Skip to content
Case Law · Gerechtshof 's-Hertogenbosch ·ECLI:NL:GHSHE:2025:3093 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-11-2025 (200.356.771_01)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Verzekeringsrecht. Opzettelijke misleiding bij schadeclaim in verband met stormschade. De verzekeraar had daarom grond om de persoonsgegevens van de verzekeringnemer op te nemen in diverse (interne en externe) registers.

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 6 november 2025 Zaaknummer : 200.356.771/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/03/320650 / HA RK 23-130 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. T.J.N. Hameleers te Roermond, tegen Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringen Maatschappij. N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna aan te duiden als NN, advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh te Den Haag. 1 De zaak in het kort [appellant] heeft bij NN een schadeverzekering afgesloten. Nadat een storm schade heeft veroorzaakt aan zijn poort, heeft [appellant] hiervoor een schadeclaim ingediend bij NN. Na uitkering van de helft van het door [appellant] opgegeven schadebedrag heeft NN de schadeclaim van [appellant] nader laten onderzoeken. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek heeft NN geconcludeerd dat [appellant] NN niet naar waarheid heeft ingelicht over de uitvoering van de herstelwerkzaamheden aan de poort en daarmee verzekeringsfraude heeft gepleegd. Zij heeft vervolgens op die grond onder meer het al uitgekeerde bedrag van [appellant] teruggevorderd en de persoonsgegevens van [appellant] laten opnemen in het Gebeurtenissenregister en het Interne Verwijzingsregister van de NN group en in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister. [appellant] betwist dat sprake is van verzekeringsfraude en verzoekt in deze procedure NN te bevelen om zijn persoonsgegevens uit de hiervoor genoemde registers te verwijderen. 2 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 april 2024 en 2 april 2025. 3 Het geding in hoger beroep 3.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ontvangen op 1 juli 2025; het verweerschrift met producties A tot en met E, ingekomen ter griffie op 26 augustus 2025; een namens [appellant] op verzoek van het hof nader toegezonden productie, ontvangen op 22 september 2025; de namens NN toegezonden producties 1 tot en met 19, behorend bij het verweerschrift van NN in eerste aanleg, ontvangen op 23 september 2025; - de op 24 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Hameleers; - mr. De Hoogh namens NN. - de ter zitting door mr. Hameleers overgelegde spreekaantekeningen. 3.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken. 4 De vaststaande feiten 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 4.1.1. [appellant] heeft (via de ING-bank) een schadeverzekering afgesloten met NN. Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de Algemene voorwaarden Particuliere ING schadeverzekering (hierna: de polisvoorwaarden). 4.1.2. Op vrijdag 18 februari 2022 trok de storm 'Eunice' over Nederland. 4.1.3. Op 19 februari 2022 heeft [appellant] een stormschadeclaim ingediend bij NN. Op het schademeldingsformulier heeft [appellant] , voor zover hier van belang, ingevuld: "Wind heeft poort en motor uit gemetselde pilaren gerukt moet nieuwe pilaar gemetseld worden" . Bij het formulier heeft [appellant] twee foto's gevoegd van de toegangspoort en de pilaren waaraan deze is gevestigd. 4.1.4. Per e-mailbericht van 23 februari 2022 heeft [appellant] twee offertes (waaronder een offerte van [bedrijf 1] ) voor herstel van de schade aan NN toegestuurd. Hierbij heeft hij erop aangedrongen dat de schade met urgentie moest worden opgepakt. 4.1.5. Bij brief van 1 maart 2022 heeft NN aan [appellant] medegedeeld dat zal worden overgegaan tot uitbetaling van € 1.932,60 (50% van het in de offerte van [bedrijf 1] genoemde bedrag van € 4.315,20 minus het eigen risico van € 225,00). NN heeft daarbij onder meer aangegeven dat zij de resterende vergoeding zou overmaken na ontvangst van een eindnota. 4.1.6. Bij e-mailbericht van 7 maart 2022 heeft [appellant] de eindfactuur van 7 maart 2022 van [bedrijf 1] , ter hoogte van € 4.315,20, per e-mail aan NN toegestuurd, met het verzoek over te gaan tot vergoeding van de resterende schade. Op de eindnota is met de hand geschreven: "A contant voldaan in 2 termijnen 7-03-2022" . Met de eindnota zijn de volgende werkzaamheden in rekening gebracht: “- Demontage € 575,53 - Metsel en Voegwerken en verankering en versteviging massief (pilaren) + aankoop benodigde materialen € 1.580,22 - Hardsteen (vierkant) 2x € 275,00 - Bekabeling Stroomvoorziening Poort € 185,00 - Afvoer puin stort € 375,00 - Montage € 575,53 Totaal exclusief BTW € 3.566,28 BTW 21% € 748,92 Totaalprijs inclusief BTW € 4.315,20” 4.1.7. Op 8 en 10 maart 2022 heeft [appellant] vervolgens per e-mail aangedrongen op betaling van de resterende schade. NN is daartoe niet overgegaan. 