Rechtbank Amsterdam, 22-09-2026 (1320128126)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Executie-EAB Polen. Verweer m.b.t. art. 11 OLW verworpen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat de Poolse autoriteiten hebben gegarandeerd dat zij minimaal twee uur per dag buiten haar cel kan verblijven. Om die reden slaagt het betoog van de raadsman niet. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen ziet bovendien niet op de 3m2 aan persoonlijke ruimte.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/201281-26 Datum uitspraak: 22 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2026 door the Circuit Court in Katowice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [inschrijvingsadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Katowice - Wschód District Court in Katowice van 3 november 2025 met kenmerk Kp 763/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat uit onderdeel D) van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op de zitting die heeft geleid tot het uitvaardigen van een nationaal arrestatiebevel. Er is sprake van een veroordeling bij verstek waarbij al is vastgesteld dat de opgeëiste persoon de feiten heeft begaan, zonder de mogelijkheid om toe te komen aan een hoger beroep. De overlevering moet daarom worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen, omdat het een vervolgings-EAB betreft. De beoordeling door de rechtbank Voor zover de raadsman heeft bedoeld een verweer in het kader van artikel 12 OLW te voeren, slaagt dit niet, alleen al omdat in het EAB sprake is van een verdenking en niet van een veroordeling. Hierdoor is artikel 12 OLW niet aan de orde. Het feit dat onderdeel D van het EAB is ingevuld, doet hier niet aan af. Blijkens de toelichting in onderdeel D) is dat onderdeel namelijk – onverplicht en kennelijk abusievelijk – ingevuld met betrekking tot het uitgevaardigde nationaal aanhoudingsbevel. 5 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat zij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. Op 7 augustus 2026 heeft de Deputy Director of the Department for te Enforcement of Judgments and Probation onder meer de volgende informatie verstrekt : “Ms [de opgeëiste persoon] will most likely be held at the Remand Centre in Katowice in accordance with the regional allocation system. (…) The amount of time that the persons temporary arrested spend outside their residential cell in penitentiary institutions depends on a number of individual factors and circumstances. Factors contributing to this include, among others, participation in cultural-and-educational activities, sports, interest groups, contact with a psychologist or form tutor, use of the telephone, maintaining contact with close persons through visits, contact with a defence counsel, a representative who is an attorney or legal advisor, participation in procedural activities, use of a canteen or storeroom, as well as employment within the available forms of work. The persons temporary arrested may take part in cultural-and-educational competitions organized by the prison administration, and they also have the opportunity to spend time outside their cells in other situations, such as participating in religious services and in situations where they hold talks with representatives of the prison administration. Inmates also stay outside their cells while taking walks (one hour a day), participating in common-room activities, the offer of which has been expanded to include additional activities during the week for Temporary Arrested [TA], as well as during visits and telephone calls (in accordance with the orders of the competent authority). The frequency and amount of time spent outside the residential cell is also influenced by other factors, such as the possibility of using additional or longer walks granted as a reward or discount, permission to participate more frequently in cultural-and-educational activities, physical education and sports, or the right to longer visits. The length of time spent outside the living cell is therefore neither fixed nor uniform for all temporary arrested persons. It depends on the opportunities provided by the penitentiary institution, as well as on the individual decisions, choices, and needs of the inmate, particularly with regard to participation in cultural-and-educational activities, sports activities, or employment. Participation in all proposed and available forms of activity is voluntary and it is not mandatory. In light of the above, it is not possible to specify the exact number of hours that an inmate will spend outside their cell during the day, due to a number of individual circumstances and the need to ensure the proper conduct of the criminal proceedings. However, it should nevertheless be assumed that this time will vary between one hour per day (a walk; unless the inmate chooses not to exercise this entitlement) and several hours per day, depending on the day of the week, the situation related to the internal regulations established in the remand center, the individual needs of individual inmates, their legal status or health condition, as well as the activity of the person in temporary detention themselves. The inmates temporary arrested may are entitled to: • a one-hour walk once a day, • one-hour common-room activities twice a week, • access to the library once a week, the duration of which depends on the inmates' needs, • religious services once a week, • once a week at the canteen and the storeroom, in accordance with the inmates' needs, • daily meetings with a penitentiary educator and a psychologist, • activities of two interest groups, with each group meeting once a week for approximately 1-1.5 hours. Participation in the activities is voluntary and takes place within the respective isolation groups, and is not subject to any additional procedural requirements. In summary, the Remand Centre [Areszt Sledczy] in Katowice is able to ensure that a prosecuted person will be able to spend at least two hours per day outside their cell.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat de detentiegarantie onvoldoende is en de overlevering moet worden geweigerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet duidelijk blijkt of de 3m2 exclusief sanitair is en dat er geen garantie wordt gegeven met betrekking tot het aantal uur dat een gedetineerde buiten de cel kan doorbrengen. Het aantal uur buiten de cel is volgens de verstrekte informatie afhankelijk van vele factoren en van een uniform beleid hierin is blijkens de informatie geen sprake. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de verstrekte detentiegarantie het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat de Poolse autoriteiten hebben gegarandeerd dat zij minimaal twee uur per dag buiten haar cel kan verblijven. Om die reden slaagt het betoog van de raadsman niet. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen ziet bovendien niet op de 3m2 aan persoonlijke ruimte. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer van de raadsman. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat feit 2 en feit 3 in Duitsland en Nederland zijn gepleegd en mogelijk ook in andere Europese lidstaten. Deze feiten dienen in de staat te worden berecht waar ze gepleegd zijn. Er is geen algemeen vervolgingsrecht voor de Poolse autoriteiten voor die feiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat blijkens het EAB het zwaartepunt van de verdenking in Polen ligt en dat de bewijsmiddelen in Polen worden verzameld. Verder heeft de officier van justitie op de zitting naar voren gebracht dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om de vervolging over te nemen. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de advocaat heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Baroud, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en O.P.M. Fruytier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).