# Rechtbank Midden-Nederland, 09-09-2026 (C/16/603411 / BE ZA 25-64)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:6863
- Date: 2026-09-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A6863
- Canonical: https://overview.legal/posts/593214

## Summary

Erfrecht. Uitleg testament. Afgifte stukken.

## Full text

RECHTBANK Midden-Nederland Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/603411 / BE ZA 25-64 Vonnis van 9 september 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.S.J. Supičić, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , advocaat: mr. M. Helmantel, en 2 2. [gedaagde sub 2] , wonend in [woonplaats] , 3. [gedaagde sub 3] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , advocaat: mr. N.V.T. Cremers. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 21; - de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ; - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , met producties 1 tot en met 13; - de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] ; - het e-mailbericht van 20 mei 2026 van deze rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging producties van 1 juli 2026 van [eiser] , met aanvullende producties 22 tot en met 28. 1.2 Op 16 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten (mede aan de hand van spreekaantekeningen) toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 Waar gaat de zaak over? 2.1 Op 14 juni 2025 is de heer [erflater] overleden (hierna: erflater). Hij was de echtgenoot van [eiser] , de broer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de voormalig zwager van [gedaagde sub 3] . 2.2 Erflater was van 8 september 2010 tot aan zijn overlijden met [eiser] getrouwd in gemeenschap van goederen. 2.3 Erflater is eerder getrouwd geweest met mevrouw [A] (hierna: [A] ). Dit huwelijk is op 3 november 2008 geëindigd door het overlijden van [A] . 2.4 Erflater heeft voor het laatst een testament opgemaakt op 24 juni 1999. Hierin heeft hij [A] tot zijn enig erfgenaam benoemd en, voor het geval erflater na [A] zou komen te overlijden zonder achterlating van afstammelingen, voor de ene helft van zijn nalatenschap [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en voor de andere helft [gedaagde sub 3] (de broer van [A] ) als zijn erfgenamen, met toepassing van de geldende regels van plaatsvervulling. Op het moment van het opmaken van het testament waren erflater en [A] nog niet met elkaar getrouwd. 2.5 [eiser] vordert (in conventie) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen en dat het versterferfrecht van toepassing is. 2.6 [gedaagde sub 1] wil dat de vorderingen van [eiser] worden toegewezen. 2.7 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voeren verweer. Volgens hen is het de wil van erflater geweest dat het vermogen van erflater en [A] binnen de beide families zou blijven en niet dat het bij (de familie van) [eiser] terechtkomt. 2.8 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen (in reconventie) dat [eiser] wordt veroordeeld tot afgifte van stukken om een boedelbeschrijving te kunnen opmaken, zodat de nalatenschap kan worden vereffend, op straffe van een dwangsom. 2.9 [eiser] voert verweer. Zij voert aan dat pas tot afgifte van stukken moet worden overgegaan als een gerechtelijke uitspraak over de vraag of het testament van erflater rechtsgeldig is, in kracht van gewijsde is gegaan. 2.10 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] krijgen (in conventie en in reconventie) grotendeels gelijk. De rechtbank zal niet voor recht verklaren dat aan het testament van erflater de werking is ontvallen en dat het versterferfrecht van toepassing is. Daarnaast zal de rechtbank [eiser] veroordelen tot afgifte van stukken. De proceskosten zullen vanwege de relatie tussen partijen worden gecompenseerd. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt. 3 De beoordeling In conventie Verklaring voor recht 3.1 [eiser] stelt dat het testament niet de uiterste wil van erflater bevat. De omstandigheden op het moment van overlijden van erflater zijn fundamenteel gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het opmaken van het testament: erflater is inmiddels getrouwd met [eiser] , gebrouilleerd met [gedaagde sub 2] en heeft geen contact meer met [gedaagde sub 3] (de broer van [A] ). Volgens [eiser] is door deze gewijzigde omstandigheden de werking aan het testament van erflater komen te ontvallen. 