Centrale Raad van Beroep, 16-06-2026 (24/1900 PW)
CRVB
Toekenning budget voor gebundelde uitkering. Verdeelmodel 2023. Gebruik herberekende gegevens. Bewijsnood college. Onvoldoende onderzoek door minister. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat er verschillen zijn opgetreden door het gebruik van de herberekende gegevens voor het kenmerk ‘Werken onder niveau’ in het verdeelmodel. Het kenmerk ‘Werken onder niveau’ in het verdeelmodel brengt de verhouding in beeld tussen het (bereikbare) aantal banen met een laag beroepsniveau vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau (teller) en de (bereikbare) beroepsbevolking met een laag opleidingsniveau in een regionale arbeidsmarkt (noemer). De kans op bijstand is naar verwachting groter in een gemeente waar relatief veel beschikbare banen met een laag beroepsniveau worden vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau. De minister heeft besloten om het gewicht van het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ te bepalen op basis van de door het CBS over 2020 niet oorspronkelijke, maar herberekende gegevens. Het college heeft voldoende aangevoerd om aan te nemen dat er een vertekening in zijn gemeente is opgetreden. Hiervoor is van belang dat het CBS heeft gemeld dat er bij verdere detaillering van de herberekende cijfers van 2020 vertekening kan ontstaan, zoals ook blijkt uit het in opdracht van de minister door SEO en Atlas opgestelde rapport van 4 april 2024. Daarnaast heeft het college te maken gekregen met een aanzienlijk lager budget in 2023 vergeleken met 2022, namelijk ongeveer € 20 miljoen lager. Uit het vermelde onderzoek, dat op verzoek van de minister is uitgevoerd, is gebleken dat het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ de belangrijkste factor is voor deze daling. Dit samen is voldoende om aan te nemen dat er een zodanige vertekening heeft plaatsgevonden dat niet uitgesloten kan worden dat Rotterdam door een tekortkoming in het verdeelmodel een nadeel ondervindt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet over de gegev
Case Summary
24/1900 PW, 24/1901 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024, 23/4656 en 24/3422 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) de minister van Werk en Participatie (minister) Datum uitspraak: 16 juni 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over het budget dat de minister voor 2023 heeft toegekend aan het college om onder andere bijstand te kunnen verlenen. De Raad oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat er een tekortkoming in het verdeelmodel 2023 zit, namelijk in de manier waarop het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ vorm heeft gekregen. De minister heeft gezien de specifieke situatie van Rotterdam onvoldoende gemotiveerd dat de waarde en het gewicht van dit kenmerk voor Rotterdam niet tot een onevenredige benadeling leidt. De Raad vernietigt de besluiten over het budget van 2023 en de minister moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van deze uitspraak. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend, later aangevuld door mr. S.O. Visch en mr. I.M. van der Heijden, beiden advocaat. De minister heeft een nader stuk ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Namens het college zijn verschenen mr. A. Hielkema, mr. W. Breure en drs. M.P. van Briemen, bijgestaan door deskundige drs.ir. W.P. Verbeek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.W. Zevenbergen, bijgestaan door mr. Visch, mr. Van der Heijden en deskundige M.M. Middeldorp MSc. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met een besluit van 30 september 2022 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 26 mei 2023 (bestreden besluit 1), heeft de minister aan het college een voorlopig budget voor de Uitkering algemene bijstand, LKS, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 voor 2023 toegekend van € 496.369.377,-. 1.2. Omdat het voorlopig budget voor 2023 voor het college ongeveer € 27 miljoen lager was dan het definitieve budget over 2022, heeft de minister op verzoek van het college onderzoek gedaan naar een oorzaak van deze daling. In een nota van november 2022 heeft de minister, na onderzoek door Atlas Research (Atlas) en SEO economisch onderzoek (SEO), geconcludeerd dat de budgetdaling van Rotterdam vooral voortkomt uit het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’. 1.3. Het college heeft het jaar 2023 afgesloten met een tekort op het BUIG-budget van € 20,8 miljoen. 