# Rechtbank Amsterdam, 01-10-2026 (12102997 CV EXPL 26-1937)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9792
- Date: 2026-10-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9792
- Canonical: https://overview.legal/posts/593243

## Summary

Heeft de verwarmingsinstallatie voldoende vermogen om het gehuurde te verwarmen? Kantonrechter is voornemens een deskundige aan te stellen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12102997 \ CV EXPL 26-1937 Vonnis van 1 oktober 2026 in de zaak van 1 [huurder 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [huurder 2] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, gemachtigde: dhr. I. Doff (Stichting Woon), tegen VERENIGING [verhuurder] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. H.M. Hielkema. Eisers worden hierna gezamenlijk huurder (in mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk [huurder 1] en [huurder 2] genoemd. Gedaagde wordt hierna verhuurder genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 februari 2026, met producties; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties; - de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties; - het tussenvonnis van 1 mei 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [huurder 1] was aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verhuurder was de heer [naam 1] aanwezig, bijgestaan door mr. A. Schuit namens de (eveneens aanwezige) gemachtigde. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die door de gemachtigden zijn voorgedragen en overgelegd. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [huurder 2] huurt met ingang van 1 oktober 2020 van verhuurder de woning met kantoorruimte op de beletage gelegen aan [adres], met daarbij behorend erf of andere aanhorigheden (hierna: het gehuurde). De kale aanvangshuurprijs bedroeg € 3.725,00 per maand. Thans geldt een huurprijs van € 4.421,26 per maand. In de huurovereenkomst is vastgelegd dat alle rechten en plichten die uit de huurovereenkomst voortvloeien mutatis mutandis op [huurder 1] persoonlijk van toepassing zijn. Het gehuurde wordt bewoond door [huurder 1] en zijn twee kinderen (op dit moment 6 en 9 jaar). 2.2. Het gehuurde dateert uit 1659 en heeft de status van een rijksmonument. In de huurovereenkomst is onder meer bepaald dat huurder bij het aangaan van de overeenkomst is geïnformeerd over het bijzondere karakter van het pand (zijnde de status van een rijksmonument) en de beperkingen die dat oplevert in het gebruik en in het comfort en dat huurder die beperkingen heeft geaccepteerd. 2.3. Op 1 maart 2021 heeft verhuurder de cv-ketel in het gehuurde vervangen. De nieuw geplaatste verwarmingsketel is van het merk Vaillant. 2.4. Op enig moment heeft huurder de radiatorknoppen die in het gehuurde aanwezig waren vervangen door slimme radiatorknoppen van het merk Tado. Op de website van Tado staat aangegeven dat verwarmingsketels van het merk Vaillant met Tado-radiatorknoppen compatibel zijn. 2.5. In een e-mail op 16 november 2022 heeft huurder aan verhuurder laten weten dat hij problemen heeft met de verwarming, dat sommige radiatoren niet warm worden en dat het probleem al bestaat sinds de installatie van de nieuwe cv-ketel. Het pand is volgens huurder ‘zo lek als een mandje’ en in de (koude) winter bijna onbewoonbaar. Een dag later heeft verhuurder daarop geantwoord dat Loodgietersbedrijf Lenior B.V. (hierna: Lenior) zal langskomen om de radiatoren weer werkend te maken. 2.6. Op 16 januari 2023 heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), werkzaam als servicemonteur bij Lenior, het gehuurde bezocht. Op de factuur staat vermeld dat huurder vaak één radiator open heeft en de ketel te weinig doorstroming heeft waardoor deze niet aangaat, en dat de servicemonteur aan huurder uitleg en tips heeft gegeven over de werking van de cv-ketel. 2.7. In opdracht van verhuurder heeft Blonk Advies B.V. (hierna: Blonk) op 1 december 2023 een rapport uitgebracht. In het rapport is opgenomen dat de wens van verhuurder was om te onderzoeken hoe het gehuurde kan worden verduurzaamd zonder het monumentale gebouw aan te tasten. Het doel van het advies is omschreven als ‘onderzoek naar haalbare energiebesparingen’. Blonk heeft naar aanleiding van haar onderzoek diverse energiebesparingsmaatregelen geadviseerd, waaronder het isoleren van cv-leidingen, toepassen van radiatorfolie en kierdichting. 