# Rechtbank Gelderland, 08-09-2026 (05.324707.22.vs)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Gelderland
- Identifier: ECLI:NL:RBGEL:2026:7359
- Date: 2026-09-08
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBGEL%3A2026%3A7359
- Canonical: https://overview.legal/posts/593230

## Summary

De rechtbank veroordeelt een man voor 6 feiten, te weten het voorhanden hebben van een wapen en twee valse identiteitsbewijzen, het doen binnenkomen van een stroomstootwapen, het aanwezig hebben van harddrugs, en het dragen van een klapmes. Hij krijgt een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek. Tevens een geldboete van € 5,970,0

## Full text

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.324707.22 Datum uitspraak : 8 september 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Polen), wonende aan [adres] [woonplaats] , Duitsland. Raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type PPQ ( [nummer] ), kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of munitie, te weten 15 volmantel kogels/patronen (PPU 9mm Luger) en/of 6 knalpatronen (Umarex), zijne munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging et een ander of anderen, althans alleen, voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad en/of de werkelijke aard, de herkomst en/of de verplaatsing verbergt of verhult, te weten (van) 2426 Euro en/of 5970 Euro, althans (telkens) een hoeveelheid geld, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf; 3. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat hiernagenoemd geschrift bestemd is voor voor zodanig gebruik, van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vals rijbewijs van Kroatië, op naam van [verdachte] , documentnummer: [nummer] , als ware het echt en onvervalst, door voornoemd rijbewijs te tonen aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee bij identiteitscontrole, in elk geval voorhanden heeft gehad; 4. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een paspoort van Slovenië op naam gesteld van [naam] , geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] , Slovenië, voorzien van documentnummer [nummer] ., waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft/hebben gehad; 5. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, zonder consent een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (Power 200), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt en/of pijn kon worden toegebracht heeft doen binnenkomen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (Power 200), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad; 6. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in totaal) ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (in totaal) ongeveer 4,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 7. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een zwart klapmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Aanleiding Op 12 december 2022 voerden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee een toezichtcontrole uit op de Rijksweg A12 in de gemeente Zevenaar. Zij zagen een blauwe Ford Mondeo met Duits kenteken rijden. De verbalisanten gaven het voertuig een volgteken en hebben het doen stilhouden op de carpoolplaats. De bestuurder van het voertuig betrof medeverdachte [medeverdachte] , verdachte was de bijrijder. De verbalisanten troffen op de achterbank een machete aan. Daarop vorderden zij de bestuurder en de bijrijder tot de uitlevering van alle wapens in het voertuig. Verdachte haalde een zakmes inclusief een zwart hoesje van zijn broeksriem en legde deze op het dashboard. Bij de doorzoeking van de personenauto troffen de verbalisanten in het bestuurdersportier een vuurwapen aan. Tevens werden 15 stuks 9mm volmantel munitie aangetroffen. In het voertuig werd een zwarte rugzak gevonden waarin diverse goederen zaten. In de rugzak werden onder andere aangetroffen: een stroomstootwapen, zes stuks 9mm munitie, twee gripzakjes met wit poeder en een Sloveens paspoort op naam van [naam] . Verdachte heeft verklaard dat deze rugzak met inhoud van hem was. Verdachte is ter insluiting gefouilleerd. Hierbij is (onder andere) een contant geldbedrag aangetroffen, een gripzakje met bruin poeder en een zilveren koker met daarin kristallen. Feit 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het voorhanden hebben van het pistool en de 15 volmantel kogels. Medeverdachte [medeverdachte] is door de rechtbank reeds veroordeeld voor het voorhanden hebben van deze goederen. Verdachte kan wel veroordeeld worden voor het voorhanden hebben van de 6 knalpatronen. Die zijn in de tas van verdachte aangetroffen en zijn dus van hem. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het voorhanden hebben van het pistool en de 15 kogels. Die zijn aangetroffen in de tas van de medeverdachte. Er is geen bewijs dat verdachte wist van het wapen. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de knalpatronen. Beoordeling door de rechtbank Om tot een bewezenverklaring te komen van het voorhanden hebben van het pistool, de munitie en de knalpatronen, is vereist dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht over die voorwerpen had. Ten aanzien van de zes knalpatronen overweegt de rechtbank het volgende. De zes stuks munitie die in de zwarte rugzak werden aangetroffen zijn onderzocht. Uit dat onderzoek bleek dat het ging om zes knalpatronen “Walther 9mm P.A.K.” van fabrikant Umarex. Deze munitie is munitie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 4e, ingedeeld in artikel 2, lid 2, categorie III onder le Wet Wapens en Munitie. Verdachte heeft verklaard dat de rugzak aan hem toebehoorde en dat alle producten uit de rugzak van hem zijn. Verdachte had daarmee wetenschap en beschikkingsmacht over deze patronen. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze zes knalpatronen voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het pistool en de 15 stuks munitie overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] van de Koninklijke Marechaussee de blauwe Ford Mondeo heeft doorzocht. Hij zag toen in het bestuurdersportier een zwartkleurige handgreep uitsteken. Hij pakte het voorwerp op en zag dat het een vuurwapen betrof. Het ging om een vuurwapen van het merk Walther type PPQ, voorzien van het nummer [nummer] . In de bestuurdersportier werd vervolgens door de afdeling forensische opsporing een klein zwart hoesje aangetroffen. Daarin zaten 15 stuks 9 millimeter patronen van het merk Luger, voorzien van een volmantel kogelpunt. Hierop is verdachte aangehouden. [verbalisant 1] verbaliseert dat hij na de aanhouding hoorde dat verdachte ongevraagd verklaarde dat het vuurwapen van hem was en dat de chauffeur, medeverdachte [medeverdachte] , daar niets mee te maken had. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat het pistool aan verdachte toebehoorde. Verdachte heeft in een later verhoor zijn verklaring over het pistool weliswaar weer ingetrokken, maar de rechtbank hecht meer waarde aan die eerste spontane verklaring van verdachte omdat die gelijk na het feit is gedaan. Daarbij bevestigt medeverdachte die verklaring. Verdachte verklaart bovendien tegenover de politie dat hij die dag vanuit Keulen vertrokken was naar een plek in Nederland, en inmiddels weer terug onderweg was naar Keulen. Zowel verdachte als medeverdachte woonden ten tijde van het feit beiden in Ludwigsburg. Verdachte is in Zevenaar aangehouden en dat betekent dat hij in ieder geval al meerdere uren samen in de auto van de medeverdachte heeft gezeten en ook korte tijd achter het stuur. [medeverdachte] heeft namelijk verklaard dat verdachte de auto naar de parkeerplaats heeft verplaatst na het tanken terwijl hij zelf wat eten ging kopen en dat verdachte dus misschien twee minuten heeft gereden. Ook verdachte heeft verklaard achter het stuur te hebben gezeten. Het pistool en de munitie lagen in het vak van het bestuurdersportier van die auto. Het wapen was direct zichtbaar en lag voor het grijpen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen en de munitie en de beschikkingsmacht daarover. De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het witwassen van € 5.970. Op basis van de feiten is er een vermoeden van witwassen en de verklaring die verdachte over de herkomst van het geld geeft gegeven is niet concreet of verifieerbaar. De officier van justitie vraagt vrijspraak ten aanzien van het geldbedrag van € 2.426. Dat bedrag is aan medeverdachte [medeverdachte] toe te schrijven. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat het bedrag dat verdachte bij zich droeg, € 5.970, niet zodanig hoog is dat het een vermoeden van witwassen oplevert. Zeker in Duitsland is het bij je dragen van cash geld gebruikelijker. Beoordeling door de rechtbank Tijdens de insluitingsfouillering is bij verdachte opgeteld € 5.970 aangetroffen. Dit bedrag bestond onder andere uit coupures van € 200 (drie maal) en € 100 (17 maal). Er is geen direct bewijs voorhanden dat dit geld afkomstig is uit een specifiek gronddelict. Maar op basis van de feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank dat er een gerechtvaardigd vermoeden is van witwassen. Verdachte vervoerde een groot geldbedrag in contanten. Dergelijk fysiek vervoer brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich en is daarom ongebruikelijk. Het bedrag bestond deels uit grote coupures die in het dagelijkse betalingsverkeer niet gebruikelijk zijn. Verdachte vervoerde de contanten bovendien de grens over in een auto waarin hij ook meerdere wapens, drugs