1.4. Met een besluit van 29 september 2023 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 maart 2024 (bestreden besluit 2), heeft de minister aan het college een definitief budget voor 2023 toegekend van € 550.863.275,-. 1.5. In een rapport van SEO en Atlas van 4 april 2024, opgesteld in opdracht van de minister – in reactie op een rapport van Berenschot van 22 december 2023 dat in opdracht van het college was opgesteld – staat over het kenmerk ‘Werken onder niveau’ en de wijze waarop dit in het verdeelmodel 2023 is verwerkt onder andere het volgende: “Wij hebben [lees: als adviseurs van de minister] gekozen voor actualisatie van het kenmerk Werken onder niveau, omdat het belang van de actualiteit van dit kenmerk naar onze inschatting groter is dan een mogelijke vertekening van het gewicht. De budgetverandering die uit deze keuze volgt heeft meerdere oorzaken. Het kenmerk verandert op de eerste plaats door ontwikkelingen op de arbeidsmarkt […]. Op de tweede plaats heeft de methodewijziging van de EBB beperkte blijvende gevolgen voor de budgetverdeling, die bij de keuze om niet te actualiseren in de budgetverdeling voor 2024 tot uitdrukking zouden komen. Ten derde kan een mogelijke inconsistentie tussen de door het CBS op gemeenteniveau teruggelegde cijfers voor 1 januari 2020 en de cijfers volgens de nieuwe EBB-methode voor 1 januari 2021 tot enige vertekening hebben geleid. De derde verklaring speelt naar onze inschatting een beperkte rol, want de schatting van het gewicht voor het kenmerk Werken onder niveau maakt gebruik van openbare door het CBS op gemeenteniveau teruggelegde gegevens. Dit waarborgt grotendeels de consistentie van de gegevens waarop de gewichten van het verdeelmodel zijn bepaald met de geactualiseerde gegevens waarop het verdeelmodel is toegepast. […] Naast ontwikkelingen op lokale arbeidsmarkten tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2021 heeft de methodewijziging van de EBB ook een rol gespeeld. Het effect hiervan op de budgetverdeling 2023 loopt langs twee kanalen. Op de eerste plaats heeft de verandering in de methodiek effect gehand op de waarden van het kenmerk Werken onder niveau. Gemeenten kunnen er door de methodewijziging op vooruit gaan of op achteruit. […] Op de tweede plaats heeft de methodewijziging mogelijk effect gehad op het gewicht van het kenmerk. Er is namelijk voor gekozen om het kenmerk te actualiseren en het gewicht te schatten op basis van de door het CBS teruggelegde cijfers voor 2020. […] het CBS heeft ook op regioniveau correcties uitgevoerd en op plausibiliteit getoetst. Dat neemt niet weg dat het bij deze teruglegging noodzakelijkerwijs om een benadering gaat. De inconsistentie als gevolg van deze benadering heeft mogelijk geleid tot een beperkte eenmalige vertekening van het gewicht van het kenmerk […]. Het alternatief voor actualiseren was om de budgetverdeling voor 2023 voor wat betreft het kenmerk Werken onder niveau te baseren op cijfers voor 1 januari 2020. Dit had ook tot vertekening geleid, omdat de verdeling dan geen rekening zou hebben gehouden met ontwikkelingen op de arbeidsmarkten tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2021, terwijl er juist in deze periode veel is gebeurd vanwege de COVID-19 pandemie. Dit nadeel heeft in de afweging om al dan niet te actualiseren meer gewicht gekregen dan de mogelijk onder- of overschatting van het gewicht van dit kenmerk door inconsistentie tussen de door het CBS teruggelegde cijfers voor 1 januari 2020 en de cijfers volgens de nieuwe EBB-methode voor 1 januari 2021. […] Bovendien is de verandering in het kenmerk Werken onder niveau niet in elke gemeente even groot. De inschatting van Berenschot houdt geen rekening met hoe de verandering in dit kenmerk in Rotterdam verschilt van andere gemeenten. […] De inschatting van 8,7 miljoen [door Berenschot van het nadeel van Rotterdam] kan […] zeker niet alleen worden toegeschreven aan de mogelijke inconsistentie tussen de door het CBS op gemeenteniveau teruggelegde cijfers voor 1 januari 2020 en de cijfers volgens de nieuwe EBB-methode voor 1 januari 2021.” Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de wijziging van de Enquête Beroepsbevolking (EBB)-methodologie een onvolkomenheid in het verdeelmodel 2023 oplevert en Rotterdam daardoor onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. Het standpunt van het college 3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Niet in geschil is dat het gebruik van de EBBmethodologie in plaats van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft geleid tot vertekening van het gewicht van het kenmerk ‘Werken onder niveau’. Wel in geschil is of dit betekent dat er een tekortkoming in het verdeelmodel zit en of die tekortkoming tot een onevenredige benadeling leidt. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over het budget van 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Het verdeelmodel 2023 berust ook op algemeen verbindende voorschriften niet zijnde een wet in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat die voorschriften in een concreet geval als toepassing daarvan in strijd is met het evenredigheidbeginsel buiten toepassing moeten worden gelaten indien door een tekortkoming in het verdeelmodel een gemeente een onevenredig nadeel leidt. Zoals de Raad in eerdere uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, ligt de last om te bewijzen dat er een tekortkoming in het verdeelmodel zit, en dat de gemeente daardoor een onevenredig nadeel leidt, bij het college. 4.2. Het college stelt dat er met betrekking tot het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ een tekortkoming in het verdeelmodel 2023 zit. Het college heeft daartoe aangevoerd dat de minister bij het bepalen van het gewicht van het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ gebruik heeft gemaakt van gegevens die volgens de oude EBB-methodologie zijn verkregen en die daarna zijn herberekend om aan te sluiten bij de nieuwe methodologie, terwijl volgens informatie van het CBS deze gegevens niet op een dergelijke manier gebruikt kunnen worden. Ongeveer € 8,7 miljoen van het tekort van 2023 kan daardoor worden verklaard. Deze grond slaagt. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het model een tekortkoming bevat. Daarvoor is het volgende van belang. 4.3. Op grond van de Participatiewet (PW) verdeelt de minister elk jaar het voor onder meer bijstandverlening vastgestelde macrobudget onder de gemeenten. Sinds 2015 vindt deze verdeling jaarlijks plaats op basis van een verdeelmodel. In dit model zijn allerlei kenmerken opgenomen die de kans op bijstand en kosten daarvan voor specifieke huishoudens voorspellen. Eén van die kenmerken is het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’. Het kenmerk ‘Werken onder niveau’ brengt de verhouding in beeld tussen het (bereikbare) aantal banen met een laag beroepsniveau vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau (teller) en de (bereikbare) beroepsbevolking met een laag opleidingsniveau in een regionale arbeidsmarkt (noemer). De kans op bijstand is naar verwachting groter in een gemeente waar relatief veel beschikbare banen met een laag beroepsniveau worden vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau. 4.4. In het model wordt in de schattingsfase een schatting genaakt van de impact van alle verklarende variabelen, dus de kenmerken, op de kans op bijstand. In de actualisatiefase wordt op basis van zo actueel mogelijke gegevens de kans op bijstand van elk huishouden ingeschat. Doorgaans wordt in de schattingsfase de weging van het kenmerk ‘Werken onder niveau’ bepaald aan de hand van de beschikbare gegevens van het derde jaar voorafgaand aan het budgetjaar. De verdeling van het budget vindt plaats door de meest recente beschikbare gegevens in het model in te vullen, te weten die van het tweede jaar voorafgaand aan het budgetjaar (actualisatiefase). 4.4.1. Het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ wordt mede bepaald aan de hand van de gegevens verkregen uit de Enquête beroepsbevolking (EBB) die door het CBS worden verzameld. Vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming zijn sinds 2021 gegevens verzameld op persoonsniveau in plaats van op huishoudniveau. Om na te gaan of de gewijzigde vraagstelling van het CBS over dit kenmerk tot andere antwoorden leidde in vergelijking met de oude vraagstelling, heeft het CBS gedurende een bepaalde periode bij verscheidene populaties ofwel de oude ofwel de nieuwe vragenlijsten gebruikt. Op basis van de vergelijking van de beantwoording daarvan heeft het CBS de uitkomsten van de EBB over de periode 2013 tot en met 2020 via tijdreeksmodellen herberekend om aan te sluiten bij de uitkomsten vanaf 2021. Zodoende is geprobeerd de continuïteit te scheppen met betrekking tot gegevens in de EBB over de periode vóór en na 2021. 4.4.2. De minister heeft vervolgens besloten om het gewicht van het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ te bepalen op basis van de door het CBS over 2020 niet oorspronkelijke, maar herberekende gegevens. Vervolgens heeft de minister in de actualisatiefase de gegevens over 2021, verzameld met de nieuwe methode, gebruikt om de budgetverdeling vast te stellen. 