3.2 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] betwisten dat. Volgens hen heeft erflater destijds verklaard dat het zijn wil was (en die van [A] ) dat het vermogen uiteindelijk bij de neefjes en nichtjes van erflater en [A] terecht zou komen. Door de (subsidiaire) erfstelling in het testament blijft het vermogen van erflater in de families van erflater en [A] en komt het niet bij (de familie van) [eiser] terecht. 3.3 Vooropgesteld wordt dat een testament geldig blijft totdat het overeenkomstig de wet is herroepen. Het is niet gebleken dat erflater zijn testament heeft herroepen, zodat het testament formeel rechtsgeldig is. 3.4 Het testament van erflater is verleden op 24 juni 1999. Erflater is overleden na de inwerkingtreding van het huidige erfrecht op 1 januari 2003. De maatstaf voor de uitleg van het testament wordt gegeven door artikel 4:46 BW, dat op grond van artikel 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft . 3.5 Artikel 4:46 BW bepaalt dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van het testament van belang kunnen zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen die erflater had tijdens het opmaken van het testament, kunnen in aanmerking komen als omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met het testament kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met het testament kennelijk wenst te regelen, kan ook acht geslagen worden op verklaringen van getuigen over wat de erflater heeft beoogd. 3.6 De rechtbank zal aan de hand van de hiervoor beschreven maatstaf uit artikel 4:46 lid 1 BW beoordelen hoe de erfstelling in het testament moeten worden uitgelegd. Hierbij gaat het dus niet om een uitsluitend grammaticale uitleg van de tekst van het testament. Ook als de tekst van het testament op het eerste gezicht volstrekt duidelijk is, moet rekening worden gehouden met de verhoudingen die erflater in zijn testament kennelijk wenste te regelen en met de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Met andere woorden: beoordeeld moet worden wat erflater voor ogen stond op het moment waarop hij het testament liet opstellen. 3.7 Tussen partijen staat niet ter discussie dat het testament in taalkundige zin helder is: in het testament staat heel duidelijk dat erflater [A] benoemt tot zijn enige erfgenaam. Voor het geval erflater na [A] zou komen te overlijden zonder achterlating van afstammelingen, benoemt erflater [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor de ene helft en [gedaagde sub 3] voor de andere helft van zijn nalatenschap als erfgenamen. 3.8 Vast staat dat erflater op het moment van het opstellen van het testament geen kinderen had. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben onbetwist gesteld dat erflater en [A] bewust geen kinderen wilden. Uit de tekst van het testament valt af te leiden dat erflater de verhouding met [A] heeft willen regelen. Ook is duidelijk dat erflater wilde dat het vermogen van erflater en [A] verdeeld zou worden over beide families en niet dat het vermogen zou toekomen aan alleen de familie van de langstlevende partner. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben onbetwist gesteld dat [A] gelijktijdig met erflater een testament heeft laten opstellen waarin eenzelfde bepaling is opgenomen. Uit de gelijkluidende testamenten van erflater en [A] blijkt dat zij hun gezamenlijk opgebouwde vermogen over beide families wilden verdelen. [eiser] heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist, maar de testamenten spreken voor zich. 3.9 Dat erflater volgens [eiser] met het testament heeft willen voorkomen dat zijn moeder zou erven, is niet vast komen te staan. Het is slechts een aanname van [eiser] en bovendien betwist door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Om zijn moeder te onterven had erflater ook kunnen volstaan met het opnemen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als erfgenamen. Dat erflater ook [gedaagde sub 3] als erfgenaam heeft opgenomen, onderbouwt de stelling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat erflater (net als [A] ) heeft gewild dat het door hem en [A] opgebouwde vermogen over beide families verdeeld zou worden. 