2.8. Op 16 januari 2024 heeft [naam 2] namens Lenior nogmaals het gehuurde bezocht. Op de factuur staat vermeld dat hij de knop van de radiator heeft afgehaald en dat hij huurder heeft gevraagd om te bellen als het [ de ktr begrijpt: de verwarming ] niet goed is, waarna huurder niet meer heeft gebeld. 2.9. In opdracht van huurder heeft Loodgieters-installatiebedrijf Jack van der Spruit B.V. (hierna: Van der Spruit) op 24 mei 2024 het gehuurde bezocht, teneinde het Tado-systeem na te zien en onderzoeken of het Tado-systeem de verwarmingsketel aanstuurt. Op de factuur staat onder meer het volgende vermeld. Het Tado-systeem stuurt de ketel aan wanneer er warmte wordt gevraagd. De radiator in de woonkamer die Van der Spruit heeft getest werd warm toen er via het Tado-systeem warmte werd gevraagd. De radiator wordt handwarm, ook als de ketel op 80 graden staat ingesteld. Het vermogen wat er in de woonkamer is geplaatst is te weinig, omdat het een slecht geïsoleerde woning is met enkelglas en geen geïsoleerde wanden. 2.10. Bij verklaring van 15 augustus 2024 heeft [naam 2] verklaard dat de cv-ketel, die hij in 2021 in het gehuurde heeft geplaatst, een hoog rendement-ketel betreft waarop ongeveer 25 radiatoren kunnen worden aangesloten. In het gehuurde zijn ongeveer 15 radiatoren aangesloten. Voor het verwarmen van de cv-radiator in de woonkamer heeft de radiator een overcapaciteit en dus voldoende vermogen om de kamer te verwarmen. Over zijn bezoek op 16 januari 2024 verklaart [naam 2] dat hij had voorgesteld om de Tado-knop te verwijderen en te vervangen door een gewone (originele) radiatorknop en dat de radiator wel weer warm werd toen deze werd getest zonder radiatorknop. 2.11. Naar aanleiding van de tussen partijen ontstane discussie over de vraag of de woning toereikend kan worden verwarmd heeft huurder in kort geding herstel van verwarmingsgebreken gevorderd door het plaatsen van achterzetramen, afdichten van kieren en herstel van de verwarmingsinstallatie. Ook heeft huurder 60% huurvermindering gevorderd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 30 augustus 2024 de vorderingen van huurder afgewezen en geoordeeld dat, alleen al vanwege het feit dat de verklaringen van Van der Spruit en Lenior zo verschillend zijn, niet eenvoudig kon worden vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een gebrek in het gehuurde. 2.12. Op enig moment heeft huurder aan EnergieAdviesaanHuis (hierna: EnergieAdvies) opdracht gegeven om vast te stellen wat de verwarmingscapaciteit van de aanwezige verwarmingsinstallatie is, bezien aan de hand van het toetsingskader zoals dat door de Huurcommissie wordt gehanteerd in het Gebrekenboek binnen categorie C (verwarming). In haar rapport heeft EnergieAdvies geconcludeerd dat uit de uitgevoerde warmteverliesberekeningen en de analyse van de afgiftecapaciteit van de cv-ketel en radiatoren blijkt dat het huidige verwarmingssysteem ernstig tekortschiet. De cv-ketel is niet in staat om, onder ontwerpcondities van -10 graden Celsius, het vereiste vermogen te leveren. Ook de radiatoren zijn qua afgiftevermogen onvoldoende om bij deze buitentemperatuur alle vertrekken op de gewenste temperatuur te krijgen. Het plaatsen van achterzetramen en het dichten en isoleren van de spouw van de zijgevels kan het benodigde verwarmingsvermogen aanzienlijk terugbrengen, maar ook dan blijft het totale benodigde verwarmingsvermogen nog altijd fors hoger dan het maximale vermogen van de huidige cv-ketel. Dat onderstreept volgens EnergieAdvies dat zowel het verwarmingssysteem als de isolatie van het gehuurde ontoereikend zijn om te voldoen aan de eisen voor comfort en energiezuinigheid en dat dit resulteert in een C-gebrek volgens het Gebrekenboek van de Huurcommissie. 