Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 16-06-2026 (C/13/787131 / HA RK 26-158)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

Wrakingsverzoek afgewezen.

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing van 16 juni 2026 op het op 29 en 30 april 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/787131 HA RK 26-158 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , verzoeker, wonende te [woonplaats] , Frankrijk welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Fehmers, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter. 1 De procedure 1.1. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:  de e-mail van verzoeker van 29 april 2026 waarin hij de rechter wraakt;  de brief van verzoeker van 30 april 2026 met daarin de gronden voor het wrakingsverzoek;  de brief van verzoeker van 29 mei 2026 met daarin opgenomen een aanvullende grond voor wraking;  de e-mail van de rechter van 8 juni 2026 met daarin een reactie op het wrakingsverzoek en op de aanvullende grond voor wraking;  de e-mail van verzoeker van 10 juni 2026 waarin hij reageert op de reactie van de rechter. 1.2. De rechter heeft niet in de wraking berust. 2 De feiten 2.1. Verzoeker is verdachte in een strafzaak met parketnummer [nummer] . 2.2. Bij beslissing van 4 maart 2026 heeft de rechter de vordering van de officier van justitie om in die strafzaak twee getuigen te horen toegewezen. 2.3. Bij e-mail van 20 maart 2026 heeft de griffier van de rechter aan verzoeker geschreven: “ In aanvulling op mijn mail van 19 maart 2026 laat ik u namens de rechter-commissaris weten dat de officier van justitie het verhoor van de twee getuigen heeft gevorderd en dat de rechter-commissaris die vordering heeft toegewezen. De officier heeft mij desgevraagd bericht dat zich namens u geen advocaat heeft gesteld. Het staat u uiteraard vrij om alsnog een advocaat in de arm te nemen en hem / haar te vragen bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn. Houdt u er bij de keuze van een advocaat wel rekening mee dat de verhoren al zijn gepland en dat hij dan tijd heeft. Als verdachte heeft u zelf geen toegang tot het verhoor.” 2.4. Op 1 april 2026 heeft de rechter de getuigen gehoord. 2.5. Op 13 april 2026 heeft verzoeker een eerste wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter. 2.6. Bij beslissing van 21 april 2026 is dit eerdere wrakingverzoek afgewezen (zaaknummer C/13/786376 / HA RK 26-129). De wrakingskamer heeft hiertoe – kort gezegd – overwogen dat de beslissing om getuigen te horen een rechterlijke beslissing is die gezien het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 geen grond voor wraking kan vormen. De wijze waarop de rechter de regie voert (de rechter zou te lijdelijk zijn geweest tijdens het getuigenverhoor) staat in beginsel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer, aldus de beslissing van 21 april 2026. 2.7. De reactie van de rechter op het eerste wrakingsverzoek is niet gelijktijdig met de beslissing van 21 april 2026 op dat wrakingsverzoek aan verzoeker verzonden. Die reactie is op 29 april 2026 alsnog aan verzoeker toegezonden. De bijlage bij de reactie van de rechter is op 30 april 2026 aan verzoeker toegezonden. 2.8. Op 20 mei 2026 heeft een van de getuigen verzocht om een proces-verbaal dat is opgemaakt van zijn verhoor. Dit verzoek is afgewezen. 3 Het verzoek 3.1. Verzoeker ziet in de beslissing van de wrakingskamer op zijn eerste wrakingsverzoek aanleiding om de rechter opnieuw te wraken. Uit de reactie van de rechter op het eerdere wrakingsverzoek – die verzoeker pas ontving na ontvangst van die beslissing – blijkt dat de rechter de wrakingskamer op het verkeerde been heeft gezet door in zijn reactie te stellen dat verzoeker was geïnformeerd over het getuigenverhoor. In die reactie staat immers “Verzoeker is geïnformeerd over het verhoor van de getuigen, dat hij het eerder van de getuigen had vernomen doet daar niet aan af.” Dit is onjuist omdat verzoeker noch door de rechter noch door het OM is geïnformeerd over het getuigenverhoor. Door verzoeker hierover niet te informeren heeft de rechter de rechten waarover verzoeker als verdachte beschikt op een uiterst kwalijke manier verkwanseld. Nu de rechter op dit punt de wrakingskamer heeft voorgelogen, is het vertrouwen in de rechter geschonden dat hij de zaak nog op een onpartijdige manier kan behandelen. 