3.10 Vervolgens moet worden beoordeeld of zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voordoen waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij wat erflater kennelijk wenste te regelen. In dat geval kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen. 3.11 Vast staat dat na het laten opmaken van het testament in 1999 sprake is van gewijzigde omstandigheden: [A] is in 2008 overleden en erflater was op het moment van overlijden ruim vijftien jaar getrouwd met [eiser] . Uit het testament valt niet af te leiden dat erflater bij het opmaken van het testament op de feiten en omstandigheden is vooruitgelopen en ook heeft gedacht aan de situatie dat hij in de toekomst zou hertrouwen. In het testament staat bij de erfstelling expliciet de naam van [A] genoemd en niet ‘echtgenote’. Dat is ook begrijpelijk, aangezien erflater en [A] op dat moment nog niet getrouwd waren en zij gezamenlijk een woning wilden aankopen. 3.12 De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of erflater tijdens zijn huwelijk met [eiser] in de veronderstelling is geweest dat door zijn huwelijk met [eiser] het wettelijk versterferfrecht van toepassing was en [eiser] dus zijn enige erfgenaam zou zijn, of dat erflater gewild heeft dat volgens zijn testament [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn erfgenamen zouden zijn. Het enige aanknopingspunt voor de wil van erflater hierover is zijn e-mailbericht van 8 augustus 2017 aan notaris mr. [notaris] van Notariskantoor [notaris] (hierna: de notaris). De aanleiding voor dit e-mailbericht was het volgende. In 2017 zijn [eiser] en erflater bij de notaris geweest. [eiser] wilde een testament laten opmaken omdat zij, naar eigen zeggen, geen goede relatie heeft met haar zoon en wilde vastleggen op welke wijze haar zoon zal erven. Volgens [eiser] heeft ook erflater zich tijdens dit gesprek laten informeren over een testament. [eiser] stelt dat in dit gesprek niet aan de orde is gekomen dat erflater in 1999 een testament heeft laten opmaken. Zij herinnert zich dat erflater haar als enige erfgename wilde benoemen, maar weet niet meer of tijdens dit gesprek ook is gesproken over een subsidiaire erfstelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Na afloop van het gesprek heeft de notaris volgens [eiser] uit eigen beweging een concepttestament voor erflater opgemaakt en dit aan hem toegestuurd. De e-mail van 8 augustus 2017 is een reactie van erflater op dit concepttestament. In het e-mailbericht schrijft erflater aan de notaris dat ‘ bij nadere doordenking gebleken [is] dat er geen wensen zijn die afwijken van het reguliere erfrecht’ en dat ‘ daarmee (…) het maken van het testament overbodig [is]’ . [eiser] geeft aan deze zinsneden een andere uitleg dan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Volgens [eiser] heeft erflater verondersteld dat door zijn huwelijk met haar het wettelijk versterferfrecht van toepassing is. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen daartegenover dat, hoe pijnlijk ook voor [eiser] , erflater heeft gewild dat overeenkomstig zijn testament uit 1999 zijn vermogen bij de families van [A] en erflater terecht zou komen. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoordingen van de e-mail van 8 augustus 2017 niet duidelijk blijkt wat erflater bedoeld heeft. De tekst bevestigt niet expliciet één van beide lezingen. Omdat niet kan worden vastgesteld wat de bedoeling van erflater is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat de na het opmaken van het testament gewijzigde feiten en omstandigheden niet langer aansluiten bij wat erflater kennelijk wenste te regelen. 3.13 De verklaringen van (gezamenlijke) vrienden en collega’s van erflater die [eiser] in het geding heeft gebracht, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In diverse verklaringen staat vermeld dat erflater [eiser] goed verzorgd achter wilde laten, of in woorden van vergelijkbare strekking. Uit geen enkele verklaring blijkt echter dat erflater concreet heeft gezegd dat zijn testament uit 1999 niet meer gold of dat [eiser] op grond van de wet zijn enige erfgename was, aangezien erflater en [eiser] in gemeenschap van goederen waren getrouwd. De verklaringen bevatten interpretaties van wat erflater bedoeld zou (kunnen) hebben. Dat is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te oordelen dat de laatste wil van erflater gewijzigd is. 3.14 De onderhavige situatie is bovendien anders dan de jurisprudentie waar [eiser] een beroep op heeft gedaan. In die uitspraken volgde na het opmaken van een testament door een erflater een scheiding en/of werden kinderen geboren. Daar is hier geen sprake van. Het huwelijk met [A] is beëindigd door het