en valse documenten vervoerde. Bij het vaststellen van het vermoeden van witwassen speelt verder mee dat verdachte wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij zo’n groot contant geldbedrag bij zich had. Zo heeft hij verklaard dat het bestemd was om een auto te kopen in Keulen, maar dat dit niet is doorgegaan en dat ze toen naar Utrecht zijn gegaan om een auto te zoeken. Hij heeft echter ook verklaard hij dat hij in opdracht van criminelen op weg was naar Utrecht om daar ‘iets’ op te halen en mee te nemen naar Duitsland. Verdachte heeft verder verklaard dat hij al vijftien jaar crimineel is. Onder de genoemde omstandigheden levert het aangetroffen geldbedrag naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van witwassen op. Van verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn geld verdient met de verkoop van bitcoins en dat hij daarmee grofweg $ 7.000 per maand verdient. Het geld dat hij bij zich droeg heeft hij de dag ervoor opgenomen van zijn bankrekening Revolute 21, het is geld dat hij heeft gespaard. Hij heeft tijdens zijn verhoor aangeboden om op zijn telefoon de transactie te laten zien. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt niet dat de politie naar deze concrete en verifieerbare verklaring onderzoek heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet aan verdachte worden tegengeworpen. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag aan te merken als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het bedrag van € 2.426 zal de rechtbank verdachte ook vrij spreken. Dit bedrag is aangetroffen in het schoudertasje van [medeverdachte] , tijdens diens insluitingsfouillering. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dat bedrag van [medeverdachte] is. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van dat geldbedrag. Feit 3 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vals rijbewijs. Verdachte heeft dit feit bekend en er zit een proces-verbaal van expertise in het dossier. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Bij de fouillering van verdachte werd een Kroatisch rijbewijs op naam van verdachte aangetroffen. Het rijbewijs is onderzocht door een documentdeskundige van de Koninklijke Marechaussee. Hierbij is geconcludeerd dat het rijbewijs vals is. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het rijbewijs niet echt was. Hij heeft ook verklaard dat zijn eigen (Duitse) rijbewijs is ingevorderd. Verdachte heeft verklaard dat het rijbewijs een grappig cadeau was voor zijn verjaardag. Verdachte droeg het valse rijbewijs echter bij zich terwijl hij op- en neer reisde naar Nederland en terwijl zijn eigen Duitse rijbewijs was ingevorderd. De rechtbank gaat er gelet op deze omstandigheden vanuit dat verdachte het valse rijbewijs bij zich droeg met de bedoeling om het ook te kunnen tonen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het valse rijbewijs opzettelijk voorhanden heeft gehad. Feit 4 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit strafbare feit. Verdachte heeft dit feit bekend en er zit een proces-verbaal van expertise in het dossier. Het standpunt van de verdediging De raadsman bepleit vrijspraak voor dit strafbare feit. Verdachte wist niet dat het paspoort vals was en hoefde dit ook niet te vermoeden. Hij bezit niet de expertise die nodig is om dat te zien, en het document stond ook niet op zijn naam. Beoordeling door de rechtbank In de zwarte rugzak van verdachte werd een Sloveens paspoort op naam van [naam] aangetroffen, geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] , Slovenië, voorzien van documentnummer [nummer] . Dit paspoort is door een documentdeskundige van de Koninklijke Marechaussee onderzocht. Hierbij zijn kenmerken vastgesteld die afwijken ten opzichte van een origineel document: de basisbedrukking van de personaliabladzijde alsmede alle andere in het boekje aangebrachte visapagina s zijn niet gedrukt, maar geprint; de pasfoto van de houder en de persoons- en afgiftegegevens zijn niet aangebracht middels lasergravure, maar middels een printer; de fluorescentie van de personaliabladzijde alsmede alle andere in het boekje aangebrachte visapagina’s, wijken bij ultravioletlicht af; de personaliabladzijde is niet voorzien van een variabel laserbeeld; de personaliabladzijde is niet voorzien van optisch variabele inkt. De conclusie van het onderzoek is dat het paspoort een nabootsing van een origineel exemplaar betreft, en daarmee dus vals is. Verdachte heeft verklaard dat hij het paspoort drie maanden geleden in Duitsland heeft gevonden. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden verdachte wist, danwel minst genomen heeft moeten vermoeden dat het paspoort vals was. Daarbij betrekt de rechtbank dat het paspoort de persoonsgegevens van een ander bevatte, en van een andere nationaliteit dan verdachte bezit. Het paspoort is aangetroffen in de tas van verdachte waarin zich tevens een vals Kroatisch rijbewijs bevond. De andere goederen die bij verdachte en in de auto zijn aangetroffen geven een context die crimineel van aard is: een pistool en munitie, een stroomstootwapen, een mes, een machete, een lockpickset, cocaïne. Daarbij verklaart verdachte bij de grensovergang al 15 jaar crimineel te zijn en iets op te moeten halen voor drugsdealers bij wie hij een schuld heeft. Dit paspoort draagt hij bij zich terwijl hij de grens tussen Duitsland en Nederland overschrijdt. Op basis van het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een vals paspoort betrof. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte een vals paspoort voorhanden heeft gehad. Feit 5 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit zoals dat primair ten laste is gelegd. Verdachte heeft dit feit bekend en er zit een proces-verbaal van expertise in het dossier. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal, p. 245. - het proces-verbaal, p. 317-318. - het proces-verbaal van verhoor, p. 195. Feit 6 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. De drugs is aangetroffen in de zwarte rugzak van verdachte en verdachte bekent ook dat hij drugs bij zich heeft. De officier van justitie vordert vrijspraak van het aanwezig hebben van heroïne. Er is niet genoeg bewijs. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de cocaïne refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman vraagt vrijspraak voor het aanwezig hebben van heroïne. Er kan niet gezegd worden dat verdachte beschikkingsmacht en wetenschap had van de drugs. Beoordeling door de rechtbank In de zwarte rugzak werd een gripzakje met wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. Het poeder in het witte zakje heeft goednummer PL2700-22-110951-10 gekregen en SIN AAPZ6l2lNL. Dit witte poeder is volledig opgegaan in een monstername met SIN AAPW3930NL. Het witte poeder is onderzocht door het NFI. Daaruit bleek dat het poeder een nettogewicht had van 4,8 gram. Het poeder bevatte cocaïne. Bij de insluitingsfouillering van verdachte werden diverse goederen aangetroffen. Ten eerste werd er een gripzakje met bruine poeder aangetroffen. Dit is opgeborgen in fouilleringszak 2976134. Het gripzakje met bruin poeder heeft goednummer PL2700-22-110951-38 gekregen. Het gripzakje met bruin poeder heeft SIN AAPZ6124NL en is volledig opgegaan in de monstername met SIN AAPW3933NL. Het bruine poeder is onderzocht door het NFI. Daaruit bleek dat het een nettogewicht had van 0,4 gram. Het poeder bevatte heroïne. Bij de insluitingsfouillering werd ook een zilveren koker met kristal aangetroffen. Dit is ook opgeborgen in fouilleringszak 2976134. De zilveren koker met inhoud heeft goednummer PL2700-22-110951-37 gekregen. De zilveren koker met inhoud heeft SIN AAPZ6123NL en is volledig opgegaan in de monstername met SIN AAPW3932NL. De inhoud van de koker is onderzocht door het NFI. Daaruit bleek dat het poeder een nettogewicht had van 0,3 gram. Het poeder bevatte heroïne. In totaal is er dus 4,8 gram cocaïne aangetroffen en 0,7 gram heroïne. Verdachte heeft verklaard dat de rugzak van hem was en dat er misschien wel drugs in zaten. Wanneer de politie hem voorhoudt welke voorwerpen allemaal in de rugzak gevonden zijn, verklaart verdachte dat al die producten, inclusief het gripzakje van hem zijn. Over de spullen die tijdens de fouillering zijn aangetroffen verklaart verdachte dat die spullen inderdaad van hem kunnen zijn. Ook verklaart hij dat hij zijn eigen drugs bij zich had. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zowel heroïne als cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij had zowel beschikkingsmacht over en wetenschap van de drugs. Feit 7 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit strafbare feit: het dragen van een verboden mes. Verdachte heeft dit feit bekend en er zit een proces-verbaal van expertise in het dossier. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aanhouding, p. 138-140. - het proces-verbaal, p. 329-330. - het proces-verbaal van verhoor, p. 175. Aanvullende overweging Voor een bewezenverklaring van feit 7 is noodzakelijk dat vaststaat dat het mes een voorwerp was waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Het mes was een opvouwbaar mes en had een lengte van 200 millimeter (opengevouwen). Volgens de Koninklijke Marechaussee was het mes geschikt om als steekwapen te gebruiken. Verdachte droeg het mes in een hoesje aan zijn broeksriem. Het mes was daarmee binnen handbereik van verdachte. Op het moment van aanhouding was verdachte bijrijder in een auto waarin ook nog andere wapens werden