3.2. Voorts heeft de rechter de wrakingskamer onjuist voorgelicht door in zijn reactie op het eerste wrakingsverzoek te stellen: “Aan verdachten wordt alleen op verzoek en onder (zeer) bijzondere omstandigheden toegang verleend tot een getuigenverhoor. Van het een noch het ander is in dit geval sprake.” Verzoeker is echter niet eens in de gelegenheid gesteld een dergelijk verzoek te doen. Hij kreeg van de rechter alleen te horen dat hij als verdachte geen toegang heeft tot het verhoor. De rechter heeft zich op die wijze gedragen als een verlengstuk van het OM. Dit getuigt van een bevooroordeelde houding. 3.3. Verzoeker voert verder aan dat de wrakingskamer in de beslissing op het eerste wrakingsverzoek voorbij is gegaan aan vrijwel alle gronden die verzoeker had aangevoerd. De wrakingskamer heeft er een potje van gemaakt en heeft zich er op een gemakzuchtige manier van afgemaakt, door het verzoek niet op een zitting te behandelen en vervolgens ongegrond te verklaren. Dat het verzoek niet op zitting is behandeld is in strijd met het elementaire beginsel van hoor en wederhoor. Dit had de rechter moeten onderkennen; hij dient immers te allen tijde de procedurele integriteit te bewaken. Dat hij dit heeft nagelaten, vormt eveneens een grond voor wraking. 3.4. In het wrakingsverzoek van 30 april 2026 heeft verzoeker ten slotte aangevoerd dat de omstandigheid dat de rechter niet in het eerste wrakingsverzoek heeft berust aantoont dat de rechter er zozeer op gebrand is door te gaan op de ingeslagen weg dat geen sprake meer is van een onpartijdige behandeling van de zaak. 3.5. In zijn brief van 29 mei 2026 heeft verzoeker een aanvullende wrakingsgrond opgenomen. Een van de getuigen heeft op 20 mei 2026 bij de rechter een kopie opgevraagd van het proces-verbaal dat is opgemaakt van zijn verhoor. Dit heeft de rechter geweigerd. Een rechter die gewraakt is mag echter geen beslissingen nemen zolang de behandeling van het wrakingsverzoek niet is afgerond. 4 4. De reactie van de rechter In een e-mail van de rechter van 8 juni 2026 aan de wrakingskamer staat het volgende: “ Op 1 april 2026 is in deze zaak de heer [naam] als getuige gehoord. Enige tijd later, vermoedelijk op 6 mei 2026, heeft de getuige telefonisch contact opgenomen met de griffie van het kabinet RC en heeft hij gevraagd om een afschrift van het proces-verbaal van zijn verhoor. Het is standaard beleid dat getuigen geen afschrift krijgen van hun eigen verklaring. Hierop worden geen uitzonderingen gemaakt. Het strafdossier is vertrouwelijk en getuigen hebben geen recht op inzage. De griffiemedewerker die de heer [naam] te woord stond heeft hem dan ook meegedeeld dat hij geen afschrift kon krijgen. Dat is geen rechterlijke beslissing maar een reactie op een administratief verzoek. Wij worden daar niet over geconsulteerd en dat is ook niet gebeurd in dit geval. Wel heeft de griffier mij achteraf verteld dat zij het een onaangenaam gesprek vond. De heer [naam] nam geen genoegen met de afwijzing en schreef dezelfde dag nog een mail naar het e-mailadres dat in de oproep voor het getuigenverhoor stond vermeld ([e-mailadres]). Deze mail is ontvangen door een andere griffiemedewerker. Zij heeft mij gevraagd of ze daar nog op moest reageren, mede gelet op het eerdere gesprek en andere correspondentie die zij van de heer [naam] voorbij had zien komen. Ik heb haar verzocht de mail te beantwoorden en de getuige te melden dat wij geen afschriften van pv’s aan getuigen verstrekken omdat deze deel uitmaken van het procesdossier, dat vertrouwelijk is. De