# Rechtbank Amsterdam, 01-10-2026 (13/182539-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9761
- Date: 2026-10-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9761
- Canonical: https://overview.legal/posts/593241

## Summary

EAB België; overlevering toegestaan

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/182539-26 Datum uitspraak: 1 oktober 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juni 2026 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres 1] , feitelijke verblijfplaats: [adres 2] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. W. Hendrickx, advocaat in Utrecht. De raadsman heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een veroordeling bij verstek met onmiddellijke aanhouding van de Rechtbank van Eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout van 10 december 2025, vonnisnummer: 2025/1583, dossiernummer: 23CO110872-TU10.L.1.2881-2023. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar waarvan één jaar uitstel voor een periode van vijf jaren met onmiddellijke aanhouding. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank mag in dit geval de overlevering niet weigeren als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend; én de opgeëiste persoon uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep; én de opgeëiste persoon het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep; én de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten; én die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; én de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de in het EAB vermelde termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep moet aantekenen. Het EAB vermeldt in onderdeel d): 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar - de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en - de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en - de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. Omdat de opgeëiste persoon nog in verzet of in hoger beroep kan gaan, is de veroordeling nog niet onherroepelijk. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de opgeëiste persoon inmiddels verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank Antwerpen. Omdat de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW ziet op onherroepelijke veroordelingen, is die weigeringsgrond ook niet van toepassing. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB zo worden begrepen dat het bedoeld is voor (verdere) vervolging van de opgeëiste persoon (zie hierna onder 7). 5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - deelneming aan een criminele organisatie; - illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 3 augustus 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven: 1 In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal na zijn overlevering worden gedetineerd in de gevangenis van [detentieadres] . 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden), met inbegrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waaraan [de opgeëiste persoon] na overlevering zal worden onderworpen: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m² individuele leefruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimumleefruimte van elke cel bedraagt 9 m², inclusief het vast meubilair. - De sanitaire blokken omvatten een wasbak en een toilet dat door een muur of scherm is afgescheiden van de rest van de cel. - Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal over een eigen bed beschikken en zal bijgevolg niet op de grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen op de luchtplaats, familiebezoeken en toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten, zoals sport en arbeid, zijn onderhevig aan wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëneomstandigheden Als algemene regel voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, waaronder het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne en het recht op toegang tot gezondheidszorg van een gelijkwaardig niveau als buiten de gevangenis. In dit verband werd een Penitentiaire Gezondheidsraad opgericht die adviseert over de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg binnen de gevangenissen. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die buiten de gevangenis wordt verstrekt. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De Procureur des Konings te Turnhout heeft op 27 juli 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België tot een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket van de procureur des Konings Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593241 · 2026-10-08
