Rechtbank Amsterdam, 22-09-2026 (13/106122-26)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Vervolgings-EAB Belgie. Verweer m.b.t. bevoegdheid uitvaardigende rechter verworpen. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/106122-26 Datum uitspraak: 22 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 april 2026 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [inschrijvingsadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Bevoegdheid uitvaardigende rechter Standpunt van de raadsman De raadsman heeft het volgende naar voren gebracht. De opgeëiste persoon is in een eerder stadium in België aangehouden nadat door de onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel was afgegeven. Vervolgens is de opgeëiste persoon tijdens het strafrechtelijk onderzoek meerdere keren gehoord, waaronder door deze onderzoeksrechter. De raadkamer van de rechtbank in Brugge heeft de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon geschorst onder voorwaarden. De opgeëiste persoon heeft zich aan alle voorwaarden gehouden. Het EAB is diezelfde dag door de onderzoeksrechter die eerder al een aanhoudingsbevel had afgegeven, opnieuw afgegeven. De raadsman heeft gesteld dat de onderzoeksrechter zich mogelijk niet kon vinden in de vrijlating van de opgeëiste persoon en dat hij daarom een EAB heeft uitgevaardigd. Deze gang van zaken roept volgens de raadsman de vraag op of de rechtbank in Brugge niet de justitiële autoriteit behoort te zijn die bevoegd is het EAB uit te vaardigen. Daarover dient volgens hem duidelijkheid te worden verkregen voordat de overlevering wordt toegestaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman in het kader van de strafzaak in België kan worden gevoerd en dat dit niet thuishoort in de overleveringsprocedure. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt dat de Belgische onderzoeksrechter een rechterlijke autoriteit is die een EAB mag uitvaardigen. Hoe de beslissing van de onderzoeksrechter om een EAB uit te vaardigen zich verhoudt met de raadkamerbeslissing van de rechtbank Brugge om de opgeëiste persoon te schorsen, is iets dat tijdens de procedure in België aan de orde kan komen. De rechtbank gaat er bovendien van uit dat het nationale aanhoudingsbevel dat aan het EAB ten grondslag ligt voor tenuitvoerlegging vatbaar is en dus opgeschort noch geschorst is. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 4 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt – in samenhang gelezen met het A-formulier – een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 3 april 2026 (kenmerk 2025/004). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 5 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - informaticacriminaliteit; - oplichting. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft zich niet beroepen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Daarom zal de rechtbank overlevering niet afhankelijk maken van de verstrekte terugkeergarantie. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 13 augustus 2026, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is verstrekt voor de opgeëiste persoon: “1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm. o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. Hieruit volgt dat ook de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. De rechtbank overweegt in dat verband dat aan de inbeslaggenomen iPhone geen goednummer is toegekend, om de redenen vermeld in het proces-verbaal van 2 september 2026 met mutatienummer PL27PG/26-062764. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat de onder de opgeëiste persoon inbeslaggenomen iPhone nog bij de Koninklijke Marechaussee ligt en niet (zoals uit de bijlage bij het proces-verbaal lijkt te volgen) is overgedragen aan de Duitse politie. De afgifte zal daarom worden bevolen als hierna in het dictum vermeld. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België,voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, namelijk de telefoon (iPhone) bedoeld in het proces-verbaal van 2 september 2026 met mutatienummer PL27PG/26-062764. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Baroud, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en O.P.M. Fruytier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114.