4.4.3. Voorop staat dat de minister bij het gebruik van het verdeelmodel het uitgangspunt hanteert dat in zowel de schattings- als de actualisatiefase gebruik wordt gemaakt van dezelfde soort gegevens. Voor het verdeelmodel 2023 zorgde dit kennelijk voor problemen in verband met de wijziging van de EBB-methodologie door het CBS vanaf 2021. De minister heeft er daarom voor gekozen om voor de schattingsfase niet gebruik te maken van dezelfde gegevens, maar van de door het CBS over 2020 herberekende gegevens. Het CBS heeft volgens de minister, onder verwijzing naar de website van het CBS, over de herberekende gegevens het volgende vermeld: "De weging voor standcijfers over de periode 2013-2020 is aangepast zodat de kerncijfers consistent zijn met de (niet-seizoen gecorrigeerde) cijfers in de tabel Arbeidsdeelname, kerncijfers seizoen gecorrigeerd. Daarin zijn de uitkomsten voor de periode 2013-2020 via tijdreeksmodellen herberekend om aan te sluiten op de uitkomsten vanaf 2021. Bij verdere detaillering van de uitkomsten naar baan- en persoonskenmerken kunnen er van 2020 op 2021 desondanks verschillen zijn als gevolg van de nieuwe methode." 4.4.4. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat het CBS bij de herberekening tot de conclusie is gekomen dat de herberekende cijfers op landelijk niveau aansluiten bij de nieuwe cijfers. Volgens de minister heeft het CBS de mogelijkheid benoemd dat bij verdere detaillering naar baan- en persoonskenmerken, zoals in het verdeelmodel gebeurt, verschillen kunnen optreden, maar dat dit niet betekent dat die verschillen zich daadwerkelijk voordoen. Het college heeft volgens de minister ook niet aannemelijk gemaakt dat er verschillen zijn opgetreden door het gebruik van de herberekende gegevens. Volgens de minister had ook kunnen worden gekozen voor andere oplossingen, zoals het niet actualiseren van het kenmerk, maar dit zou afbreuk doen aan het uitgangspunt om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de ontwikkelingen in de maatschappij. 4.4.5. Hoewel de Raad begrijpt dat elke keuze van de minister voor het oplossen van het aansluitingsprobleem als gevolg van de methodologiewijziging van het CBS nadelige gevolgen met zich kan brengen, betekent dat niet dat er geen tekortkoming in het verdeelmodel zit. Het college heeft voldoende aangevoerd om aan te nemen dat er een vertekening in zijn gemeente is opgetreden. Hiervoor is van belang dat het CBS heeft gemeld dat er bij verdere detaillering van de herberekende cijfers van 2020 vertekening kan ontstaan, zoals ook blijkt uit het in opdracht van de minister door SEO en Atlas opgestelde rapport van 4 april 2024. Daarnaast heeft het college te maken gekregen met een aanzienlijk lager budget in 2023 vergeleken met 2022, namelijk ongeveer € 20 miljoen lager. Uit het onder 1.2 vermelde onderzoek, dat op verzoek van de minister is uitgevoerd, is gebleken dat het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ de belangrijkste factor is voor deze daling. Dit samen is voldoende om aan te nemen dat er een zodanige vertekening heeft plaatsgevonden dat niet uitgesloten kan worden dat Rotterdam door een tekortkoming in het verdeelmodel een nadeel ondervindt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet over de gegevens kan beschikken om te onderzoeken wat de daadwerkelijke invloed van het gebruik van deze cijfers op het budget van het college is, terwijl de minister wel over deze gegevens kan beschikken. De minister heeft dat niet betwist. Het college verkeert dus in bewijsnood. Het was onder deze omstandigheden aan de minister om te onderzoeken of en, zo nee, te motiveren waarom door het gebruik van de herberekende gegevens geen sprake is van een tekortkoming in het model. Hierbij is ook van belang dat de minister niet het standpunt heeft ingenomen dat het tekort in de begroting wordt veroorzaakt door falend beleid van de gemeente Rotterdam. 