Skip to content
Case Law · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ·ECLI:NL:GHARL:2026:6332 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-09-2026 (24/1889 en 24/1890)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

IB/PVV. Ontvangst uitnodiging zitting rechtbank. Terugwijzing naar rechtbank.

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummers BK-ARN 24/1889 en 24/1890 uitspraakdatum: 29 september 2026 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2024, zaaknummers LEE 23/5551 en 23/5553, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur van de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Tegelijk met deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking het verlies uit werk en woning op grond van artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001 vastgesteld op € 11.675 (hierna: verlies uit werk en woning), waarbij de Inspecteur het ondernemingsverlies op grond van artikel 3.151, tweede lid, van de wet IB 2001 heeft vastgesteld op € 0 (hierna: ondernemingsverlies). 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden aanslag gehandhaafd. 1.3 Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 0. 1.4 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.5 Belanghebbende is tegen de hiervoor – onder 1.2 en 1.4 – bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 10 september 2024 ongegrond verklaard. 1.6 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . 1.8 Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota aan het Hof en de wederpartij toegezonden, welke geacht wordt te zijn voorgelezen. 1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 De vaststaande feiten 2.1 Van 13 april 2017 tot 30 oktober 2023 stond belanghebbende ingeschreven op het [adres1] (hierna: de woning). De woning is een appartement met twee slaapkamers. 2.2 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft belanghebbende winst uit onderneming aangegeven, voor een bedrag van negatief € 19.919, en zelfstandigenaftrek geclaimd. 2.3 De activiteiten van belanghebbende bestonden in 2019 uit het verzorgen van de boekhouding van de heer [naam4] , de handel in kavels grond en het verrichten van beheersactiviteiten en werkzaamheden als loodgieter voor [naam bedrijf] GmbH in (de omgeving van) Hamburg, Duitsland. Ter zake van zijn activiteiten als loodgieter is belanghebbende ondernemer voor de omzetbelasting. 2.4 Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2019 een totale omzet aangegeven van € 10.812, bestaande uit € 867,79 voor het verzorgen van de boekhouding van de heer [naam4] en € 9.944,49 voor de werkzaamheden voor [naam bedrijf] GmbH . 2.5 Belanghebbende heeft ten aanzien van zijn werkzaamheden met betrekking tot de aan- en verkoop van kavels grond in 2019 geen omzet behaald. Wel zijn door belanghebbende in het jaar 2019 kavels grond aangekocht. 2.6 In zijn aangifte IB/PVV 2019 heeft belanghebbende € 8.244 aan huisvestingskosten opgenomen. Deze huisvestingskosten bestaan uit de door belanghebbende verschuldigde huursommen voor de woning (€ 7.436), kosten voor gas, water en elektra (€ 662,99) en zakelijke kosten (€ 145,32). 2.7 Bij brief van 9 juli 2021 heeft de Inspecteur vragen gesteld naar aanleiding van de aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2017, 2018 en 2019. Op 23 december 2021 heeft de accountant van belanghebbende die vragen beantwoord. 2.8 Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019, met dagtekening 14 oktober 2022, heeft de Inspecteur het door belanghebbende met zijn activiteiten behaalde resultaat aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De huisvestigingskosten heeft de Inspecteur niet in aftrek toegelaten. 2.9 Tot het jaar 2016 was belanghebbende werkzaam als parkbeheerder van recreatiepark [naam recreatiepark] . Dit recreatiepark was in eigendom van de heer [naam4] . De kavels grond waarin belanghebbende in het verleden handelde, zijn veelal op dit recreatiepark gelegen. 2.10 De Inspecteur heeft in 2014 over de jaren 2009 tot en met 2013 een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 11 december 2014. De activiteiten van belanghebbende bestonden volgens het boekenonderzoek op dat moment uit het parkbeheer van recreatiepark [naam recreatiepark] voor de heer [naam4] , de aan- en verkoop van kavels grond en de verhuur van vijf mobiele bungalows op recreatiepark [naam recreatiepark] en het verrichten van diverse werkzaamheden voor derden. Deze activiteiten zijn destijds aangemerkt als winst uit onderneming. 2.11 Op 13 maart 2020 heeft [naam5] namens de Inspecteur een verslag van het hoorgesprek van 10 maart 2020 in het kader van het bezwaar tegen de aanslag in de IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 toegestuurd. In het begeleidende e-mailbericht geeft hij aan dat, (mede) als gevolg van naar aanleiding van het boekenonderzoek gewekt vertrouwen, de activiteiten van belanghebbende ook in 2016 een onderneming vormen. Verder schrijft hij: “ Ik benadruk dat het opgewekte vertrouwen naar aanleiding van het boekenonderzoek niet geldt voor de jaren vanaf 2017. De activiteiten zijn namelijk aanzienlijk gewijzigd. Het parkbeheer is gestopt en in 2016 is een deel van de kavels verkocht. De activiteiten vanaf 2017 staan dan ook op zichzelf en zowel de bron van inkomen als het voldoen aan de ondernemersaftrekken dienen fiscaal opnieuw te worden beoordeeld. ”. 