# Rechtbank Amsterdam, 17-09-2026 (13-178833-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9767
- Date: 2026-09-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9767
- Canonical: https://overview.legal/posts/593234

## Summary

Executie-EAB Roemenie; voortzetting na tussenuitspraak; artikel 12 OLW: geen aanleiding om af te zien van de weigeringsgrond; overlevering geweigerd.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-178833-26 Datum uitspraak: 17 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 29 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 oktober 2025 door the Galați Court , Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 20 augustus 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 3 september 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aantal vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting van 10 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat, mr. V.G. Kraal, en door een tolk in de Roemeense taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 3 september 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 5) en artikel 11 OLW (punt 6). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak, voor zover die zien op het vonnis van 4 augustus 2022 met zaaknummer 24748/233/2022 en kenmerk 116 dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Ten aanzien van het verzamelvonnis van 5 september 2025, met zaaknummer 9007/233/2024 en kenmerk 1276 heeft de rechtbank naar aanleiding van de verstrekte informatie de volgende vragen geformuleerd: Kunt u toelichten hoe de betekening aan opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden? Kunt u toelichten waaruit de verklaring van de opgeëiste persoon, dat hij de beslissing niet weerspreekt, blijkt? In dit licht vraagt de rechtbank ook uw aandacht voor het feit dat de opgeëiste persoon met bankafschriften heeft aangetoond dat met zijn bankpas in september 2025, en ook op 11 september 2025, betalingen in Nederland zijn gedaan en hij naar eigen zeggen na 2023 niet meer in Roemenië is gewest. Op 8 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit naar aanleiding van deze vragen de volgende aanvullende informatie verstrekt: “1. Criminal Sentence no. 1276/05.09.2025 pronounced in file no. 9007/233/2024 of the Galați Court, which became final for [de opgeëiste persoon] on 01.10.2025 through non-appeal, was personally communicated to him via the proof of service of the decision on 11.09.2025 at 09:00, at the address in the municipality of Galați, 1 Decembrie 1918 Street no. 8, block S8, entrance 3, apartment 63, Galați County, signing personally, as he was identified by the postal worker using his Identity Card. 2. Given that the convicted person was personally handed the decision on 11.09.2025 , he was informed through the document received regarding their right to file an appeal within 10 days. We specify that we hold no other evidence indicating that the convicted person expressly stated that they do not contest this decision.” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit onjuist is. De opgeëiste persoon heeft met bankafschriften aangetoond dat hij op 11 september 2025 in Nederland betalingen heeft verricht met ApplePay. Hierdoor is het des te meer ongeloofwaardig dat de aankopen op 11 september 2025 door iemand anders zijn gedaan. De opgeëiste persoon kan dus onmogelijk zich op die dag in Roemenië hebben geïdentificeerd met zijn ID-kaart om de beslissing in ontvangst te nemen. Daarnaast heeft de raadsman een foto van de ID-kaart van de opgeëiste persoon overgelegd waaruit blijkt dat die ID-kaart niet meer geldig was op de gestelde betekeningsdatum. Hij had op dat moment alleen een paspoort, afgegeven door de ambassade in Den Haag, waarmee hij zich had kunnen identificeren. De postbode kan die dag dus onmogelijk de opgeëiste persoon hebben gezien. De aanvullende informatie is daarmee tegenstrijdig met wat de opgeëiste persoon heeft aangetoond. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. Uit de aanvullende informatie van 8 september 2026 volgt gedetailleerd dat en hoe de beslissing aan de opgeëiste persoon is betekend op 11 september 2025. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op zijn recht om binnen tien dagen hoger beroep in te stellen. Het is inderdaad opmerkelijk dat blijkens de bankafschriften op de dag van de betekening betalingen in Nederland zijn verricht, maar gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De bankafschriften kunnen niet leiden tot de conclusie dat die informatie niet klopt, omdat onbekend is wie de bankpas heeft gebruikt. De opgeëiste persoon heeft niet aangetoond dat hij zelf de bankpas heeft gebruikt op 11 september 2025 in Nederland. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt allereerst dat in de aanvullende informatie van 8 september 2026 staat dat de beslissing aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend op 11 september 2025 en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep. Ook staat daarin dat de opgeëiste persoon zich ten overstaan van de postbode heeft geïdentificeerd met zijn ID-kaart en er geen hoger beroep of verzet is ingesteld. De rechtbank overweegt dat het vertrouwensbeginsel met zich brengt dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de beslissing is betekend door de postbode. Echter, in dit geval heeft de rechtbank ernstige twijfel over de vraag of de betekening door de postbode wel daadwerkelijk is geschied aan de opgeëiste persoon. Deze twijfel ziet voornamelijk op de door de opgeëiste persoon overgelegde bankafschriften waaruit blijkt - en zulks is ter zitting nog extra onder de aandacht van de rechtbank gebracht en gekomen - dat de pinbetalingen op 11 september 2025 gedurende de dag (in de middag in Zaandam en Amsterdam in onder andere twee supermarkten, aansluitend in het openbaar vervoer en later op de namiddag in Groningen) zijn verricht via ApplePay. Nu deze betalingen volgens de opgeëiste persoon met zijn mobiele telefoon zijn gedaan, komt het de rechtbank erg onwaarschijnlijk voor dat een ander dan de opgeëiste persoon deze betalingen heeft gedaan. Verder heeft de opgeëiste persoon aangetoond dat de geldigheid van zijn ID-kaart verliep op 12 augustus 2025, wat de vraag oproept met welk document hij zich ten overstaan van de postbode zou hebben gelegitimeerd op 11 september 2025. Resumerend: de rechtbank twijfelt er niet aan dat de postbode het vonnis in persoon heeft betekend aan een persoon die zich heeft geïdentificeerd als de opgeëiste persoon, maar heeft ernstige twijfels of die persoon inderdaad de opgeëiste persoon was. Er bestaat een reële mogelijkheid dat een ander zich bij de betekening van het vonnis heeft uitgegeven voor de opgeëiste persoon en dat de Roemeense autoriteiten dus per abuis maar te goeder trouw hebben meegedeeld dat het vonnis in persoon is betekend aan de opgeëiste persoon. De rechtbank zou, gelet op deze vraagtekens, hierover aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen hebben willen stellen. Omdat de beslistermijn vandaag verstrijkt, is daartoe echter geen gelegenheid meer. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen of sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot het verzamelvonnis van 5 september 2025, met zaaknummer 9007/233/2024 en kenmerk 1276 heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, of dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank heeft op basis van de informatie in het dossier geen aanknopingspunten om af te zien van deze weigeringsgrond. Zo kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid en ook niet dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie, nu informatie hierover ontbreekt. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank op dit moment onvoldoende vaststellen dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in acht zijn genomen in de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid en dat de grondslag van het EAB vormt. Om die reden zal de rechtbank de overlevering weigeren. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Galați Court , Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:9135. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593234 · 2026-10-08
