# Raad van State, 07-10-2026 (202503321/1/A2)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:5894
- Date: 2026-10-07
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A5894
- Canonical: https://overview.legal/posts/593221

## Summary

Bij brief van 17 juli 2024 heeft het Uwv het verzoek om inzage van [appellant] gedeeltelijk afgewezen. Op 15 augustus 2023 heeft [appellant] het formulier ‘Verzoek persoonsgegevens’ bij het Uvw ingediend. Niet in geschil is dat dit een verzoek is op grond van de artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Bij brief van 17 juli 2024 heeft het Uwv naar aanleiding van zijn inzageverzoek en ingebrekestelling aan [appellant] meegedeeld: "[…]. Uit onderzoek is inmiddels echter gebleken dat wij niet meer beschikken over fysieke dossiers van u. Dit is in overeenstemming met de geldende bewaartermijn voor medische stukken. De niet medische stukken met betrekking tot uw Bezwaarzaak die in ons Elektronisch Archief beschikbaar waren hebben wij u tijdens uw bezoek aan ons kantoor overhandigd. Zodra een cliënt voor inzage op kantoor komt is het niet meer nodig om een brief te sturen omdat het inzage verzoek met het bezoek als afgedaan wordt beschouwd. Gezien de afwezigheid van fysieke dossiers, kunnen wij deze gegevens ook niet meer aan u doen toekomen. Op grond hiervan beschouwen wij uw inzage verzoek van 15 augustus 2023 vanaf 15 november 2023 als afgehandeld […]." In het besluit op bezwaar van 14 januari 2025 heeft het Uwv zich primair op het standpunt gesteld dat de brief van 17 juli 2024 geen besluit is, maar een mededeling van feitelijke aard. Subsidiair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat als de brief wel is aan te merken als een besluit, [appellant] te laat bezwaar heeft gemaakt.