2.12 Bij brief van 9 december 2025 heeft [naam6] namens de Inspecteur naar aanleiding van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 geschreven: “ In de winst- en verliesrekening 2021 zijn verschillende activiteiten samengevoegd als zijnde één onderneming. In de voorgaande jaren is hierover discussie geweest en door de Belastingdienst gesteld dat elke activiteit afzonderlijk beoordeeld dient te worden op de aanwezigheid van een bron en type bron van inkomen. Doordat ik uw aangifte conform de door u aangeleverde gegevens heb vastgesteld, kan er bij u het vertrouwen zijn gewekt dat ik een ander standpunt heb ingenomen en de verschillende activiteiten aanmerk als één onderneming/activiteit accepteer. Hierbij zeg ik per 1 januari 2026 het eventueel opgewekte vertrouwen op dat de verschillende activiteiten als één activiteit kunnen worden gezien. Daarnaast zeg ik hierbij eventueel opgewekte vertrouwen op dat bij deze activiteit(en) sprake is van winst uit onderneming. ”. 2.13 Belanghebbende stond geregistreerd in het systeem van de Fraude Signalering Voorziening (hierna: de FSV). 2.14 Bij brief van 18 november 2021 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) naar aanleiding van een klacht van belanghebbende onder meer medegedeeld dat de Belastingdienst de FSV heeft gebruikt in de periode van 4 november 2013 tot en met 27 februari 2020. In het onderzoek concludeert de AP dat de wijze waarop de Belastingdienst FSV heeft ingezet heeft geleid tot meerdere en ernstige overtredingen van de Algemene verordening gegevensbescherming en de voorloper ervan. 3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw voor het jaar 2019 en het vastgestelde verlies uit werk en woning respectievelijk het ondernemingsverlies tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Voorts klaagt belanghebbende erover dat hij de uitnodiging voor de zitting van de Rechtbank niet heeft ontvangen. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en hogere vaststelling van het verlies uit werk en woning en het ondernemingsverlies. Voorts verzoekt hij om terugwijzing van de zaken naar de Rechtbank. 3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting. 4 Beoordeling van het geschil 4.1 Belanghebbende heeft gesteld dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de Rechtbank heeft ontvangen. 4.2 Uit het procesdossier blijkt niet dat belanghebbende in eerste aanleg langs de elektronische weg procedeerde. Desgevraagd heeft belanghebbende dat ter zitting van het Hof bevestigd. 4.3 Artikel 8:37 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt voor die situatie – voor zover hier van belang – dat de uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen in beginsel geschiedt per aangetekende brief. De wetgever heeft deze wijze van verzending voorgeschreven omdat bij een paar cruciale momenten in de procedure met het oog op de op het spel staande belangen zekerheid dient te bestaan dat de brief ter bestemder plaatse is aangekomen (Kamerstukken II 1991-1992, 22.495, nr. 3, p. 124). 4.4 Indien een partij niet ter zitting van de Rechtbank is verschenen dient de uitspraak van de Rechtbank de feiten in te houden waaruit blijkt dat de aan deze partij gerichte uitnodiging voor die zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden. Indien die feiten in de uitspraak ontbreken en deze partij in hoger beroep aanvoert dat zij niet tijdig en op regelmatige wijze is uitgenodigd, dient die uitspraak te worden vernietigd (vgl. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7458). 4.5 Indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden (zie HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1774). 4.6 In de bestreden uitspraak van de Rechtbank staat dienaangaande vermeld (waarbij met “eiser” belanghebbende wordt bedoeld): “ Eiser is wel op de juiste wijze uitgenodigd. Uit het Track & Trace-systeem van PostNL maakt de rechtbank namelijk op dat de uitnodiging voor de zitting aan het juiste adres is verzonden en dat op 25 april 2024 om 15:45 uur is getekend voor het ontvangst van deze schriftelijke uitnodiging. ”. 4.7 Het procesdossier in eerste aanleg bevat een bericht met de uitnodiging voor de zitting van 25 juli 2024, welke langs de elektronische weg is bekendgemaakt op 24 april 2024. Het procesdossier van de Rechtbank bevat voorts een afschrift van een schrijven, d.d. 24 april 2024, waarmee een afschrift van dat bericht per aangetekende post aan belanghebbende is toegezonden. De hiervoor – onder 4.6 – bedoelde “Track&Trace”-gegevens ontbreken evenwel in het procesdossier. De griffier van het Hof heeft navraag gedaan bij de Rechtbank. Uit dat onderzoek is gebleken dat de Rechtbank niet beschikt over de bedoelde “Track&Trace”-gegevens. Uit nader onderzoek bij PostNL blijkt voorts dat deze gegevens ook bij PostNL niet (meer) zijn te achterhalen. Onder die omstandigheden is het oordeel van de Rechtbank dat de uitnodiging op de juiste wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden, onbegrijpelijk. 4.8 Het hoger beroep is daarom gegrond. Voor die situatie heeft belanghebbende verzocht om terugwijzing van de zaken naar de Rechtbank. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en de zaken terugwijzen naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. 5 Proceskosten en griffierecht In de omstandigheid dat het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende, te berekenen op verletkosten ad (2 uren x € 40 =) € 80 en reiskosten ( [woonplaats] – Leeuwarden v.v.) ad € 14,64, in totaal derhalve € 94,64. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – wijst de zaken terug naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling, – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 94,64, en – gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.BA. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (P. van der Wal) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.