4.1.8. NN heeft de schadebehandeling intern overgedragen aan het team Speciale Zaken voor verder onderzoek. NN heeft de maatschap [maatschap] vervolgens opdracht gegeven om de schadeclaim van [appellant] verder te onderzoeken en contact op te nemen met [appellant] . Hierover is [appellant] geïnformeerd bij e-mail van 10 maart 2022. 4.1.9. Daarop reageerde [appellant] per e-mailbericht van diezelfde dag met de mededeling dat reparaties waren uitgevoerd, dat hij het druk had en ziek was en dat hij pas in de week van 21 maart 2022 tijd had voor een afspraak met [maatschap] . Namens [maatschap] heeft [medewerker] vervolgens contact opgenomen met [appellant] waarbij een afspraak is gemaakt voor 22 maart 2022. 4.1.10. Op 12 maart 2022 heeft [maatschap] de situatie van de poort en de pilaren vanaf de openbare weg gefotografeerd. 4.1.11. Op 22 maart 2022 heeft tussen [maatschap] en [appellant] een gesprek plaatsgevonden. Voor zover relevant heeft [appellant] (aangeduid met “A” (van “antwoord”)) daarbij het volgende verklaard tegenover [maatschap] (aangeduid met “V” (van “vraag”)): “V: heeft u zelf enige herstelwerkzaamheden verricht? Zo ja welke en wanneer deed u dat? A: nee, alleen het geschilderd later omdat er kleurverschil was in de stenen. Ik heb de kolommen groen geschilderd omdat er kleurverschil was met de nieuwe stenen. De oude stenen zoals die in de poeren zitten waren niet meer te krijgen. Beide poeren/kolommen zijn voor het meeste gedeelte uitgekapt en van twee zijden opnieuw opgemetseld. Dan bedoel ik de zijde waar de bevestigingsplaten op zitten en de zijde waar de motor in zit. Er is opgemetseld vanaf de hoogte waar de beide motoren zaten. Aan de binnenkant en achterkant zijn beide poeren/kolommen helemaal opnieuw opgemetseld. (..). V: Wat verstaat u onder opmetselen? A; Nieuwe stenen. Die stenen plaat is er vanaf gepakt en de stenen zijn compleet opgemetseld. En daarna gevoegd. Een of twee stenen hoog, zodat het stabiel was, is blijven staan, en daarop is opgemetseld. En in de binnenkant is beton gestort. (…). V: Nadien heeft u een eindfactuur ingezonden van het bedrijf [bedrijf 1] . Op de factuur is vermeld dat er in twee termijnen is voldaan. Wanneer voldeed u de twee termijnen en in welke bedragen was dat? A: Eentje op 7 maart en de andere termijn, iets van een week of anderhalve week eerder toen hij met het werk begon. Ik heb daar pintransacties van en laat u dat zien. Dat geld is door mijn moeder vanaf haar rekening gepind en zij heeft mij dat gegeven ter betaling aan [bedrijf 1] . (…) V: Wanneer is de aannemer aan het werk geweest en wanneer was hij klaar? A: Hij is hier even na de datum van de offerte begonnen. Ik, denk dat hij op de 25e of 26e is begonnen zoiets. Hij was op 7 maart klaar toen heeft hij de factuur meegenomen. Hij was nog niet helemaal hoe het moest zijn. Er was sprake van kleurverschil in de stenen en dat zag er niet uit en dat valt gewoon op. De kolom was wel binnenin volgestort met beton en ik wilde er voor de stabiliteit nog stalen platen tegenaan maken. Die platen zijn op acht punten bevestigd en daarop zijn de scharnieren bevestigd. Dat met de metalen platen is gedaan door [betrokkene] . Hij is hier in de afgelopen twee weken op verschillende dagen geweest, dat ging in fases. (…) (…) V: Zijn alle op de eindfactuur opgenomen werkzaamheden en materialen uitgevoerd en/of geleverd/gemonteerd? A: Ja, alleen de twee hardstenen platen zijn niet vervangen maar schoongemaakt en er weer opgezet. Ik weet niet waarom die waren opgenomen in de factuur. (…) (…) Hij heeft mij dat gefactureerd en dat heb ik betaald. Hij heeft de platen eraf gehaald en schoongemaakt. Hij heeft er misschien niet op gelet, de offerte en factuur is bijna hetzelfde. Die zijn eraf geweest om er beton in te storten. De rest is alles nieuw gekomen. V: en waren die ook al uitgevoerd op het moment dat u de aannemer contant betaalde op 7 maart? A: Ja, alleen de stalen platen waren nog niet af en ik heb de poorten er nog eens uit moeten halen omdat die stalen platen er nog op moesten. Nee, dat heb ik verkeerd gezegd, de poorten stonden er nog naast en die zijn er pas ingehangen toen die stalen platen erop zeten. Je kunt die poorten er nog niet inhangen als die stalen platen er nog niet op zitten. Ook heb ik nog geverfd. V: Zijn alle werkzaamheden op de factuur in een keer uitgevoerd? A: Op verschillende dagen. Als er gemetseld is moet het drogen en daarna nog voegen. V: Heeft [bedrijf 1] en/of een onderaannemer, u of iemand anders na het uitbrengen van de eindfactuur op 7 maart 2022 nog herstelwerkzaamheden aan de poort en/of de twee poeren verricht? Zo ja, welke? A: Ja alles was uitgevoerd alleen die stalen platen zijn daarna aangebracht en het schilderen. (…).” 