overlijden van [A] en niet door een echtscheiding. Daarnaast heeft erflater met [A] en/of [eiser] geen kinderen gekregen. [eiser] heeft wel een zoon uit een eerder huwelijk, maar daar heeft zij naar eigen zeggen geen goede band mee. Het is moeilijk voor te stellen dat erflater gewild zou hebben dat zijn vermogen en daarmee ook het vermogen van [A] uiteindelijk na het overlijden van [eiser] (deels) terecht zou komen bij haar zoon. 3.15 Het voorgaande betekent dat aan het testament van erflater van 24 juni 1999 rechtskracht toekomt en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor de ene helft en [gedaagde sub 3] voor de andere helft erfgenamen van de nalatenschap van erflater zijn. De vordering in conventie om voor recht te verklaren dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen, zal daarom worden afgewezen. 3.16 De rechtbank kan zich voorstellen dat de beslissing van de rechtbank voor [eiser] erg onbevredigend is. In haar opvatting wordt geen recht gedaan aan de (door [eiser] gestelde en overigens door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] betwiste) daadwerkelijke wil van erflater. De rechter moet zich echter uiterst terughoudend opstellen als het gaat om het ‘achteraf interpreteren’ van een laatste wil van een erflater. Een testament kan niet zomaar terzijde geschoven worden met de veronderstelling dat dit waarschijnlijk niet (meer) was wat erflater wilde. 3.17 Tot slot wordt nog het volgende opgemerkt. Voor zover [eiser] stelt dat erflater haar goed verzorgd heeft willen achterlaten, geldt dat subjectief is wat iemand onder ‘goed verzorgd’ verstaat. Vast staat in ieder geval dat [eiser] de helft van het gezamenlijke vermogen van erflater toekomt vanwege hun huwelijk in gemeenschap van goederen. Daarnaast is sprake van een overlijdensrisicoverzekering van € 150.000,00 en een pensioenregeling. Als het de bedoeling van erflater is geweest om [eiser] verzorgd achter te laten, dan is dat mogelijk op deze manier bereikt. De stelling van [eiser] dat zij de woning zal moeten verkopen als zij niet als erfgename wordt aangemerkt, is niet (nader) met stukken onderbouwd. Zij heeft bovendien bij brieven van 7 augustus 2025 en 15 september 2025 aanspraak gemaakt op het vruchtgebruik van de woning en de inboedel, zodat zij in de woning kan blijven wonen. Verder hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij bereid zijn een regeling met [eiser] te treffen, omdat zij het niet wenselijk achten dat [eiser] hinder ondervindt van hun positie als erfgenaam en niet meer in de woning zou kunnen blijven wonen. Proceskosten 3.18 Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie 3.19 Omdat hiervoor geoordeeld is dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater, wordt toegekomen aan de beoordeling van de vordering in reconventie. Afgifte stukken 3.20 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen dat [eiser] wordt veroordeeld tot afgifte van de volgende stukken: IB-aangifte en aanslagen van erflater en [eiser] over de jaren 2023, 2024 en 2025 (voor zover deze gereed is); de bankafschriften van alle bankrekeningen ten name van erflater, ten name van [eiser] en ten name van erflater en [eiser] tezamen, vanaf 1 jaar voor de datum van overlijden van erflater tot en met de datum van het ten deze te wijzen vonnis, althans de bankafschriften met banksaldi op datum overlijden; de WOZ-beschikking van de woning over het jaar 2025; e hypotheekstukken met saldi die betrekking hebben op de woning op datum overlijden van erflater; de facturen van de kosten van lijkbezorging; een overzicht van alle schulden op datum overlijden, met een onderbouwing door middel van een factuur of een overeenkomst van geldlening van erflater; de polis van de levensverzekering die is afgesloten door erflater en waarvan [eiser] de begunstigde is; een bewijs van betaling van de uitkering van de levensverzekering; een bewijs van betaling dat met de levensverzekering de hypothecaire lening is afgelost; de polis van overige kapitaalverzekeringen en/of overlijdensrisicoverzekeringen, waaruit blijkt wat de waarde op datum van overlijden van erflater was en/of welk bedrag wordt uitgekeerd op datum overlijden van erflater; indien er sprake is van aandelen of beleggingen op naam van erflater en/of [eiser] , een document waaruit blijkt wat de waarde van de aandelen of beleggingen waren op datum overlijden van erflater; een boedelbeschrijving waarop het volledige vermogen en alle schulden van de huwelijksgemeenschap op datum overlijden erflater, is opgenomen; een lijst van alle (waardevolle) roerende zaken zoals voertuigen met kenteken. 