en dat [moeder] de biologische moeder is van [appellant]. Deze beide personen worden ook genoemd op de PSB-verklaring. Uit het paspoort en het verwantschapsonderzoek samen volgt dus buiten redelijke twijfel dat [vader] en [moeder] de ouders zijn van de persoon [persoon]. De oudergegevens dienen dan ook te worden verwerkt in de brp. De overige hogerberoepsgronden van [appellant] behoeven gelet op het voorgaande geen verdere bespreking. Conclusie 6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 24 februari 2022 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van het college van 23 juni 2021 te herroepen. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 7. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2023 in zaak nr. 22/1556; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 24 februari 2022, kenmerk 4598107; V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 23 juni 2021, kenmerk 4585735; VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Delft op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van [appellant] te wijzigen in: [persoon], geboren op [geboortedatum] 1981 in Qingtian, China, van wie de vader is [vader], geboren op [geboortedatum] 1957, en van wie de moeder is [moeder], geboren op [geboortedatum] 1960; VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bindels griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026 85-1104 BIJLAGE Wet basisregistratie personen Artikel 2.8 (…) 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. (…) Artikel 2.10 (…) 2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten. 3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn. (…) Artikel 2.58 1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. (…)