4.1.12. [maatschap] heeft op 19 april 2022 haar bevindingen vastgelegd in een onderzoeksrapport. Voor zover relevant vermeldt dat rapport de volgende conclusies: “ (…) Op het monteren van de thans aanwezige stalen platen en het groen schilderen van beide poeren na waren volgens verzekerde op 7 maart 2021 (het hof begrijpt: 2022) (zijnde de factuurdatum van factuur [bedrijf 1] ) alle werkzaamheden zoals opgenomen in laatstgenoemde factuur uitgevoerd en afgerond. Twee op de factuur genoemde hardstenen vierkante platen zijn niet vervangen (…) De waarneming door ondergetekende zoals gedaan op 12 maart 2022 van de toestand van beide poeren/pilaren strookt niet met de door verzekeringnemer afgelegde verklaring over de toestand van de beide poeren/pilaren op 7 maart 2022 Mede door het schilderen van beide poeren/pilaren was ten tijde van mijn bezoek aan verzekeringnemer op 22 maart 2022 optisch niet meer duidelijk waarneembaar welk deel en/of stenen opnieuw is/zijn vervangen.” 4.1.13. Bij brief van 21 april 2022 heeft NN aan [appellant] medegedeeld dat zij maatregelen neemt tegen [appellant] op de grond dat [appellant] NN bewust niet naar waarheid heeft geïnformeerd. NN heeft daarbij verwezen naar artikel 13 van de algemene polisvoorwaarden en artikel 7:941 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om de volgende maatregelen: op grond van artikel 13 van voornoemde algemene voorwaarden wordt de woonverzekering met [appellant] met onmiddellijke ingang opgezegd; de ING aansprakelijkheidsverzekering en ING Rechtsbijstandverzekering worden per 22 januari 2023 eenzijdig beëindigd; de persoonsgegevens van [appellant] zijn opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie en het intern Verwijzingsregister (IVR) van NN Group tot 14 maart 2030; de persoonsgegevens van [appellant] zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR) tot 21 april 2027; Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CVB) van het Verbond van Verzekeraars is op de hoogte gebracht van de registratie in het incidentenregister. 4.1.14. Bij brief van 25 april 2022 heeft [appellant] NN verzocht om de registraties in het IVR en EVR te verwijderen en [appellant] schadeloos te stellen door betaling van het restantbedrag. Hieraan is door NN geen gehoor gegeven. 4.1.15. [appellant] heeft in een kort geding procedure de verwijdering van de persoonsgegevens van [appellant] uit bovengenoemde registers gevorderd (in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond met zaaknummer C/03/304987/ KG ZA 22-164 en in hoger beroep bij dit hof met zaaknummer 200.313.244/01). De vorderingen van [appellant] zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, kort gezegd, afgewezen. 4.1.16. Naast de onderhavige procedure en het hiervoor genoemde kort geding heeft [appellant] NN ook in een derde procedure betrokken. In deze procedure (zaaknummer 10628353 \ CV EXPL 23-3558) heeft [appellant] in conventie onder meer veroordeling van NN tot betaling van het restant van de ingediende schadeclaim en betaling van schadevergoeding gevorderd op de grond dat NN [appellant] ten onrechte van verzekeringsfraude beticht. NN heeft in reconventie veroordeling van [appellant] tot terugbetaling van het al uitgekeerde bedrag en betaling van de onderzoekskosten en interne behandel- en onderzoekskosten gevorderd. Bij vonnis van 2 april 2025 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van NN toegewezen. [appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof (zaaknummer 200.356.406/01). Op dat hoger beroep is nog niet beslist. 5 De verzoeken en de beslissing in eerste aanleg 5.1.1. [appellant] heeft de rechtbank in eerste aanleg, samengevat, verzocht: - primair: NN te bevelen de opname van de persoonsgegevens van [appellant] in de genoemde registers ongedaan te maken, althans deze gegevens te (laten) verwijderen, hiervan melding te maken bij het CBV en dit schriftelijk te bevestigen aan [appellant] , op straffe van een dwangsom; - subsidiair: NN te bevelen tot het bewerkstelligen van een verkorting van de duur van deze registraties tot maximaal twee weken na de beschikking, op straffe van een dwangsom; - primair en subsidiair: NN te veroordelen in de proceskosten. 5.1.2. [appellant] heeft hieraan, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zijn persoonsgegevens ten onrechte in de registers zijn opgenomen, omdat geen sprake is van door hem gepleegde verzekeringsfraude. 5.2. NN heeft hiertegen verweer gevoerd. 5.3. Bij tussenbeschikking van 10 april 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat vast staat dat [appellant] op 7 en 10 maart 2022 aan NN en op 22 maart 2022 aan [maatschap] heeft laten weten dat (vrijwel) het gehele werk op 7 maart 2022 gereed was, terwijl dat niet het geval was blijkens de waarneming van [maatschap] op 12 maart 2022. De later gewijzigde verklaring van [appellant] , inhoudende dat [bedrijf 1] rond 11 maart 2022 zou zijn begonnen met het opnieuw opmetselen met de pilaren en deze werkzaamheden 21 maart 2022 heeft afgerond, dat [appellant] hiervan vanwege ziekte niet op de hoogte was en dat zijn moeder de schade heeft afgehandeld, is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank heeft voorts overwogen dat voorshands de meest voor de hand liggende verklaring is dat [appellant] pas na de mededeling van [maatschap] dat men het werk wilde komen bekijken, de opdracht heeft gegeven tot de uitvoering daarvan conform de offerte van [bedrijf 1] en dat hij dus in eerste instantie niet naar waarheid heeft verklaard over de uitvoering daarvan. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank geoordeeld dat NN voorshands heeft bewezen dat [appellant] NN op of omstreeks 7 maart 2022 heeft getracht te bewegen tot het doen van een hogere schade-uitkering dan waarop hij recht had. [appellant] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. 5.4. [appellant] heeft op 21 oktober 2024 zichzelf, zijn moeder, [bedrijf 1] , de heer [getuige 1] , de heer [getuige 2] en mevrouw [getuige 3] als getuigen laten horen. 5.5. Bij eindbeschikking van 2 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de afgelegde getuigenverklaringen geen verandering hebben gebracht in de feitelijke situatie waarvan de rechtbank in de tussenbeschikking is uitgegaan en dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De rechtbank heeft de verzoeken van [appellant] vervolgens afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 6 De verzoeken in hoger beroep 6.1. [appellant] voert drie grieven tegen voornoemde beschikkingen van 10 april 2024 en 2 april 2025 aan. [appellant] verzoekt het hof vervolgens deze beschikkingen te vernietigen en zijn verzoeken tot primair verwijdering van zijn persoonsgegevens uit de registers, subsidiair verkorting van de duur van de registraties alsnog toe te wijzen, met veroordeling van NN in de kosten van beide instanties, alles te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten 6.2. NN bestrijdt de grieven en verzoekt het hof deze te verwerpen en [appellant] te veroordelen in de kosten van eerste aanleg, in de werkelijke kosten van dit hoger beroep, te begroten op € 3.653,75, vermeerderd met het verschuldigde griffierecht, en in de nakosten, dit alles te vermeerderen met wettelijke rente. 7 De beoordeling in hoger beroep Verzekeringsfraude? 7.1. Met zijn hoger beroep legt [appellant] opnieuw de vraag of NN met een beroep op verzekeringsfraude de persoonsgegevens van [appellant] mocht (laten) opnemen in de Gebeurtenissenadministratie, het IVR en het EVR ter beantwoording voor. NN heeft aan deze opname, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [appellant] NN bewust niet naar waarheid heeft geïnformeerd over zijn schademelding door meermalen te verklaren dat de stormschade aan zijn poort op 7 maart 2022 door [bedrijf 1] conform zijn eindfactuur is hersteld, terwijl dat niet het geval was. 7.2. Het hof stelt vast dat [appellant] niet betwist dat in geval van verzekeringsfraude opname van de persoonsgegevens van de verzekeringnemer in de hiervoor genoemde registers in beginsel gerechtvaardigd is. [appellant] betwist wel dat in zijn geval sprake is van verzekeringsfraude. Hierop ziet grief 1. Toetsingsmaatstaf 7.3. Bij de beoordeling of [appellant] verzekeringsfraude heeft gepleegd, moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of [appellant] in strijd heeft gehandeld met zijn – uit artikel 7:941 lid 2 BW voortvloeiende – verplichting om NN alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor NN van belang waren om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag moet vervolgens de vraag worden beantwoord of [appellant] daarbij de opzet heeft gehad om NN te misleiden. Hierbij moet worden onderzocht of [appellant] de bedoeling heeft gehad NN te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder de schending van zijn inlichtingenplicht niet zou hebben gehad (vgl. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311, r.o. 3.1.5). 7.4. Het hof stelt vast dat ook de rechtbank deze maatstaf bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen (vgl. r.o. 4.2 en 4.3 van de tussenbeschikking van 10 april 2024 en r.o. 2.4.6 en 2.5 van de eindbeschikking van 2 april 2025). Het hof verwerpt dan ook het standpunt van [appellant] dat de rechtbank bij de beoordeling is uitgegaan van een onjuiste maatstaf. 7.5. Het is aan NN om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat [appellant] haar niet juist heeft ingelicht over de schade én dat dit is gebeurd met de bedoeling NN te misleiden. Naar oordeel van het hof is NN hierin geslaagd. Het hof overweegt daartoe het volgende. Schending inlichtingenplicht 7.6. Vast staat dat [appellant] op 7 maart 2022 de eindfactuur van [bedrijf 1] naar NN heeft toegestuurd en dat hij NN zowel op 7 maart 2025 als op 10 maart 2025 heeft laten weten dat alle herstelwerkzaamheden conform deze factuur waren verricht. 