## Full text

202503321/1/A2. Datum uitspraak: 7 oktober 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 15 april 2025 in zaken nrs. 25/2114 en 25/1914 in het geding tussen: [appellant] en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Procesverloop Bij brief van 17 juli 2024 heeft het Uwv het verzoek om inzage van [appellant] gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 14 januari 2025 heeft het Uwv het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellant] en het Uwv, vertegenwoordigd door R.D. van den Heuvel, zijn verschenen. [appellant] en het Uwv hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft naar aanleiding daarvan het onderzoek in de zaak heropend. Daarna heeft [appellant] nog een nader stuk ingediend. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. Op 15 augustus 2023 heeft [appellant] het formulier ‘Verzoek persoonsgegevens’ bij het Uvw ingediend. Niet in geschil is dat dit een verzoek is op grond van de artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (EU) 2016/679 (AVG). 2. De regels die in deze zaak van belang zijn, zijn artikel 15 van de AVG, artikel 34 van de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) en artikel 7 van de Regeling inzage- en correctierecht UWV 2018 (Regeling). De Afdeling verwijst naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3. Op de zitting bij de Afdeling is besproken dat [appellant] met een overzicht van de stukken uit het Dossier Volg Systeem (DVS) en een lijst van de documenten uit het Elektronisch Archief (EA), die op hem betrekking hebben, kan nagaan in welke documenten persoonsgegevens van hem zijn opgenomen. Om tot een oplossing in deze zaak te komen, zijn hierover op de zitting bij de Afdeling met het Uwv en [appellant] afspraken gemaakt. Het Uwv heeft naar aanleiding daarvan bij brieven van 23 februari 2026 en 28 april 2026 een schermafbeelding van het DVS en een inventarislijst uit het EA gestuurd met verwerkingsgegevens uit de periode van 9 juni 2009 tot en met 17 juni 2024. De bij brief van 28 april 2026 gestuurde inventarislijst is de meest uitgebreide met drie pagina’s meer gegevens. [appellant] heeft bij brieven van 16 maart 2026, 22 mei 2026 en 14 juli 2026 op de brieven van het Uwv gereageerd. Het Uwv heeft op de twee laatste brieven geen inhoudelijke reactie gegeven. De gemaakte afspraken hebben niet geleid tot de beëindiging van het geschil. Het verloop na het verzoek om inzage tot en met het besluit op bezwaar 4. Bij brief van 9 november 2023 heeft het Uwv [appellant] uitgenodigd om op 15 november 2023 naar het kantoor in Amsterdam te komen voor inzage in zijn dossier. 5. Niet in geschil is dat [appellant] op 15 november 2023 geen inzage heeft gekregen in al zijn persoonsgegevens, het Uwv met hem heeft afgesproken dat de ontbrekende gegevens zouden worden nagestuurd, hij vervolgens slechts een deel daarvan heeft gekregen en hij het Uwv bij brief van 23 mei 2024 in gebreke heeft gesteld. 6. Bij brief van 17 juli 2024 heeft het Uwv naar aanleiding van zijn inzageverzoek en ingebrekestelling aan [appellant] meegedeeld: "[…]. Uit onderzoek is inmiddels echter gebleken dat wij niet meer beschikken over fysieke dossiers van u. Dit is in overeenstemming met de geldende bewaartermijn voor medische stukken. De niet medische stukken met betrekking tot uw Bezwaarzaak die in ons Elektronisch Archief beschikbaar waren hebben wij u tijdens uw bezoek aan ons kantoor overhandigd. Zodra een cliënt voor inzage op kantoor komt is het niet meer nodig om een brief te sturen omdat het inzage verzoek met het bezoek als afgedaan wordt beschouwd. Gezien de afwezigheid van fysieke dossiers, kunnen wij deze gegevens ook niet meer aan u doen toekomen. Op grond hiervan beschouwen wij uw inzage verzoek van 15 augustus 2023 vanaf 15 november 2023 als afgehandeld […]." 7. In het besluit op bezwaar van 14 januari 2025 heeft het Uwv zich primair op het standpunt gesteld dat de brief van 17 juli 2024 geen besluit is, maar een mededeling van feitelijke aard. Subsidiair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat als de brief wel is aan te merken als een besluit, [appellant] te laat bezwaar heeft gemaakt. Beoordeling van het hoger beroep 8. [appellant] betoogt dat de uitnodigingsbrief van 9 november 2023 geen besluit is en de brief van 17 juli 2024 wel. Het Uwv heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het tegenovergestelde standpunt gesteld. 9. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV de brief van 17 juli 2024 terecht niet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze brief bevat slechts mededelingen van feitelijke aard en geen beslissing over de vraag of [appellant] wel of geen inzage in zijn persoonsgegevens mag krijgen. In de brief wordt nader uitgelegd waarom het Uwv niet meer over fysieke dossiers van [appellant] beschikt en waarom de zaak door het Uwv als afgedaan wordt beschouwd. De brief van 17 juli 2024 is daarom volgens de rechtbank niet op rechtsgevolg gericht. 9.1. De rechtbank heeft verder - ten overvloede - overwogen dat zij de uitnodigingsbrief van 9 november 2023 aanmerkt als een inwilligend besluit op het inzageverzoek. De rechtbank heeft voor de motivering verwezen naar de uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) van 23 april 2025 in zaken nrs. 24/5929 V en 25/2132. Onder 12 van die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in de uitnodigingsbrief te kennen heeft gegeven dat [appellant] inzage in zijn persoonsgegevens mag krijgen. De uitnodigingsbrief is daarmee op rechtsgevolg gericht. Dat [appellant] op 15 november 2023 slechts beperkte inzage in zijn persoonsgegevens heeft gehad, er kennelijk een verkeerd dossier was aangeleverd en door het UWV is toegezegd dat nog informatie zou worden nagezonden (zoals de fysieke dossiers van de afdeling Bezwaar en Beroep en de historie Klant Contact Centrum Contact Registratie (K3CR)) en dat ook aan díe toezegging maar ten dele is voldaan, neemt niet weg dat er wel op het inzageverzoek is beslist. 10. Het Uwv moet het inzageverzoek aan de hand van artikel 15 van de AVG beoordelen. Ingevolge artikel 34 van de UAVG geldt een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op zo’n verzoek als een besluit in de zin van de Awb. 10.1. Naar het oordeel van de Afdeling moet de uitnodigingsbrief van 9 november 2023, mede uit een oogpunt van rechtsbescherming, in dit geval als een schriftelijke beslissing als bedoeld in artikel 34 van de UAVG en daarmee een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. Wel heeft het Uwv daarmee onvolledig op het verzoek beslist. Met de brief heeft het Uwv het inzageverzoek van [appellant] willen inwilligen, maar ontbrak een volledig overzicht van de verwerkte gegevens. Tijdens de inzage op 15 november 2023 is vervolgens met [appellant] afgesproken dat de ontbrekende gegevens zouden worden nagestuurd. 10.