# Rechtbank Noord-Holland, 09-04-2025 (HAA 23/3146)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Noord-Holland
- Identifier: ECLI:NL:RBNHO:2025:16395
- Date: 2025-04-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBNHO%3A2025%3A16395
- Canonical: https://overview.legal/posts/593218

## Summary

Beroep gegrond en vergoeding schade wegens overschrijden redelijke termijn, ingevolge artikel 6 EVRM. Verzoek om inzage en rectificatie van registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Het verzoek om inzage is gedeeltelijk toegewezen en het verzoek om rectificatie is afgewezen. Op de naam van een medewerker van de Belastingdienst na, zijn alle gegevens die over eiser in de FSV staan, verstrekt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het verzoek om inzage. Er is eiser een overzicht verstrekt van de van eiser opgenomen gegevens in de FSV. De verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, AVG, betekent niet dat een bestuursorgaan in alle gevallen verplicht is een kopie te verstrekken van de onder verweerder berustende documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Het verzoek om wissing van de van eiser in de FSV geregistreerde gegevens heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte afgewezen. Omdat de persoonsgegevens van eiser onrechtmatig zijn verwerkt, heeft eiser op grond van artikel 17, eerste lid, onder d, van de AVG recht op wissing van zijn persoonsgegevens. Er is geen sprake van een van de uitzonderingsgevallen op grond waarvan niet tot wissing van persoonsgegevens over hoeft te worden gegaan. Voor zover verweerder heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 17, derde lid, aanhef en onder d of e, van de AVG, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten om de persoonsgegevens van eiser in verband met archivering, onderzoek of juridische procedures te bewaren.

## Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/3146 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan), en de minister van Financiën, verweerder (gemachtigde: mr. L. Woudenberg), en de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en veiligheid. Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op zijn verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om inzage en rectificatie in door verweerder verwerkte persoonsgegevens. Het verzoek zag op registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). 1.2 Verweerder heeft het verzoek om inzage met het primaire besluit van 28 juli 2022 gedeeltelijk toegewezen en het verzoek om rectificatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 maart 2023 heeft verweerder de bezwaren van eiser hiertegen ongegrond verklaard. 1.3 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.4 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het bestreden besluit 2.1Op 23 april 2021 heeft verweerder eiser een brief gestuurd waarin is aangegeven dat gegevens van eiser vermeld stonden in de FSV. Op 3 maart 2022 heeft eiser verweerder verzocht om inzage en om rectificatie van zijn geregistreerde gegevens. In dit verzoek doet eiser ook een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG. 2.2Verweerder heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 15 van de AVG. Met het primaire besluit van 28 juli 2022 heeft verweerder het verzoek om inzage gedeeltelijk toegewezen en het verzoek om rectificatie afgewezen. Op de naam van een medewerker van de Belastingdienst na, zijn alle gegevens die over eiser in de FSV staan, verstrekt. Hierbij is ook vermeld waarom de gegevens van eiser in de FSV hebben gestaan. Dat was omdat de aangiften inkomstenbelasting van eiser een verhoogd risico op onjuistheden bevatten. Uit een onderzoek over een periode van 2012-2015 naar het aangiftegedrag van de persoon die de aangiften deed is gebleken dat er onjuiste aangiften zijn ingediend. Om te controleren of dit ook bij eiser het geval was, zijn de aangiften inkomstenbelasting van eiser handmatig gecontroleerd. 2.3 Het verzoek om rectificatie is afgewezen, omdat de gegevens nog nodig zijn voor onderzoek. Ook heeft verweerder aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan om voorlopig geen verwerkingen van persoonsgegevens meer te vernietigen. Over het verzoek om schadevergoeding deelt verweerder eiser mee dat dit verzoek afzonderlijk zal worden behandeld. Tegen dit besluit maakt eiser op 5 september 2022 bezwaar. 2.4 Met het bestreden besluit van 28 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 3.1 De rechtbank beoordeelt of verweerder heeft voldaan aan het inzageverzoek en het verzoek om rectificatie dan wel verwijdering van de gegevens van eiser heeft kunnen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.2 Het beroep is gegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.3 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3.4 Het verzoek om schadevergoeding als gevolg van de registratie heeft eiser ter zitting ingetrokken. Heeft verweerder voldaan aan het verzoek om inzage? 4.1 Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de door eiser verzochte gegevens en stukken volledig te verstrekken. Immers, daardoor krijgt eiser onvoldoende inzicht in de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens. Dit terwijl dit wel van belang is, bijvoorbeeld ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding dat nog aanhangig is. Eiser wil het hele document. 4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser alle stukken heeft gehad. Verweerder heeft deze toegezonden voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar. Daarnaast is ingevolge artikel 15 van de AVG aan eiser een overzicht verstrekt van de van eiser opgenomen gegevens in de FSV. De AVG staat het toe een overzicht te verstrekken en geeft geen verplichting tot het overleggen van gehele documenten. 4.