griffiemedewerker heeft dit vervolgens gedaan. Zie de mailwisseling in de bijlage. Mijn bemoeienis is dus geweest dat ik de griffier heb gevraagd een mail te beantwoorden (wat een vaste werkwijze is) en daarin mee te delen, zoals eerder al op eigen titel door de griffier was gedaan, dat een getuige geen afschrift van het pv krijgt (wat ook een vaste werkwijze is). Van enige rechterlijke afweging of beslissing is dus geen sprake geweest. Ik berust dan ook niet in de wraking. ” 5 De beoordeling 5.1. De wrakingskamer overweegt allereerst dat de reactie van de rechter op het eerste wrakingsverzoek abusievelijk niet gelijktijdig met de beslissing van 21 april 2026 op dat wrakingsverzoek is verzonden. De reactie was wel uitgebreid overgenomen in de beslissing van 21 april 2026 en is enkele dagen later, namelijk op 29 april 2026, alsnog toegezonden. De bijlage bij die reactie van de rechter is op 30 april 2026 toegezonden. Voor zover verzoeker hierover klaagt, heeft dit geen betrekking op de rechter. 5.2. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Als uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. 5.3. Geoordeeld wordt dat de rechter de wrakingskamer in zijn reactie op het eerste wrakingsverzoek niet onjuist heeft voorgelicht. De daartoe als eerste aangevoerde stelling, dat verzoeker niet is geïnformeerd over het getuigenverhoor, is feitelijk onjuist, reeds gelet op de inhoud van de hiervoor onder 2.3 weergegeven e-mail van de griffier van de rechter. Hieruit volgt namelijk dat verzoeker ervan op de hoogte was dat het getuigenverhoor gehouden zou worden 5.4. De mededeling dat aan verdachten alleen op verzoek en onder zeer bijzondere omstandigheden toegang wordt verleend tot het getuigenverhoor, is evenmin feitelijk onjuist. Verder is er geen regel die voorschrijft dat een rechter aan partijen eigener beweging zou moeten laten weten dat zij onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen worden toegelaten tot een verhoor en hen zou moeten uitnodigen daartoe een verzoek te doen. Verzoeker is door de griffier van de rechter verwezen naar een advocaat en dat volstaat. 5.5. Dat verzoeker kritiek heeft op de wijze waarop de wrakingskamer tot de beslissing van 21 april 2026 is gekomen, kan geen grond voor wraking vormen. Tegen een beslissing van de wrakingskamer staat geen hoger beroep open en het is niet aan de wrakingskamer om tot herbeoordeling over te gaan van een van haar eerdere beslissingen. Het is bovendien niet aan de gewraakte rechter om toe te zien op de wijze waarop de wrakingskamer tot een beslissing komt. 5.6. De omstandigheid dat de rechter niet heeft berust in het eerste wrakingsverzoek is geen omstandigheid waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken. 5.7. Over de aanvullende wrakingsgrond die is opgenomen in de brief van 29 mei 2026 (en die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die verzoeker zijn gebleken na indiening van het onderhavige wrakingsverzoek) overweegt de wrakingskamer het volgende. In artikel 513 lid 5 Sv staat onder meer: “ De rechter wiens wraking is verzocht, onthoudt zich van het verder behandelen van de zaak, waaronder begrepen het nemen van beslissingen, tenzij dit geen uitstel duldt ”. In dit geval was sprake van de administratieve afhandeling van een verzoek om afschrift van een proces-verbaal, hetgeen niet kwalificeert als het “ verder behandelen van de zaak ”. De rechter is aldus niet doorgegaan met het behandelen van de zaak nadat tegen hem een wrakingsverzoek was ingediend. De inhoud van de e-mail van 10 juni 2026 van verzoeker, gericht aan de wrakingskamer, maakt dit oordeel niet anders. 5.8. Op grond van het bovenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven. BESLISSING De Wrakingskamer:  wijst het verzoek tot wraking af. Aldus gegeven door mrs. M.V. Ulrici, voorzitter en W.M. de Vries en A.R.P.J. Davids, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:HR:2018:1413

Related across sources

Similar Content