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de brief van 17 juli 2024 terecht niet heeft aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De brief van 17 juli 2024 is naar het oordeel van de Afdeling evenwel een besluit tot wijziging van het besluit van 9 november 2023. In het besluit van 17 juli 2024 staat namelijk dat het Uwv niet meer beschikt over fysieke dossiers van [appellant] en dat dat in overeenstemming is met de geldende bewaartermijn voor medische stukken. Dit betekent dat [appellant] hiervan geen inzage kan krijgen als bedoeld in artikel 15 van de AVG. De Afdeling verwijst ook naar artikel 7, eerste lid, van de Regeling. Met het besluit van 17 juli 2024 is het inzageverzoek van [appellant] dus ingewilligd, voor zover hem op 15 november 2023 inzage in zijn persoonsgegevens is geboden, en voor het overige afgewezen. Dat betekent dat de Afdeling, anders dan de rechtbank, oordeelt dat ook de brief van 17 juli 2024 een besluit is. 10.3. Het betoog van [appellant] slaagt. Tussenconclusie 11. Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De Afdeling zal doende wat de rechtbank had moeten doen de resterende beroepsgrond van [appellant] beoordelen. Beoordeling beroep Verschoonbare termijnoverschrijding 12. [appellant] is het niet eens met het subsidiaire standpunt van het Uwv in het besluit 14 januari 2025 dat als de brief van 17 juli 2024 wel is aan te merken als een besluit, hij te laat bezwaar heeft gemaakt. 13. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Als een termijnoverschrijding het gevolg is van het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of uitspraak, leidt dat er in beginsel toe dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Dit is alleen niet zo als kan worden aangenomen dat de indiener wist binnen welke termijn hij bezwaar moest maken of (hoger) beroep moest instellen. Er wordt in ieder geval aangenomen dat de indiener bekend was met de termijn als hij voor afloop van de termijn al werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Bij een professionele rechtshulpverlener wordt namelijk verondersteld dat hij weet binnen welke termijn een rechtsmiddel moet worden ingediend. Ook bij organisaties en burgers die regelmatig procederen wordt die kennis verondersteld. Een indiener die niet bekend was met een besluit en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn, is in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij een bezwaarschrift of beroepschrift indient binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken. 13.1. [appellant] heeft op 27 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2024. Het besluit van 17 juli 2024 bevat geen rechtsmiddelverwijzing. 13.2. [appellant] heeft op 3 mei 2024 bij het Uwv verzocht om de ontbrekende stukken met zijn persoonsgegevens, op 23 mei 2024 een herhaald verzoek gedaan en het Uwv in gebreke gesteld voor het nemen van een besluit op zijn inzageverzoek en op 12 juni 2024 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn inzageverzoek. In het besluit van 17 juli 2024 staat dat het Uwv het inzageverzoek vanaf 15 november 2023 als afgehandeld beschouwt. In het verweer in beroep van 18 juli 2024 over het uitblijven van een besluit, heeft het Uwv herhaald dat op 15 november 2023 aan het inzageverzoek is voldaan. Gelet hierop had [appellant] niet hoeven weten dat de brief van 17 juli 2024 een besluit was waartegen hij bezwaar moest maken. 13.3. Bij brief van 14 november 2024 heeft het Uwv aan [appellant] laten weten dat hij het besluit op zijn inzageverzoek heeft ontvangen op 17 juli 2024. Hierna heeft [appellant] binnen twee weken bezwaar gemaakt. Dat is binnen de termijn van zes weken. De termijnoverschrijding moet daarom verschoonbaar worden geacht. 13.4. De beroepsgrond slaagt. Conclusie hoger beroep 14. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van 14 januari 2025 vernietigen. Dit betekent dat het Uwv het bezwaar van [appellant] alsnog inhoudelijk moet behandelen. Het Uwv moet daarbij ook de hiervoor onder 3 genoemde stukken betrekken en beslissen met inachtneming van artikel 15 van de UAVG en artikel 7 van de Regeling. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. 15. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 16. Het Uwv moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2025 in zaken nrs. 25/2114 en 25/1914; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2025 van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegrond; IV. vernietigt dat besluit; V. draagt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 17 juli 2024 gemaakte bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,00; VIII. veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00; IX. gelast dat de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. De Vink griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026 154 Bijlage Algemene verordening gegevensbescherming (EU) 2016/679 Artikel 15 Recht van inzage van betrokkene 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a) de verwerkingsdoeleinden; b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; […]; d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; […]. 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt. […]. Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming Artikel 34. Toepasselijkheid Algemene wet bestuursrecht bij beslissing van bestuursorganen Een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de verordening wordt genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de verordening genoemde termijnen en geldt, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Regeling inzage- en correctierecht UWV 2018 Artikel 7. Uitvoering inzageverzoek 1. UWV deelt verzoeker schriftelijk onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van een verzoek, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 2, mee of UWV persoonsgegevens over de betrokkene verwerkt en of dan wel in hoeverre het verzoek om inzage wordt ingewilligd. […]. 3. Indien het verzoek wordt ingewilligd, stelt UWV binnen de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn de volgende informatie ter beschikking: o een volledig en begrijpelijk overzicht van de verwerkte gegevens; o een omschrijving van: • het doel of de doeleinden van de verwerking; • de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft; • de ontvangers of categorieën ontvangers; o alle beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, wanneer de gegevens niet bij de betrokkene worden verzameld; o de bewaartermijn van de persoonsgegevens; o dat betrokkene het recht heeft op correctie en het recht om bezwaar te maken; o dat betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens; o het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming. 4. Desgevraagd verschaft UWV tevens informatie over de systematiek van de geautomatiseerde gegevensverwerking. 5. Betrokkene heeft het recht een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt. […].

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593221 · 2026-10-08