4.4.6. Aangezien de minister heeft nagelaten om dat onderzoek te doen en niet nader heeft gemotiveerd hoe het budget voor het college wordt beïnvloed door het gebruik van herberekende gegevens, is niet duidelijk of, en zo ja, in hoeverre het college is benadeeld door het gebruik van de herberekende gegevens. Op verzoek van het college heeft adviesbureau Berenschot een schatting gemaakt, gebaseerd op de wijziging van het budgetaandeel van het college en de mate waarin het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ daarvoor een verklaring kan zijn. Volgens Berenschot heeft het college afgerond € 8,7 miljoen minder budget ontvangen door de wijziging van dit kenmerk. Dit bedrag is substantieel, ook als de nuancering onder 1.5 van SEO en Atlas gevolgd zou worden. Als zou worden uitgegaan van een bedrag van die grootte, dan kan worden gesproken van een onevenredige benadeling. Hierbij is van belang, zoals door het college naar voren gebracht, dat Rotterdam landelijk een bijzondere positie inneemt, in die zin dat sprake is van een zeer hoge bijstandsdichtheid. Hierdoor bestaat de begroting van Rotterdam voor een relatief groot deel uit het budget voor bijstandsverlening. Nu het college het tekort waarvoor de vangnetuitkering van artikel 74 van de PW geen uitweg biedt, zelf moet compenseren uit het overige deel van de begroting, betekent dit dat een eventuele benadeling door tekortkomingen in het verdeelmodel zwaarder drukt op de begroting van Rotterdam, dan bij andere gemeenten met een kleine bijstandsdichtheid het geval is. Daarbij komt dat het verdeelmodel een zogenoemd niet-lineair model is, waardoor tekortkomingen in een bepaald kenmerk van invloed kunnen zijn op andere kenmerken, zeker bij een hoge bijstandsdichtheid, en het niet-lineaire karakter meebrengt dat kleine fouten grote gevolgen kunnen hebben. 4.5. Uit 4.4.5 volgt dat de bestreden besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid en dat die besluiten niet berusten op een deugdelijke motivering. Uit 4.4.6 volgt dat de Raad dat gebrek ook niet kan passeren. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten worden vernietigd. De minister krijgt de opdracht om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het budget over 2023 opnieuw moet worden vastgesteld. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door de minister te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. 5. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt het college een vergoeding voor het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep. Het college heeft niet verzocht om een vergoeding van proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 26 mei 2023 en 13 maart 2024; draagt de minister op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen deze besluiten slechts bij de Raad kan worden ingesteld; bepaalt dat de minister aan het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 1.295,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026. (getekend) O.L.H.W.I. Korte (getekend) R.R. Olde Engberink Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Participatiewet Artikel 69 1. Onze Staatssecretaris verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op: a. het toekennen van algemene bijstand en van uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet; b. de kosten van de loonkostensubsidies, die op grond van artikel 10d, worden verstrekt. 2. Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling. 4. De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Staatssecretaris bekend gemaakt. Artikel 71 Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens. Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt aangepast binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Staatssecretaris vastgesteld. Artikel 74, eerste lid Indien de verstrekte uitkering op grond van artikel 69 onvoldoende dekking biedt voor de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, loonkostensubsidies of uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, kan door Onze Staatssecretaris op verzoek van het college een vangnetuitkering worden verleend. Besluit Participatiewet Artikel 6 Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 vastgesteld. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten is het beschikbare macrobudget. Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en tabel 3 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten. De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet. Bijlage behorende bij artikel 6 van het Besluit Participatiewet Deze bijlage bevat een nadere toelichting bij de verdeelsystematiek, zoals deze is beschreven in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van het Besluit. Artikel 3, zevende tot en met elfde lid, gaat over de omvang van de deelbudgetten. Daarnaast bevat deze bijlage een toelichting op het objectieve verdeelmodel zoals genoemd in artikel 6 van het Besluit. […] Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ Artikel 6 In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 en tabel 3 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1253 en van 17 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:183.