3 Het geschil in conventie en in reconventie 3.1. In conventie vordert huurder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: een verklaring voor recht dat in het gehuurde sprake is van een gebrek, bestaande uit het feit dat (delen van) het gehuurde onder gebruikelijke winterse omstandigheden bij normaal gebruik niet in redelijke mate verwarmbaar zijn, ook bij langdurige en maximale warmtevraag; veroordeling van verhuurder om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn het onder 1. bedoelde gebrek te (doen) verhelpen door het treffen en uitvoeren van maatregelen die, binnen de monumentale randvoorwaarden, redelijkerwijs noodzakelijk en technisch uitvoerbaar zijn en aantoonbaar leiden tot verbeterde verwarmbaarheid, in die zin dat het gehuurde tijdens de gebruikelijke winterse omstandigheden bij normaal gebruik in redelijke mate op temperatuur kan worden gebracht en gehouden; veroordeling van verhuurder om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn een schriftelijk uitvoeringsplan aan huurder te verstrekken waarin ten minste zijn opgenomen: a) de te treffen maatregelen, b) de planning met start- en opleverdatum, c) de uitvoerende partij(en) en d) de wijze waarop de effectiviteit van de maatregelen wordt gecontroleerd; te bepalen dat tot de onder 2. bedoelde maatregelen in ieder geval behoort het (doen) aanbrengen van achterzetramen bij de daarvoor in aanmerking komende ramen in de hoofdverblijfsruimten, althans het treffen van een gelijkwaardige maatregel met vergelijkbare reductie van warmteverlies, een en ander voor zover technisch uitvoerbaar en proportioneel binnen de monumentale randvoorwaarden; te bepalen dat verhuurder aan huurder een door de rechtbank vast te stellen huurprijsvermindering verschuldigd is wegens verminderd huurgenot als gevolg van het onder 1. vastgestelde gebrek, uitsluitend over de perioden in de koude maanden waarin het gebrek zich heeft voorgedaan; veroordeling van verhuurder in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover. 3.2. In reconventie vordert verhuurder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat huurder wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle door hem geplaatste Tado radiatorknoppen te vervangen door de oorspronkelijke radiatorknoppen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag (met een maximum van € 100.000,00) en met veroordeling van huurder in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover. 3.3. Partijen voeren over en weer verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de wederpartij, met veroordeling van de wederpartij in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente daarover. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld. 4.2. De discussie tussen partijen spitst zich in de kern toe op de vraag of er sprake is van een gebrek aan het gehuurde, inhoudende dat het gehuurde door de huidige verwarmingsinstallatie onvoldoende kan worden verwarmd om aan huurder het huurgenot te verschaffen waarop hij als huurder recht heeft. 4.3. Huurder beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt dat het gehuurde onvoldoende kan worden verwarmd, in die zin dat het gehuurde gedurende normale winterse omstandigheden niet behoorlijk op temperatuur kan worden gehouden. Dit is volgens huurder het gevolg van enerzijds aanzienlijke bouwkundige warmteverliezen en anderzijds een verwarmingssysteem dat in de bestaande situatie structureel te weinig capaciteit heeft om deze verliezen te compenseren. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst huurder naar de rapporten van Blonk en EnergieAdvies, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Ook wijst huurder op de temperatuurmetingen die hij op winterse dagen in het gehuurde heeft verricht, waaruit hij afleidt dat de binnentemperatuur onder de twintig graden blijft (ondanks dat de thermosstaat op een hogere temperatuur wordt ingesteld). Deze omstandigheden wijzen erop dat sprake is van een gebrek in de zin van het Gebrekenboek dat door de Huurcommissie wordt gehanteerd. 4.4. Verhuurder ziet dat anders en stelt zich op het standpunt dat de verwarmingsketel voldoende in staat is om het gehuurde op temperatuur te krijgen. De door huurder aangehaalde rapportages tonen niet aan dat de verwarmingsinstallatie onvoldoende capaciteit heeft. Het rapport van Blonk betreft namelijk slechts een verduurzamingsadvies en dat van EnergieAdvies berust uitsluitend op een theoretisch rekenmodel dat wordt afgezet tegen een worstcasescenario van een buitentemperatuur van -10 graden Celsius. De bevindingen in de praktijk laten juist het tegendeel zien. [naam 2], die namens Lenior ter plaatse is geweest, heeft vastgesteld dat er ten aanzien van het verwarmingsvermogen sprake is van overcapaciteit en dat huurder zijn radiatoren op een onjuiste manier gebruikt. Verder volgt uit de temperatuurmetingen dat het gehuurde wel degelijk op temperatuur komt, maar dat het gehuurde gedurende de nacht sterk afkoelt doordat huurder stelselmatig ’s nachts de verwarming geheel uitschakelt, waarna relatief veel tijd nodig is om het gehuurde opnieuw op temperatuur te brengen. Ook stelt huurder zijn thermostaat in op achttien graden, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de twintig graden niet kan worden bereikt. Verder is sprake van een rijksmonument en mag huurder, zoals ook in de huurovereenkomst is vastgelegd, aan het gehuurde niet dezelfde eisen stellen als aan een recent gebouwde of gerenoveerde woning. 