# Rechtbank Overijssel, 22-09-2026 (12236938 \ CV EXPL 26-1497 en 12236958 \ CV EXPL 26-1499)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Overijssel
- Identifier: ECLI:NL:RBOVE:2026:5888
- Date: 2026-09-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2026%3A5888
- Canonical: https://overview.legal/posts/593211

## Summary

Na onherroepelijke strafrechterlijke veroordeling zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor vergoeding van de medische kosten van het slachtoffer die door de verzekeraar zijn vergoed, inclusief €100,00 aan administratiekosten.

## Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummers: 12236938 \ CV EXPL 26-1497 en 12236958 \ CV EXPL 26-1499 Vonnis van 22 september 2026 in de zaak van MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V. , gevestigd te Wageningen, eisende partij, hierna te noemen: Menzis, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders, tegen (zaaknummer 12236938) [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 1], gedaagde sub 1., hierna te noemen: [gedaagde 1], gemachtigde: [gemachtigde 1], tante van gedaagde sub 1., en (zaaknummer 12236958) [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats 2], gedaagde sub 2., hierna te noemen: [gedaagde 2], gemachtigde: [gemachtigde 2], moeder van gedaagde sub 2. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de (gelijkluidende) dagvaardingen van Menzis tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 29 april 2026; - de (gelijkluidende) conclusies van antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]; - de conclusie van repliek van Menzis. 1.2 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben, hoewel zij daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, allebei geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek te nemen. 1.3 Aangezien de zaken van Menzis tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegelijk aanhangig zijn, bij dezelfde rechter, tussen dezelfde partijen, over hetzelfde onderwerp gaan, én over en weer gelijkluidende processtukken zijn gebruikt, is de kantonrechter ex artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ambtshalve overgegaan tot voeging van de zaken. Dit betekent dat er één vonnis zal worden gewezen, dat vandaag wordt uitgesproken. 2 De samenvatting 2.1 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de nacht van 13 op 14 augustus 2022 de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) mishandeld. Daarvoor zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in 2023 strafrechtelijk veroordeeld. Menzis is de zorgverzekeraar van het slachtoffer en heeft medische kosten vergoed. Menzis wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze medische kosten aan haar vergoeden. 2.2 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij nog iets verschuldigd zijn. 2.3 De kantonrechter wijst de vordering van Menzis toe. Hierna wordt uitgelegd waarom. 3 De feiten 3.1 In de nacht van zaterdag 13 op zondag 14 augustus 2022 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de binnenstad van Enschede het slachtoffer zwaar mishandeld en goederen van hem gestolen. 3.2 Bij strafvonnis van de meervoudige strafkamer van 28 februari 2023 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van poging tot doodslag, het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en diefstal. Daarbij heeft de strafrechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (het slachtoffer) gedeeltelijk toegewezen en zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld om een bedrag van € 602,83 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade aan de Staat te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 augustus 2022. 3.3 Menzis is de zorgverzekeraar van het slachtoffer. In de periode van 14 augustus 2022 tot en met 19 augustus 2022 heeft Menzis ten behoeve van het slachtoffer medische kosten vergoed, in totaal voor een bedrag van € 1.910,60. 3.4 Vanaf 8 februari 2024 heeft Menzis zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] meerdere keren aangeschreven en gesommeerd om de medische kosten van het slachtoffer inclusief € 100,00 aan administratiekosten, totaal € 2.010,60 te betalen. Dat is niet gebeurd. 4 Het geschil 4.1 Menzis vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 2.777,25, vermeerderd met rente en kosten. De vordering is als volgt gespecificeerd: Medische kosten: € 1.910,60; Administratiekosten: € 100,00; Wettelijke rente tot 21 april 2026: € 401,73; Buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw): € 364,92. 4.2 Menzis legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar verzekerde, waardoor deze lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor het letsel is de verzekerde medisch behandeld. De medische kosten bedragen € 2.010,60 (inclusief € 100,00 administratiekosten). Menzis is in de rechten van de verzekerde overeenkomstig artikel 7:962 Burgerlijk Wetboek (BW) gesubrogeerd. Zij vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van deze kosten, vermeerderd met rente en kosten. 4.3 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Menzis, met veroordeling van Menzis in de kosten van deze procedure. 4.4 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren daartoe aan dat zij met het strafvonnis van 28 februari 2023 al zijn veroordeeld om de schade van het slachtoffer te vergoeden. Inmiddels hebben zij die bedragen betaald. 4.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bij strafvonnis van de meervoudige strafkamer van 28 februari 2023 allebei veroordeeld wegens (onder meer) het medeplegen van een poging tot doodslag. Inmiddels is dat op tegenspraak gewezen vonnis ook in kracht van gewijsde gegaan. Overeenkomstig artikel 161 Rv staat dat in deze civiele procedure dan ook vast . Dat levert een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW jegens het slachtoffer. 