7.7. Tijdens het gesprek dat de onderzoeker van [maatschap] op 22 maart 2022 met [appellant] had, heeft [appellant] in eerste instantie opnieuw stellig verklaard dat alle werkzaamheden, waaronder het opnieuw opmetselen van de pilaren, op 7 maart 2022 waren afgerond. Uit het verslag van dat gesprek, dat onderdeel uitmaakt van het onderzoeksrapport van [maatschap] , volgt immers dat [appellant] op de vraag wanneer [bedrijf 1] aan het werk is geweest en wanneer deze klaar was, heeft verklaard: “Hij is hier even na de datum van de offerte begonnen. Ik denk dat hij op de 25e of 26e is begonnen zoiets. Hij was op 7 maart klaar toen heeft hij de factuur meegenomen.” Even later heeft [appellant] verklaard: “Hij heeft mij dat gefactureerd en dat heb ik betaald.” Op de vraag van de onderzoeker of [bedrijf 1] en/of een andere onderaannemer na het uitbrengen van de eindfactuur op 7 maart 2022 nog herstelwerkzaamheden aan de poort en/of de twee pilaren heeft verricht, heeft [appellant] geantwoord: “Ja alles was uitgevoerd alleen die stalen platen zijn daarna aangebracht en het schilderen.” . Tussen partijen is in confesso dat de stalen platen geen onderdeel vormden van de schadeclaim van [appellant] , terwijl het schilderen door [appellant] zelf ter hand is genomen en evenmin onder de schadeclaim viel. 7.8. Op 12 maart 2022 heeft de onderzoeker van [maatschap] ter plaatse echter geconstateerd dat de op de eindfactuur vermelde werkzaamheden, die volgens [appellant] dus al op 7 maart 2012 gereed waren, grotendeels niet waren verricht. [appellant] heeft de bevoegdheid tot het verrichten van een dergelijk onderzoek niet betwist of ter discussie gesteld, maar integendeel tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat dit het ‘goed recht’ was van NN. Dat de onderzoeker, zoals [appellant] aanvoert, geen deskundige op bouwkundig gebied is, doet aan de waarnemingen van de onderzoeker niet af. Dit geldt temeer, omdat de ter plaatse door de onderzoeker gemaakte foto’s, waarvan [appellant] niet betwist dat deze op 12 maart 2022 zijn gemaakt, de bevinding van de onderzoeker bevestigen. Op deze foto’s is namelijk te zien dat slechts aan één van de pilaren herstelwerkzaamheden hadden plaatsgevonden en dan nog slechts gedeeltelijk (een aantal stenen waren vervangen). 7.9. Pas nadat de onderzoeker [appellant] met de op 12 maart 2022 gemaakte foto’s heeft geconfronteerd, is [appellant] teruggekomen van zijn stellige verklaring dat alle werkzaamheden op 7 maart 2022 waren afgerond. Hij heeft vanaf dat moment verklaard dat [bedrijf 1] pas tussen 11 en 22 maart 2022 is begonnen met het opnieuw opmetselen van de pilaren en dat deze werkzaamheden op 21 maart 2022 zijn afgerond. Tijdens de kort geding procedure heeft hij hieraan toegevoegd dat hij vanwege ziekte niet op de hoogte was van de stand van zaken met betrekking tot de werkzaamheden en dat om die reden zijn moeder de factuur aan [bedrijf 1] (contant) heeft betaald. 7.10. Op de eindfactuur van [bedrijf 1] staat verder een bedrag van € 550,00 (2 x € 275,00) vermeld voor hardstenen platen. Vaststaat dat deze hardstenen platen niet door [bedrijf 1] zijn vervangen, maar dat de oude platen uiteindelijk weer op de pilaren zijn geplaatst. Niet alleen volgt dit uit het door [appellant] ingebrachte rapport van [bedrijf 2] , maar ook [appellant] zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep erkend dat er geen kosten voor de vervanging van de platen zijn gemaakt. Dit terwijl die kosten wel door [appellant] bij NN in rekening zijn gebracht op 7 maart 2022 en niet vóór 22 maart 2022 zijn afgetrokken van de schadeclaim. 7.11. Gelet op het voorgaande komt het hof met de rechtbank tot de conclusie dat [appellant] in het kader van de door hem geclaimde stormschade aan zijn poort onjuiste inlichtingen heeft verstrekt en dus dat hij tegenover NN zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Opzettelijke misleiding 7.12. [appellant] betwist dat hij met de mededeling dat de herstelwerkzaamheden op 7 maart 2022 waren afrond de opzet heeft gehad NN te misleiden. In dat verband voert [appellant] aan dat hij zich tijdens het gesprek op 22 maart 2022 heeft vergist toen hij dat verklaarde en dat deze vergissing te wijten was aan het feit dat hij in die periode ziek was. Volgens hem heeft hij als gevolg van zijn ziekte weinig tot niets meegekregen van de gang van zaken rondom het herstel van de poort, heeft zijn moeder in feite alles geregeld met [bedrijf 1] en heeft zij hem ( [appellant] ) op 7 maart 2022 verteld dat alle werkzaamheden gereed waren. 7.13. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat de door [appellant] gegeven verklaring voor de door hem gedane onjuiste mededeling niet geloofwaardig is. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. 7.13.1. De stelling van [appellant] dat hij door ziekte de feitelijke stand van zaken met betrekking tot de herstelwerkzaamheden aan de poort – die tegenover zijn woning staat – niet zelf heeft kunnen waarnemen, valt in de eerste plaats niet te rijmen met het feit dat hij in die periode wel in staat was om diverse e-mailberichten naar NN en een e-mailbericht naar een directielid van de moedermaatschappij van de NN te sturen over de afwikkeling van zijn schade. Ook is deze stelling niet te rijmen met de door hem op 22 maart 2022 afgelegde verklaring tegenover de onderzoeker van [maatschap] dat hij de pilaren na het opmetselen daarvan zelf heeft geschilderd. Vaststaat immers dat de pilaren op 12 maart 2022 nog niet opnieuw waren opgemetseld en dus ook niet waren geschilderd maar dat dit wel op 22 maart 2022 wel het geval was. Dit betekent dat het verven juist in de tussenliggende periode moet zijn gebeurd. Voorts valt op dat [appellant] volgens het gespreksverslag op 22 maart 2022 nauwkeurig kon beschrijven welke werkzaamheden aan de poort waren uitgevoerd. Ook dit komt niet overeen met zijn stelling dat hij door ziekte weinig tot niets heeft meegekregen. 