3.21 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen dat zij deze stukken nodig hebben om een boedelbeschrijving te kunnen opmaken, zodat de nalatenschap kan worden vereffend. 3.22 Voor toewijzing van een vordering tot recht op inzage in de zin van artikel 195 Rv moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. 3.23 De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen enerzijds [eiser] en anderzijds [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Zoals genoemd, waren erflater en [eiser] in gemeenschap van goederen getrouwd. De huwelijksgemeenschap is door het overlijden van erflater ontbonden. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] (en [gedaagde sub 1] ) treden hierbij als erfgenamen in de plaats van erflater. 3.24 De nalatenschap bevat het onverdeelde aandeel van erflater in de huwelijks-gemeenschap. Om de omvang van de nalatenschap vast te stellen, moet eerst de ontbonden huwelijksgemeenschap met [eiser] worden vastgesteld. In dit kader heeft te gelden dat echtgenoten op grond van artikel 1:83 BW verplicht zijn elkaar inlichtingen te verschaffen over de stand van hun goederen en schulden. Als sprake is van een ontbonden huwelijksgemeenschap, moeten deelgenoten elkaar op grond van de redelijkheid en billijkheid inlichtingen over de toestand van de boedel te verstrekken als daar belang bij bestaat (artikel 3: 166 BW jo. artikel 6:2 BW). Daar komt nog bij dat erfgenamen recht op inzage in de administratie van erflater hebben (artikel 3:15j BW). 3.25 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] belang hebben bij afgifte van stukken om een boedelbeschrijving te kunnen opmaken, zodat de nalatenschap vereffend kan worden. [eiser] zal daarom gegevens moeten verstrekken die [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] nodig hebben voor het opmaken van die boedelbeschrijving. 3.26 Hierna zal beoordeeld worden of [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voldoende belang hebben bij de gevorderde stukken. Stukken genoemd onder a, c, d, e, f, k, l en m 3.27 [eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde afgifte van de stukken onder a, c, d, e, f, k, l en m. De vorderingen tot veroordeling van [eiser] tot afgifte van deze stukken zal daarom worden toegewezen. Stukken genoemd onder b 3.28 De vordering onder b ziet op afgifte van bankafschriften van alle bankafrekeningen ten name van erflater, ten name van [eiser] en ten name van erflater en [eiser] gezamenlijk over de periode van één jaar voor de datum van het overlijden van erflater tot de datum van dit vonnis. [eiser] heeft aangevoerd dat alleen de bankafschriften met banksaldi overgelegd hoeven te worden op datum overlijden. 3.29 De rechtbank is het eens met [eiser] . [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben niet gesteld waarom zij belang hebben op inzage in het vermogensverloop van erflater gedurende één jaar voor zijn overlijden. Ook hebben zij niet gesteld waarom zij bankafschriften nodig hebben vanaf de datum van overlijden tot de datum van dit vonnis. Gelet hierop zal de rechtbank [eiser] veroordelen tot afgiften van de bankafschriften van alle bankafrekeningen ten name van erflater, ten name van [eiser] en ten name van erflater en [eiser] gezamenlijk waaruit het saldo per overlijdensdatum blijkt. Stukken genoemd onder g, h, i en j 3.30 De vorderingen onder g, h, i en j zien op afgifte van stukken die betrekking hebben op de levensverzekering en overige kapitaalverzekeringen en/of overlijdensrisicoverzekeringen. [eiser] voert verweer tegen afgifte van deze stukken. Volgens haar valt de levensverzekering niet in de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap. 3.31 De rechtbank begrijpt dat het verweer van [eiser] zich richt op de vorderingen onder g, h en i. Zij heeft het namelijk niet over overige kapitaalverzekeringen en/of overlijdensrisicoverzekeringen. Het verweer van [eiser] slaagt niet. Omdat onduidelijk is wat in de polis en de polisvoorwaarden van de levensverzekering is opgenomen, kan niet worden vastgesteld of de (uitkering van de) levensverzekering in de ontbonden huwelijksgemeenschap en in de nalatenschap van erflater valt. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] belang hebben bij afgifte van deze stukken om hun positie te kunnen bepalen. De vorderingen onder g, h en i worden daarom toegewezen. 3.32 De rechtbank begrijpt dat [eiser] geen verweer voert tegen de vordering onder j. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. Termijn afgifte stukken 3.33 Anders dan [eiser] aanvoert, moet zij de gegevens nu al verstrekken. De verplichting zal niet worden opgeschort totdat in hoger beroep of cassatie onherroepelijk is beslist over de rechtsgeldigheid van het testament van erflater. Een dergelijke procedure kan immers jaren in beslag nemen. Van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kan in redelijkheid niet worden gevergd dat zij voor onbepaalde tijd in een onverdeelde gemeenschap blijven verkeren. Voor de afgifte van de stukken zal [eiser] een termijn worden gegeven van twee maanden na de datum van dit vonnis. Dwangsommen 3.34 Uit het voorgaande volgt dat het merendeel van de vorderingen zal worden toegewezen. [eiser] moet dus in actie komen. Om ervoor te zorgen dat dit ook gebeurt, zal aan de veroordeling tot afgifte van de stukken een dwangsom worden verbonden van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de executeur de hiervoor genoemde stukken niet na de genoemde termijn van twee maanden verstrekt. De dwangsom zal worden gemaximeerd op € 15.000,00. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad 3.35 [eiser] heeft verweer gevoerd tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. De rechtbank dient bij een dergelijk verweer de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval te beoordelen. Deze belangenafweging valt uit in het nadeel van [eiser] . Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.33 is overwogen kan het afwachten van een eventueel hoger beroep (daargelaten dat het in voorkomende gevallen verstandig kan zijn om de uitkomst van een hoger beroep af te wachten) en cassatie niet worden gevergd van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden. Proceskosten 3.36 Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4 De beslissing De rechtbank In conventie 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, In reconventie 4.4 veroordeelt [eiser] om uiterlijk op 26 oktober 2026 aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te verstrekken: IB-aangifte en aanslagen van erflater en [eiser] over de jaren 2023, 2024 en 2025 (voor zover deze gereed is); de bankafschriften van alle bankrekeningen ten name van erflater, ten name van [eiser] en ten name van erflater en [eiser] tezamen, met banksaldi op datum overlijden; de WOZ-beschikking van de woning over het jaar 2025; de hypotheekstukken met saldi die betrekking hebben op de woning op datum overlijden van erflater; de facturen van de kosten van lijkbezorging; een overzicht van alle schulden op datum overlijden, met een onderbouwing door middel van een factuur of een overeenkomst van geldlening van erflater; de polis van de levensverzekering die is afgesloten door erflater en waarvan [eiser] de begunstigde is; een bewijs van betaling van de uitkering van de levensverzekering; een bewijs van betaling dat met de levensverzekering de hypothecaire lening is afgelost; de polis van overige kapitaalverzekeringen en/of overlijdensrisicoverzekeringen, waaruit blijkt wat de waarde op datum van overlijden van erflater was en/of welk bedrag wordt uitgekeerd op datum overlijden van erflater; indien er sprake is van aandelen of beleggingen op naam van erflater en/of [eiser] , een document waaruit blijkt wat de waarde van de aandelen of beleggingen waren op datum overlijden van erflater; een boedelbeschrijving waarop het volledige vermogen en alle schulden van de huwelijksgemeenschap op datum overlijden erflater, is opgenomen; een lijst van alle (waardevolle) roerende zaken zoals voertuigen met kenteken. 4.5 veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt, 4.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.7 compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, 4.8 wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO958, rov. 3.3. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531. Zie randnummer 16 e.v. van de dagvaarding. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531, r.o. 3.2.1. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, rechtbank Gelderland 8 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1936 en HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593214 · 2026-10-08