aangetroffen, waaronder een machete en een vuurwapen. Daarnaast werden er grote hoeveelheden geld aangetroffen. Verdachte heeft (zoals al eerder is weergegeven) verklaard dat hij in opdracht van drugscriminelen op weg was naar Utrecht om daar iets op te halen. Hij is al vijftien jaar crimineel. Volgens verdachte waren zijn opdrachtgevers slechte, verkeerde mensen die hem ‘koud zouden maken’ als hij niet bij hen terug zou keren. Hieruit blijkt dat verdachte in criminele zaken, althans een crimineel milieu was verwikkeld en op weg was naar een risicovolle situatie waarin hij gewapend wilde zijn. Uit al deze omstandigheden blijkt volgens de rechtbank dat het mes dat verdachte bij zich had gelet op de aard en omstandigheden waaronder het werd aangetroffen bestemd was om letsel toe te brengen of te dreigen. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 3, 4, 5 (primair), 6 en 7 heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type PPQ ( [nummer] ), kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en /of munitie, te weten 15 volmantel kogels/patronen (PPU 9mm Luger) en /of 6 knalpatronen (Umarex), zijne munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat hierna genoemd geschrift bestemd is voor voor zodanig gebruik, van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vals rijbewijs van Kroatië, op naam van [verdachte] , documentnummer: [nummer] , als ware het echt en onvervalst, door voornoemd rijbewijs te tonen aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee bij identiteitscontrole, in elk geval voorhanden heeft gehad ; 4. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen , een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een paspoort van Slovenië op naam gesteld van [naam] , geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] , Slovenië, voorzien van documentnummer [nummer] ., waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist (en) of redelijkerwijs moest (en) vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft /hebben gehad; 5. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, zonder consent een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (Power 200), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt en/of pijn kon worden toegebracht heeft doen binnenkomen; 6. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in totaal) ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en /of (in totaal) ongeveer 4,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en /of cocaïne , (telkens) (een) middel ( en ) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I , dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet ; 7. hij op of omstreeks 12 december 2022, te Zevenaar, althans in Nederland, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een zwart klapmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en /of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie feit 3: Een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is feit 4: Een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is feit 5: Handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 5º feit 6: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod feit 7: Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie 5 De strafbaarheid van de feiten De rechtbank overweegt over feit 3 het volgende. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 2 Sr. Volgens de wetsgeschiedenis bij artikel 231 Sr vormt artikel 231 Sr een specialis ten opzichte van artikel 225 Sr. Daarbij is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55 lid 2 Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit. Bewezen is verklaard dat de verdachte opzettelijk een vals Kroatisch rijbewijs voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat dit rijbewijs moet worden aangemerkt als identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, dat valt onder de reikwijdte van artikel 231 Sr. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd onder artikel 231 lid 2 Sr, welke bepaling hetzelfde strafmaximum heeft als artikel 225 lid 2 Sr. De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van 3 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf verdachte niet verder zal helpen. Hij heeft nu een baan, een gezin en een huis en dat moet niet doorkruist worden. De raadsman kan zich daarom vinden in de eis van de officier van justitie. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is samen met medeverdachte aangetroffen in een voertuig waarin hij met allerlei illegale voorwerpen de Duits/Nederlandse grens was gepasseerd. Hij had wapens bij zich (een vuurwapen met munitie, een stroomstootwapen en een klapmes) valse documenten, en verschillende soorten harddrugs. Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn doel om naar Nederland te komen, maar zegt onder meer dat hij al vijftien jaar crimineel is en dat hij deze dag in Utrecht ‘iets’ zou ophalen in verband met zijn schuld bij drugscriminelen, waarover hij verder geen vragen had gesteld, om mee naar Duitsland te nemen. De omstandigheden vormen een zorgelijk beeld. Verdachte had nog geen strafblad in Nederland, maar uit zijn Duitse strafblad blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten en Wet Wapens en Munitie-feiten. Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is niet veel bekend. Er is geen reclasseringsrapport opgemaakt. Verdachte is niet op de zitting verschenen, ondanks de daartoe strekkende schorsingsvoorwaarde. De informatie die de rechtbank heeft, is afkomstig uit een brief van verdachte zelf. Uit die informatie blijkt dat verdachte recent met succes een verslavingsbehandeling zou hebben ondergaan in Duitsland en zich nu beter voelt. Hij heeft een vaste baan en woonruimte. Verdachte wil een eerlijk en stabiel leven leiden en een goede vader zijn en zich afkeren van zijn verleden in de criminaliteit, aldus de brief. De rechtbank heeft ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Op de verschillende feiten die verdachte gepleegd heeft, staan straffen die verschillen in modaliteit en hoogte. Wanneer de rechtbank alle feiten bij elkaar optelt komt de rechtbank uit op een aanzienlijke gevangenisstaf en een geldboete. De rechtbank zal met name rekening houden met het tijdsverloop en daarom een straf opleggen die lager is. Echter, gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten, acht de rechtbank het niet passend om enkel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank zal daarom niet de eis van de officier van justitie volgen. Concluderend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 10 maanden, met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een geldboete, ter hoogte van een bedrag van € 5.970. Voor de overtreding (feit 7) zal de rechtbank niet een afzonderlijke straf opleggen omdat zij dat niet opportuun vindt. 8 De beoordeling van het beslag Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen is beslag gelegd op een geldbedrag van in totaal € 5.970. Nu verdachte van dit feit is vrijgesproken zal de rechtbank teruggave van voornoemd bedrag gelasten. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 58, 62, 231 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet; - 14, 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 De beslissing De rechtbank:  heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis; spreekt verdachte vrij van het feit onder nummer 2;  verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 3, 4, 5 (primair), 6, en 7, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden ;  bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.970,00 (vijfduizendnegenhonderdzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 54 dagen vervangende hechtenis;  gelast teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 5.970,00. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. L.M. Vogel en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2026. Mrs. Van Kasbergen en Dams zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 22-04701, gesloten op 24 januari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aanhouding, p. 138-142. Proces-verbaal, p. 245-246. Proces-verbaal, p. 245-246. Proces-verbaal van verhoor, p. 174. Proces-verbaal, p. 72. Proces-verbaal, p. 334. Proces-verbaal van verhoor, p. 174. Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 264-265. Proces-verbaal van aanhouding, p. 141. Proces-verbaal, p. 365. Proces-verbaal van verhoor, p. 170. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 114-115. Proces-verbaal van verhoor, p. 169. Proces-verbaal, p. 72. Proces-verbaal van aanhouding, p. 237. Proces-verbaal van bevindingen, p. 346. Proces-verbaal van verhoor, p. 175. Proces-verbaal van verhoor, p. 165. Proces-verbaal van verhoor, p. 175. Proces-verbaal, p. 245. Proces-verbaal van bevindingen, p. 343. Proces-verbaal van verhoor, p. 174-175. Proces-verbaal, p. 245. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 350-351. Rapport NFI, p. 281. Proces-verbaal, p. 72. Kennisgeving van inbeslagneming, volgnummer 2, p. 13. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 350-351. Rapport NFI, p. 283. Proces-verbaal, p. 72. Kennisgeving van inbeslagneming, volgnummer 4, p. 29. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 350-351. Proces-verbaal van verhoor, p. 174. Proces-verbaal van verhoor, p. 175. Proces-verbaal, p. 329. Proces-verbaal van aanhouding, p. 138-140. Proces-verbaal van aanhouding, p. 138-141. Proces-verbaal van verhoor, p. 171-173.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593230 · 2026-10-08
