Rechtbank Den Haag, 22-05-2026 (AWB 24/5333)
Rechtbank Den Haag
Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser de gronden te laat heeft ingediend. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht tot deze conclusie is gekomen. Met de bij het verweerschrift overgelegde printscreen heeft verweerder volgens de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 daadwerkelijk op 27 februari 2024 aan de toenmalige gemachtigde van eiser is verzonden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10531), die in hoger beroep is bevestigd. Wat eiser hierover heeft aangevoerd, is onvoldoende om de ontvangst van de herstelverzuimbrief redelijkerwijs te betwijfelen. Beroep ongegrond
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/5333 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. Singh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.G. De Rooij). Procesverloop Bij besluit van 12 december 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Inleiding 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft op 13 november 2023 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag volgens verweerder niet compleet was. Bij brief van 13 november 2023 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen twee weken met bewijsmiddelen aan te vullen. Dit heeft eiser nagelaten. Het bestreden besluit 2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen gronden heeft ingediend. Bij brief van 26 februari 2024 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 11 maart 2024 de gronden van bezwaar in te dienen. Verweerder heeft de gronden niet van eiser ontvangen. De beroepsgronden 3. Eiser voert aan dat verweerder het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. Eiser wijst op vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden poststuk niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het poststuk wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Volgens eiser heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft weliswaar niet alle vereiste documenten kunnen overleggen, maar dit betekent niet dat de overgelegde informatie onvoldoende was om zijn aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Bij de aanvraag is immers bewijs overgelegd waaruit blijkt dat eiser door een Belgische arts wordt behandeld voor chronische hernia, diabetes en tbc, en daarnaast is tijdens de hoorzitting van 3 november 2023 naar voren gekomen dat hij ook lijdt aan gastritis, vette lever en dyslipidemi, alsook dat hij levenslange behandeling en medicatie nodig heeft. Eisers aanvraag had daarom moeten worden beoordeeld op basis van de door hem verstrekte informatie. De beoordeling door de rechtbank 4.1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het verzuim om aan dit gestelde vereiste te voldoen ertoe leiden dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zoals de uitspraken van 24 juli 2019 (ELCI:NL:RVS:2019:2488) en van 20 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1138), volgt dat, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. In deze zaak stelt eiser de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 voor het indienen van de gronden van bezwaar niet te hebben ontvangen. De hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling heeft ook betrekking op een herstelverzuimbrief van verweerder. 4.3. Tussen partijen is in geschil of verweerder de verzending van de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat het adres ( [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ) van eisers toenmalige gemachtigde, mr. P.H. van Akenborgh, op de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 juist is vermeld. Verweerder heeft als bijlage bij het verweerschrift een printscreen van het gegevensverwerkingssysteem Indigo gevoegd. Hieruit blijkt dat de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 op 27 februari 2024 per post is verzonden via het verzendhuis. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat een dergelijke wijze van verzending, ondersteund door een verzendregistratie, voldoende is om de verzending aannemelijk te achten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, van 5 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10531). In deze uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat Indigo en het verzendhuis tezamen een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormen. Dit heeft tot gevolg dat als een poststuk in Indigo de status “bericht verwerkt” heeft gekregen, onder vermelding van een datum, aangenomen kan worden dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk op die datum is verzonden. Deze uitspraak is op 1 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3343) door de Afdeling bevestigd. Met de bij het verweerschrift overgelegde printscreen heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 daadwerkelijk op 27 februari 2024 aan de toenmalige gemachtigde van eiser is verzonden. Wat eiser hierover heeft aangevoerd, is onvoldoende om de ontvangst van de herstelverzuimbrief redelijkerwijs te betwijfelen. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4.4. Wat eiser heeft aangevoerd over de volledigheid van zijn aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw heeft betrekking op het primaire besluit van 12 december 2023 waarbij verweerder eisers aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Nu verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden, komt de rechtbank aan een inhoudelijke bespreking van dit punt niet toe. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.