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan het verzoek om inzage. De verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, AVG, betekent niet dat een bestuursorgaan in alle gevallen verplicht is een kopie te verstrekken van de onder verweerder berustende documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 4 mei 2023, ECLI:EU:C:2023:369, artikel 15, derde lid, AVG zodanig uitgelegd dat er een recht op het verkrijgen van een kopie van volledige documenten is, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij de AVG verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, zoals het recht op rectificatie of verwijdering van gegevens. Daar is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van. Een kopie van het volledige document zou in dit geval een schermprint betreffen uit de FSV, waar niet meer op staat dan wat er al op het overzicht staat dat eiser heeft ontvangen. Heeft verweerder ten onrechte niet voldaan aan het verzoek tot verwijderen van de gegevens in de FSV? 5.1 Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte weigert de gegevens van eiser te rectificeren dan wel te verwijderen. Verweerder wijst op zijn bewaarplicht en de toezegging aan de Tweede Kamer, maar gaat er daarmee aan voorbij dat het hier gaat om evident onjuiste gegevens. Verweerder heeft erkend dat een dergelijke administratie nooit aangemaakt en gebruikt had mogen worden. Door het verzoek van eiser te weigeren duurt het onrechtmatig handelen van verweerder nog altijd voort. 5.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat een verzoek om rectificatie in de zin van de AVG ziet op eenvoudig vast te stellen feiten, zoals een tikfout in een naam of adres. Uit het bezwaar- en beroepschrift van eiser maakt verweerder op dat het gaat om een verzoek tot verwijdering. Daar kan niet aan worden voldaan. Verweerder stelt dat naast de toezegging aan de Tweede Kamer waar niet van kan worden afgeweken, de bewaartermijn van 7 jaar, zoals vastgelegd in de Archiefwet 1995, nog niet is verstreken. De gegevens kunnen nog van belang zijn voor procedures (zoals nu ook het geval) en zijn ook nodig voor het verzoek om schadevergoeding. Verder vermeldt verweerder dat de FSV voor de belastingheffing is uitgezet en dat toegezegd is dat de gegevens na afloop van de onderzoeken verwijderd zullen worden. 5.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek om wissing van de gegevens ten onrechte afgewezen. De persoonsgegevens van eiser zijn onrechtmatig verwerkt in de FSV. Dat is tussen partijen niet in geschil. Daarmee is sprake van een van de in artikel 17, eerste lid, van de AVG genoemde gevallen, namelijk onder d, waarin de betrokkene op grond van dat artikellid recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens. Op grond van artikel 17, derde lid, van de AVG is het eerste lid echter niet van toepassing voor zover verwerking nodig is voor de in dat artikellid genoemde gevallen. Ook artikel 41, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, vastgesteld ter uitvoering van artikel 23, eerste lid, van de AVG, bevat uitzonderingen op grond waarvan niet tot wissing van persoonsgegevens over hoeft te worden gegaan. De argumenten die verweerder noemt om niet over te gaan tot wissing van de persoonsgegevens van eiser passen echter niet in een van deze uitzonderingsgronden. De Archiefwet 1995, artikel 8:42 van de Awb en toezeggingen aan de Tweede Kamer kunnen op zichzelf geen grondslag vormen voor afwijzing van een verzoek om wissing van persoonsgegevens. Afwijzing is op grond van artikel 17, derde lid, van de AVG en artikel 41, eerste lid, van de Uitvoeringswet immers slechts toegestaan in de in die artikelleden vermelde gevallen. Voor zover verweerder heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 17, derde lid, aanhef en onder d of e, van de AVG, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten om de persoonsgegevens van eiser in verband met archivering, onderzoek of juridische procedures te bewaren. Zo valt niet in te zien dat het voor de afhandeling van het AVG-verzoek van eiser nodig is om zijn persoonsgegevens te bewaren, aangezien verweerder alle in de FSV opgenomen persoonsgegevens van eiser aan hem heeft verstrekt. Ook valt niet in te zien dat het bewaren van de persoonsgegevens nodig is voor archivering en onderzoek in verband met de politieke verantwoording voor de FSV-registratie. Door de onderhavige procedure blijft immers vastgelegd dat eiser geregistreerd stond in de FSV. Daarnaast gaat verweerder er hierbij ten onrechte aan voorbij dat hij bij wissing kan onderscheiden tussen de FSV informatie als thans in geding die persoonsgegevens bevat, en gegevens betreffende de bedrijfsvoering als nodig voor nader onderzoek. Gelet op het voorgaande mocht verweerder wissing van de persoonsgegevens van eiser niet weigeren. De beroepsgrond slaagt. Discriminatie 6.1 Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van institutioneel racisme. Verweerder heeft bevestigd dat binnen de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel racisme heeft kunnen plaatsvinden en dat dit uiterst pijnlijk is. Eiser verwijst ook naar het vooronderzoek van 15 september 2022 van het College voor de Rechten van de Mens naar de vermeende discriminerende effecten van de werkwijzen van Belastingdienst/Toeslagen. Uit dit vooronderzoek blijkt dat het vermoeden wordt bevestigd. Het is aan de Belastingdienst om aan te tonen dat de toeslagouders niet zijn gediscrimineerd en dat is ook het geval voor de FSV-registratie, wat eiser betreft. 6.2 In hetgeen eiser hierover aanvoert ziet de rechtbank geen beroepsgrond. Het is onduidelijk tegen welk besluitonderdeel deze beroepsgrond zich richt. Los daarvan merkt de rechtbank op dat de aanleiding voor plaatsing in de FSV de gemachtigde van eiser is geweest, doordat hij aftrekposten opgaf die er niet waren. Dat is geen racistisch motief. Overschrijding redelijke beslistermijn 7.1 Eiser om verzoekt om een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn om te beslissen op het door hem ingestelde beroep. 