7.13.2. Daarnaast is het opmerkelijk dat [appellant] tijdens het gesprek op 22 maart 2022 niet heeft gezegd dat hij erg ziek was geweest en zich om die reden kon vergissen bij het beantwoorden van de vragen, ook niet na te zijn geconfronteerd met de op 12 maart 2022 gemaakte foto’s. Eveneens is het opmerkelijk dat [appellant] op 22 maart 2022 in het geheel niets heeft verteld over de rol van zijn moeder bij de afhandeling van de schade. Volgens het gespreksverslag heeft [appellant] op 22 maart 2022 verklaard dat hij op 7 maart 2022, nadat zijn moeder het geld had gepind, de eindfactuur van [bedrijf 1] zelf contant heeft betaald. Later stelt [appellant] echter dat zijn moeder vanwege zijn ziekte de schade met [bedrijf 1] verder heeft afgehandeld en de eindfactuur van [bedrijf 1] heeft betaald. Ook stelt [appellant] nu in hoger beroep dat hij ervan is uitgegaan dat alle werkzaamheden op 7 maart 2022 waren afgerond, omdat zijn moeder hem dat heeft medegedeeld. Een verklaring waarom zijn moeder deze mededeling zou hebben gedaan, terwijl de werkzaamheden pas (veel) later daadwerkelijk zijn verricht, wordt niet gegeven. Echter, ook al zou de stelling van [appellant] op dit punt juist zijn, dan laat dit onverlet dat het, gelet op wat hiervoor is overwogen, ongeloofwaardig is dat [appellant] door ziekte er weinig tot niets van heeft meegekregen dat de herstelwerkzaamheden aan de poort niet tussen 25 februari en 7 maart 2022, maar veel later (tussen 11 maart en 21 maart 2022) zijn uitgevoerd. Het hof gaat daarom voorbij aan het namens [appellant] ter zitting gedane aanbod om zijn moeder nogmaals te doen horen over de gestelde door haar gedane mededeling omtrent voltooiing op 7 maart 2022, nu dit aan het bovenstaande (de mogelijke waarneming door [appellant] ) geen afbreuk kan doen. 7.13.3. Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellant] ook in hoger beroep geen uitleg geeft voor het feit dat [bedrijf 1] al op 7 maart 2022 een eindfactuur heeft afgegeven, terwijl de werkzaamheden pas later zijn gestart en veel later zijn afgerond. [appellant] voert slechts aan dat NN nooit de voorwaarde heeft gesteld dat alle werkzaamheden al uitgevoerd moesten zijn op het moment dat de eindfactuur van de verrichte werkzaamheden werd ingediend. Hij verliest daarbij echter uit het oog dat artikel 4.2 van de toepasselijke polisvoorwaarden bepaalt dat de resterende 50 % van de vastgestelde schadevergoeding pas wordt betaald als het herstel of de herbouw ‘aantoonbaar’ is gebeurd. Bovendien is het opvallend dat NN [appellant] op 10 maart 2022 laat weten nader onderzoek te willen verrichten en in dat kader de afgeronde werkzaamheden te willen komen bezichtigen, dat [appellant] daarop antwoordt dat hij druk is en ziek is en pas 22 maart 2022 beschikbaar is en dat de werkzaamheden vervolgens uitgerekend rond 11 maart 2022 zijn gestart en nét op 21 maart, de dag voor de datum van de afspraak met de onderzoeker van [maatschap] , geheel zijn afgrond. 7.14. Gelet op de onjuiste verklaring van [appellant] met betrekking tot de tijdlijn van de werkzaamheden en de ongeloofwaardige verklaring voor die onjuistheid toen hij daarmee werd geconfronteerd, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat [appellant] in eerste instantie met veel beperktere werkzaamheden aan de pilaren van de poort heeft willen volstaan dan volgt uit de eindfactuur en dat [appellant] de werkzaamheden pas (grotendeels) conform de eindfactuur heeft laten uitvoeren toen hij hoorde dat NN de verrichte werkzaamheden wilde laten opnemen. Daar komt bij dat [appellant] in ieder geval bij NN kosten heeft gedeclareerd (voor de vervanging van dekplaten) waarvan inmiddels vaststaat dat deze nooit zijn gemaakt, hetgeen op zichzelf al een beroep op artikel 7:941 BW rechtvaardigt. Op grond hiervan kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [appellant] de bedoeling heeft gehad NN te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder de schending van zijn inlichtingenplicht niet zou hebben gekregen. 7.15. Anders dan [appellant] meent, leiden de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van hemzelf, zijn moeder, [bedrijf 1] , de heer [getuige 1] , de heer [getuige 2] en mevrouw [getuige 3] , de diverse door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van onder meer zijn huisarts, [bedrijf 1] en zijn moeder en het rapport van [bedrijf 2] niet tot een ander oordeel. Het door NN geleverde bewijs van de verzekeringsfraude wordt hierdoor immers niet ontzenuwd. De (getuigen)verklaringen en het rapport van [bedrijf 2] bevestigen hooguit dat er (uiteindelijk) daadwerkelijk herstelwerkzaamheden aan de poort/pilaren hebben plaatsgevonden, maar nemen de hierboven genoemde tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet weg. Zij brengen geen verandering in de feitelijke vaststelling dat [appellant] in strijd met de waarheid meerdere malen stellig heeft medegedeeld dat de herstelwerkzaamheden conform de eindfactuur van [bedrijf 1] op 7 maart 2022 geheel waren afgerond, terwijl deze feitelijk pas op enig moment, nádat NN [appellant] had laten weten nader onderzoek te laten verrichten, alsnog (grotendeels) zijn uitgevoerd. 