Skip to content
Case Law
NL

Schending privacy die is toe te rekenen aan de inspecteur is geen uitzonderlijke situatie die bewijsuitsluiting vereist

Gerechtshof

Gerechtshof
Summary

Belanghebbende in deze zaak werd verdacht van grootschalige cocaïnehandel. Er werd een ontnemingsrapportage opgesteld in het kader van het strafrechtonderzoek en vervolgens op grond van art. 55 AWR verstrekt vanuit het RIEC aan de Belastingdienst die navorderingsaanslagen had opgelegd op basis da...

Case Summary

Belanghebbende in deze zaak werd verdacht van grootschalige cocaïnehandel. Er werd een ontnemingsrapportage opgesteld in het kader van het strafrechtonderzoek en vervolgens op grond van art. 55 AWR verstrekt vanuit het RIEC aan de Belastingdienst die navorderingsaanslagen had opgelegd op basis daarvan. De vraag is of de ontenemingsrapportage en bankafschriften als bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze niet op rechtmatige wijze zouden zijn verkregen nu de gegevens zijn gedeeld voor andere doeleinden dan waarvoor deze zijn gekregen (r.o. 4.1). “Het hof constateert dat de inspecteur geen opheldering heeft kunnen geven over hoe, van wie en wanneer de melding dat er een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende liep hem heeft bereikt. Het bevreemdt het hof dat binnen de systemen van de Belastingdienst hier kennelijk geen vastlegging (meer) van is. Het hof ziet hierin aanleiding om veronderstellenderwijs belanghebbende in zijn standpunt te volgen dat de informatiedeling over het strafrechtelijk onderzoek op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Verder zal het hof aannemen dat deze onrechtmatigheid aan de inspecteur is toe te rekenen en dat belanghebbende, zoals door hem is gesteld, in zijn recht op privacy is geschaad. Ook zal het hof aannemen dat zowel de ontnemingsrapportage als de bankafschriften het directe gevolg zijn van de onrechtmatige informatiedeling.” (r.o. 4.2) Leidt dit echter tot bewijsuitsluiting? Nee. “Het hof is van oordeel dat een onrechtmatigheid in het traject voorafgaand aan het artikel 55 AWRverzoek en die ook toerekenbaar is aan de inspecteur in beginsel niet de rechtmatigheid van het artikel 55 AWR-verzoek aantast. In beginsel kan de inspecteur dan ook de ontnemingsrapportage als bewijs gebruiken. Dit kan anders zijn indien het onrechtmatige voortraject jegens de belastingplichtige heeft geleid tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Indien zon uitzonderlijke situatie aan de orde is, is het niet uitgesloten dat de rechter daaraan de slotsom verbindt dat de onrechtmatige informatiedeling voorafgaand aan het artikel 55 AWR-verzoek heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de informatie die is verkregen met het artikel 55 AWR-verzoek en die het directe gevolg is van het onrechtmatige voortraject als bewijs dient te worden uitgesloten. Een schending van het recht op privacy die is toe te rekenen aan de inspecteur kan echter niet tot zon uitzonderlijke situatie worden gerekend.1 Het hof is dan ook van oordeel dat de ontnemingsrapportage niet als bewijsmiddel dient te worden uitgesloten.” (r.o. 4.4)

Similar Content