7.2 De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van een zaak als deze mag in de regel maximaal twee jaar in beslag nemen, te rekenen vanaf de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend tot de uitspraak op het beroep bij de rechtbank. Er is geen aanleiding in dit geval van een andere termijn uit te gaan of een deel van de termijn aan eisers toe te rekenen. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt, een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. De hoofdregel is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als verweerder meer dan een half jaar heeft gebruikt om tot een beslissing te komen; voor de beroepsfase is de termijn anderhalf jaar. 7.3 Vanaf het indienen van het bezwaarschrift op 5 september 2022 tot de datum van deze uitspraak (9 april 2025), zijn meer dan twee jaar verstreken. Afgerond heeft de totale behandeling van de zaak zeven maanden te lang geduurd. Dat betekent dat eiser recht heeft op € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De bezwaarfase heeft afgerond één maand te lang geduurd. De beroepsfase heeft afgerond zes maanden te lang geduurd. Verweerder dient daarom € 83,33 te betalen en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) € 916,66. De rechtbank merkt de minister van Justitie en Veiligheid in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 8.1 Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 17 van de AVG. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre. 8.2 De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit op het AVG-verzoek van eiser voor zover het de wissing van persoonsgegevens betreft en neemt in plaats daarvan in zoverre een nieuwe beslissing op het verzoek. De rechtbank zal bepalen dat verweerder alsnog overgaat tot wissing van de persoonsgegevens van eiser in de FSV. Gelet op artikel 12, derde lid, van de AVG, stelt de rechtbank daarvoor een termijn van een maand. 8.3 Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde. 8.4 Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn reiskosten naar de zitting. De rechtbank stelt de proceskosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, Bpb heeft eiser recht op een reiskostenvergoeding. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, Bpb moet de hoogte van de reiskostenvergoeding worden bepaald aan de hand van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Deze vergoeding wordt bepaald naar een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse, ofwel voor een retour [plaats] - Haarlem tot een bedrag van € 28,66 (2 x € 14,33). Ook deze proceskosten moet verweerder betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 28 maart 2023 voor zover in 5.3 is overwogen; - herroept het besluit van 28 juli 2022 ook in zoverre; - bepaalt dat verweerder binnen een maand na de verzending van deze uitspraak de persoonsgegevens van eiser in de FSV wist en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.320,66 aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser; - veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 83,33 en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 916,66. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 4 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; (…) Artikel 12 Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene (…) 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. (…) (…) Artikel 15 Recht van inzage van de betrokkene 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens (…). (…) 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. (…) (…) Artikel 16 Recht op rectificatie De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. (…) Artikel 17 Recht op gegevenswissing („recht op vergetelheid”) 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: (…) d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; (…) 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: a. a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie; b) voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3; d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen; e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Artikel 21 Recht van bezwaar 1. De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. (…) Artikel 23 Beperkingen 1. De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 (…) kan door middel van een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke wetgevingsmaatregel die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing is worden beperkt, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van: a. a) de nationale veiligheid; b) landsverdediging; c) de openbare veiligheid d) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures; g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot en met e) en punt g) bedoelde gevallen; i. i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; j) de inning van civielrechtelijke vorderingen. (…) Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 41 Uitzonderingen op rechten betrokkene en plichten verwerkingsverantwoordelijke 1. De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 21 en 34 van de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van: a. a) de nationale veiligheid; b) landsverdediging; c) de openbare veiligheid d) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Europese Unie of van Nederland, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Europese Unie of van Nederland, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures; g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de gevallen, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e en g; i. i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; of; j) de inning van civielrechtelijke vorderingen. De FSV is/was een digitaal systeem waarin (medewerkers van) de Belastingdienst over belastingplichtigen (risico)signalen registreerden. Vergelijk de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:647. Vgl. jurisprudentie van de Hoge Raad en ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593218 · 2026-10-08