7.16. Grief 1 faalt dus. Bevoegde afdeling tot registratie persoonsgegevens 7.17. [appellant] stelt in zijn tweede grief dat de beslissing om zijn persoonsgegevens in het EVR te plaatsen niet is genomen door het bevoegde orgaan en dat deze daarom onrechtmatig is. Hij verwijst in dat verband naar artikel 5.2.4 Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (hierna: het Protocol) dat bepaalt dat een beslissing tot vastlegging van verwijzingsgegevens in het EVR moet worden genomen door Veiligheidszaken. Volgens [appellant] blijkt uit de brief van NN van 21 april 2022 dat die beslissing in het geval van [appellant] niet is genomen door de afdeling Veiligheidszaken van NN, maar door het team Speciale Zaken. 7.18. Het hof overweegt hierover het volgende. In hoofdstuk 2 van het Protocol is de term ‘Veiligheidszaken’ gedefinieerd als ‘ de afdeling of persoon die binnen een Financiële afdeling, Branchevereniging of Derde-organisatie verantwoordelijk is voor de Verwerking van Persoonsgegevens in het kader van het waarborgen van de veiligheid en integriteit.’ Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat er niet noodzakelijkerwijs een afdeling hoeft te bestaan met de naam Veiligheidszaken die beslissingen over de opname van persoonsgegevens in het EVR moet nemen. Dergelijke beslissingen moeten, gelet op voornoemde definitie, worden genomen door de persoon of afdeling die binnen NN verantwoordelijk is voor de verwerking van persoonsgegevens. NN brengt in dat verband naar voren dat de afdeling ‘Anti Fraud Desk’ binnen NN verantwoordelijk is voor het verwerken van persoonsgegevens en dat het team Speciale Zaken daarvan onderdeel uitmaakt. Dit wordt door [appellant] niet weersproken. Nu de beslissing om de persoonsgegevens te laten registeren is genomen door het team Speciale Zaken, kan ervan worden uitgegaan dat deze beslissing door de juiste afdeling is genomen. Grief 2 faalt eveneens. Belangenafweging 7.19. In zijn derde grief stelt [appellant] dat bij de beslissing van NN om de gegevens van [appellant] op te nemen in de registers geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Uit het woord ‘kunnen’ in artikel 13 van de polisvoorwaarden volgt volgens [appellant] dat het nemen van maatregelen een discretionaire bevoegdheid is en dat het uitoefenen van die bevoegdheid gemotiveerd moet worden. [appellant] stelt dat dit in zijn geval niet is gebeurd. [appellant] verwijst daarnaast naar artikel 5.2.1 sub c van het Protocol waarin is bepaald dat bij opneming in het EVR het proportionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen. 7.20. Het hof kan [appellant] niet volgen in zijn stelling dat NN haar beslissing om de persoonsgegevens van [appellant] op te nemen in de registers zonder motivering heeft genomen. Het hof overweegt daartoe dat NN deze beslissing in haar brief van 21 april 2022 op ruim vijf pagina’s uitgebreid heeft toegelicht. De beslissing is bovendien mede gebaseerd op het bij die brief gevoegde onderzoeksrapport van [maatschap] van twaalf bladzijden. Hiermee heeft NN haar beslissing naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd en onderbouwd. 7.21. Het hof neemt verder in aanmerking dat NN op de vijfde bladzijde van haar brief van 21 april 2022 heeft vermeld dat de opname van de gegevens gevolgen voor [appellant] (kunnen) hebben, bijvoorbeeld bij sollicitaties en bij het aanvragen van verzekeringen of andere financiële producten, en dat daarom een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen de belangen van [appellant] en de belangen van de financiële instellingen. Uit het feit dat NN ervoor heeft gekozen om de registratie in het Incidentenregister en het EVR vijf jaar te laten duren (in plaats van maximaal acht jaar, vgl. artikel 4.3.3 van het Protocol) blijkt ook naar het oordeel van het hof dat er daadwerkelijk een belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat NN heeft getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel. Anders dan [appellant] meent, volgt een verdergaande motiveringsverplichting van NN niet uit het Protocol, ook niet ten aanzien van de belangenafweging. Ook overigens blijkt deze verplichting niet. 7.22. Ten slotte is ook het hof van oordeel dat een belangenafweging in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de opname in de registers, in het bijzonder de opname in het EVR tot 2027, waar het [appellant] , zo begrijpt het hof, vooral om gaat, in het voordeel van NN dient uit te vallen. NN heeft er belang bij om zichzelf en andere verzekeraars te beschermen tegen frauduleus handelen. Daartegenover staat het belang van [appellant] als verzekeringnemer/verzekerde. [appellant] heeft in dat verband aangevoerd dat de vermeende fraude een betrekkelijk lage schadeclaim betreft, dat [appellant] zich nog nooit eerder