5.2 Menzis heeft de schade (de medische kosten) van haar verzekerde (het slachtoffer) die voortvloeit uit deze onrechtmatige daad vergoed. Menzis is op grond van artikel 7:962 lid 1 BW door middel van subrogatie in de rechten van haar verzekerde getreden. Dat betekent dat Menzis ook in de rechten treedt van de vordering tot schadevergoeding die haar verzekerde tegenover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft. Menzis kan daarom de vordering tot betaling van deze schadevergoeding instellen. 5.3 Menzis heeft met een gespecificeerd overzicht onderbouwd welke kosten zij van het slachtoffer heeft vergoed. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daar niet inhoudelijk op gereageerd, zodat de kantonrechter ervan uit gaat dat (de omvang van) dat overzicht juist is. 5.4 Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ziet erop dat zij met het strafvonnis van 28 februari 2023 al zijn veroordeeld om (im)materiële schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen en dat ook hebben betaald. Menzis heeft daar bij conclusie van repliek tegenin gebracht dat de door de strafrechter toegekende schadevergoeding geen betrekking heeft op de door haar vergoede medische kosten. Die stelling heeft Menzis onderbouwd met een specificatie van het bedrag dat de strafrechter aan materiële schadevergoeding heeft toegekend. Dat bedrag bestaat uit parkeerkosten, niet-vergoede medische kosten, kosten van beschadigde kleding en schoenen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daar bij gebreke van verweer niet meer op gereageerd. Zij hebben namelijk geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om nog een conclusie van dupliek te nemen. De kantonrechter neemt de stellingen van Menzis daarom als vaststaand aan. De vordering van Menzis voor een bedrag van € 1.910,60 aan medische kosten wordt dan ook toegewezen. 5.5 Ook de gevorderde administratiekosten van € 100,00 komen voor vergoeding in aanmerking op basis van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW. Menzis heeft voldoende gesteld welke werkzaamheden door haar zijn verricht en gedaagden hebben dit niet weersproken. Wettelijke rente 5.6 De door Menzis gevorderde verschenen wettelijke rente van € 401,73, berekend tot 21 april 2026, wordt als onweersproken toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde lopende wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 2.010,60, te rekenen vanaf 21 april 2026, tot de dag van volledige betaling. Buitengerechtelijke incassokosten 5.7 Menzis vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. 5.8 Menzis heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. Menzis heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Menzis een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 364,92 (inclusief btw) worden toegewezen. Hoofdelijkheid 5.9 Menzis vordert dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld in betaling van de hoofdsom, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. Nu blijkens de door Menzis ingebrachte strafvonnissen bij beide gedaagden sprake is van het medeplegen van een poging tot doodslag, stelt de kantonrechter vast dat beide gedaagden een onrechtmatige daad (ex artikel 6:162 BW) hebben gepleegd jegens het slachtoffer. Dat brengt overeenkomstig artikel 6:102 BW mee dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens Menzis hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, in totaal voor een bedrag van € 2.777,25 (aan medische kosten, administratiekosten, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw, te vermeerderen met de lopende wettelijke rente). In rechtsoverweging 5.14. wordt uitgelegd wat dat precies betekent. Proceskosten 5.10 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien de zaken van Menzis tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevoegd zijn behandeld, ziet de kantonrechter met betrekking tot de proceskosten aanleiding om het bedrag aan salaris gemachtigde en de nakosten maar één keer toe te wijzen (dus niet tegenover beide gedaagden), en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de betaling daarvan te veroordelen. De dagvaardingen en conclusies van repliek zijn namelijk gelijkluidend. Ook komt er (door de voeging) maar één vonnis, waardoor de nakosten ook maar één keer worden toegewezen. De betekeningskosten van de dagvaarding en het griffierecht zijn wel dubbel gemaakt, omdat de zaken aanvankelijk afzonderlijk bij de kantonrechter zijn aangebracht, zodat die kosten wel afzonderlijk worden toegewezen. 5.11 De proceskosten van Menzis tegenover [gedaagde 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,77 - griffierecht € 529,00 Totaal € 682,77 5.12 De proceskosten van Menzis tegenover [gedaagde 2] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 153,77 - griffierecht € 529,00 Totaal € 682,77 5.13 De proceskosten van Menzis tegenover zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 632,50 5.14 De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. 6 De beslissing De kantonrechter 6.1 veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Menzis te betalen een bedrag van € 2.777,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.010,60, met ingang van 21 april 2026, tot de dag van volledige betaling, 6.2 veroordeelt [gedaagde 1] (in zaaknummer 12236938 \ CV EXPL 26-1497) in de proceskosten van € 682,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 6.3 veroordeelt [gedaagde 2] (in zaaknummer 12236958 \ CV EXPL 26-1499) in de proceskosten van € 682,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 6.4 veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (in beide zaken) hoofdelijk in de proceskosten van € 635,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet/voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. ! Dit levert dwingend bewijs op. Zie rechtsoverweging 5.13.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593211 · 2026-10-08