heeft schuldig gemaakt aan verzekeringsfraude of enig andere misdaad en zich met de registratie diep voelt aangetast in zijn goede naam en dat hij zich niet meer (elders) kan verzekeren tegen gelijke voorwaarden als bij NN. De omstandigheid dat de registratie negatieve (financiële) gevolgen voor [appellant] heeft, doet echter niet af aan het feit dat [appellant] zichzelf in deze positie heeft gebracht door (zijn poging om) NN opzettelijk te misleiden. Evenmin doet deze omstandigheid af aan de ernst van de vastgestelde (poging tot) opzettelijke misleiding ten aanzien van een schadeclaim van enige omvang. Het hof is dan ook van oordeel dat bovengenoemd belang van NN zwaarder weegt dan de door [appellant] genoemde belangen en dat daarom de opname in de registers rechtmatig en de – door NN zelf al ten aanzien van opname in het EVR beperkte – duur van de opname proportioneel is. Ten aanzien van de interne registratie (w.o. het IVR) tot 14 maart 2030, die uitsluitend effect heeft voor de NN group, heeft [appellant] geen specifieke bezwaren naar voren gebracht. Het hof acht deze opname en de daarbij voor interne doeleinden gekozen duur gezien de omstandigheden van het geval overigens ook proportioneel. 7.23. Ook grief 3 faalt. 7.24. Behalve het aanbod ter zitting om de moeder van [appellant] te horen, dat het hof hiervoor al heeft verworpen, biedt [appellant] in hoger beroep geen (tegen)bewijs aan. Het hof komt aan nadere (tegen)bewijslevering dan ook niet toe. De slotsom 7.25. Nu de grieven falen, zal het hof de bestreden beschikkingen bekrachtigen. Proceskosten 7.26. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. 7.27. NN verzoekt [appellant] te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtsbijstand van NN in dit hoger beroep van tot op heden € 3.653,75. NN voert ten eerste aan dat, gelet op eerdere procedures over hetzelfde onderwerp waarbij [appellant] steeds op dezelfde gronden in het ongelijk is gesteld, [appellant] het instellen van dit hoger beroep vanwege de evidente ongegrondheid daarvan achterwege had moeten laten. NN voert voorts aan dat de wijze waarop het hoger beroep is ingesteld in strijd is met artikel 21 Rv, omdat [appellant] de eerdere procedures en de uitkomst daarvan heeft verzwegen en daarmee bewust heeft geprobeerd om de (poging tot) verzekeringsfraude te verhullen. 7.27.1. Het hof stelt voorop dat een partij alleen in buitengewone omstandigheden, in afwijking van de proceskostenregeling van de artikelen 237-240 Rv, kan worden veroordeeld om de volledige proceskosten van de wederpartij te vergoeden. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Hiervan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past bovendien terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (zie onder meer Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, r.o. 5.3.3). 7.27.2. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen in de hiervoor bedoelde zin. Het enkele feit dat [appellant] al eerder tevergeefs heeft geprobeerd in kort geding (in eerste aanleg en in hoger beroep) de opname van zijn persoonsgegevens in de registers ongedaan te laten maken en eenmaal tevergeefs uitkering van de schade en schadevergoeding heeft gevorderd, is hiervoor onvoldoende. Ditzelfde geldt voor het feit dat [appellant] in zijn beroepschrift niets heeft vermeld over deze eerdere procedures en de uitkomsten daarvan. Dat [appellant] steeds dezelfde feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ter betwisting van de door NN vastgestelde verzekeringsfraude, zo ook in dit hoger beroep, maakt dit niet anders. Het hof betrekt hierbij dat de oordelen van de voorzieningenrechter en het hof in de kort geding procedure, die in de tussenbeschikking van de rechter in eerste aanleg staan genoemd (onderdeel 2.14), voorlopige oordelen betreffen die de bodemrechter (zoals het hof in deze zaak) niet binden (artikel 257 Rv) en dat de uitspraak in de schadeprocedure nog niet onherroepelijk is geworden (hiervan is [appellant] immers ook tijdig in hoger beroep gekomen). 7.28. Het hof zal voor de proceskostenveroordeling van [appellant] dan ook aansluiting zoeken bij het geldende liquidatietarief. Dit betekent dat de proceskosten aan de zijde van NN tot op heden zullen worden vastgesteld op: Griffierechten € 827,00 Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten x tarief II) Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 3.433,00 7.29. Nu [appellant] geen afzonderlijk verweer voert tegen de door NN verzochte wettelijke rente over de proceskosten, zal het hof deze op na te melden wijze toewijzen. 7.30. De proceskostenveroordeling zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 8 De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 april 2025 en 2 april 2025; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van NN vastgesteld op € 3.433,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan; verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorbaat. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.B. Smits en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.