4.5. De kantonrechter neemt artikel 7:204 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als uitgangspunt. Daar is bepaald dat een gebrek een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid is, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. 4.6. Voor de vraag of in dit geval sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW wordt aansluiting gezocht bij de omschrijving zoals die is opgenomen onder C2 van het Gebrekenboek van de Huurcommissie. Hoewel de kantonrechter daaraan formeel niet gebonden is, biedt het Gebrekenboek daarin namelijk wel concrete handvatten voor de beoordeling van de onderhavige kwestie. Volgens het Gebrekenboek is sprake van een gebrek als een verwarmingsinstallatie onvoldoende warmteafgifte in een of meer verwarmde vertrekken van de woonruimte levert, zodat adequate verwarming voor het gebruik waartoe dat vertrek of die vertrekken bestemd is of zijn, niet mogelijk is. Dat is het geval indien bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius de volgende binnentemperaturen niet kunnen worden gehandhaafd: woonkamer en keuken: 20 graden Celsius toilet, entree en overloop: 15 graden Celsius slaapkamer: 18 graden Celsius badkamer: 22 graden Celsius. 4.7. Daarbij wordt ten aanzien van het monumentale karakter van het gehuurde overwogen dat de monumentale status mogelijk beperkingen oplevert in het gebruik en in het comfort, bijvoorbeeld in de vorm van hogere stookkosten, maar dat dit er niet aan af doet dat huurder mag verwachten dat de verwarmingsinstallatie naar behoren functioneert en dat het gehuurde voldoende warm te stoken is, hetgeen verhuurder ook terecht heeft erkend. 4.8. De bevindingen van de door partijen ingeroepen deskundigen laten geen eenduidig beeld zien omtrent de vraag of de woning voldoende kan worden verwarmd. Daarnaast roept het stookgedrag van huurder de vraag op in hoeverre het feit dat huurder iedere nacht zijn verwarmingsinstallatie geheel uitschakelt van invloed is op de door hem gemeten temperaturen. Ook zijn partijen het niet eens over de invloed van de Tado-knoppen die door huurder zijn geïnstalleerd, waarover de deskundigen ook niet tot een eenduidige conclusie zijn gekomen. Hoewel verhuurder ter zitting heeft verklaard dat zij niet de stelling inneemt dat de Tado-knoppen van invloed zijn, heeft zij in haar conclusie van antwoord in dit kader wel nadrukkelijk verwezen naar de bevindingen van [naam 2] dat de Tado-knoppen wel degelijk van invloed zijn geweest op het functioneren van het verwarmingssysteem. Ook de invloed van de Tado-knoppen wordt daarom in de hiernavolgende overweging betrokken. 4.9. Bij deze stand van zaken heeft de kantonrechter behoefte aan deskundige voorlichting. Zij is voornemens om één deskundige aan te stellen om, met inachtneming van hetgeen hierna onder 4.10 wordt overwogen, de volgende vragen voor te leggen: Heeft de huidige verwarmingsinstallatie voldoende vermogen om het gehuurde te verwarmen in die mate dat bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius wordt voldaan aan de temperaturen zoals die hiervoor zijn weergegeven onder 4.6, daarbij mede in aanmerking genomen de bouwkundige situatie van het gehuurde? Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: bij welke buitentemperatuur kan het gehuurde wel worden verwarmd om te voldoen aan de temperaturen zoals de hiervoor zijn weergegeven onder 4.6? Welke invloed heeft de volledige uitschakeling van de verwarmingsinstallatie tijdens nachtelijke uren op de vraag of de onder 4.6 genoemde temperaturen bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius in de loop van de dag kunnen worden behaald? Welke invloed heeft het gebruik van Tado-knoppen op de radiatoren en/of cv-ketel in het geval van huurder, in de praktijk, op een deugdelijke werking van de verwarmingsinstallatie als geheel c.q. op de mate waarin het gehuurde kan worden verwarmd conform de omschrijving in de eerste vraag? Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: welke maatregelen kunnen worden genomen om ervoor te zorgen dat het gehuurde bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius wél wordt verwarmd in die mate dat wordt voldaan aan de temperaturen zoals die hiervoor zijn weergegeven onder 4.6, daarbij naast de bouwkundige situatie ook de monumentale status van het gehuurde in aanmerking genomen? Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling? 4.10. Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of de zolderruimte moet worden meegewogen in het kader van een uit te voeren onderzoek. In artikel 5.1 van de huurovereenkomst is nadrukkelijk bepaald dat de zolderverdieping en vliering niet als verblijfsruimte te gebruiken zijn. Huurder heeft een foto overgelegd die voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst op de website Funda heeft gestaan, waarop te zien is dat de zolderruimte als slaapkamer werd gebruikt. Dat mag zo zijn, maar maakt de daarna in artikel 5.1 van de huurovereenkomst neergelegde afspraken niet anders. Mogelijk kan huurder de zolderruimte in de praktijk wel degelijk als slaapkamer gebruiken, maar tegen de achtergrond van artikel 5.1 heeft hij daaromtrent geen afdwingbaar recht tegenover verhuurder. Dat betekent dat de verwarming van de zolderverdieping en de vliering niet relevant is voor de vraag of sprake is van een gebrek aan het gehuurde en dus niet in het onderzoek mag worden betrokken. 4.11. Voordat tot benoeming van de deskundige wordt overgegaan, worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de voorgenomen vragen. Ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen daarover in onderling overleg overeenstemming kunnen bereiken. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De kantonrechter zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen. 4.12. De griffier zal de voorgestelde deskundige vragen of deze vrijstaat tegenover partijen, beschikbaar is en ook welke termijn voor het onderzoek nodig zal zijn. Ook zal de deskundige worden gevraagd een begroting van de kosten op te geven, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten. In dat verband zal (deels) het procesdossier met de daarin noodzakelijke persoonsgegevens van partijen met de deskundige worden uitgewisseld. De kantonrechter gaat uit van de toestemming van partijen hiervoor, tenzij anders door partijen wordt aangegeven bij de hiervoor genoemde akte. 4.13. De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dat betekent dat het voorschot daarom door huurder moet worden betaald. In het eindvonnis zal worden beslist wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet dragen. 4.14. De kantonrechter zal de zaak naar de rol van 12 november 2026 verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over hetgeen in 4.11 is genoemd. Uitstel zal, behoudens calamiteiten of een eenstemmig uitstelverzoek, niet worden verleend. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk twee weken vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren. 4.15. Voor zover naar aanleiding van het deskundigenbericht zal blijken dat er sprake is van een gebrek rijst daarna de vraag of huurder aanspraak heeft op huurprijsvermindering in de zin van artikel 7:207 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling kan de huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen. Huurder stelt dat hij aanspraak heeft op een huurprijsvermindering over de koude maanden (oktober tot en met april) vanaf december 2020 tot de datum waarop het gebrek verholpen is. Verhuurder heeft die aanspraak gemotiveerd betwist. De kantonrechter merkt op dat huurder het bestaan van een gebrek gelijk lijkt te stellen aan een verminderd huurgenot, maar dat is niet zonder meer correct. Indien het gehuurde bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius niet voldoende wordt verwarmd, betekent dat immers niet dat huurder op dagen waarop de buitentemperatuur hoger lag dan -10 graden Celsius (wat tijdens Nederlandse winters regelmatig tot vaak het geval zal zijn) ook een verminderd huurgenot heeft gehad. Voor het geval dat het deskundigenbericht daartoe aanleiding zal geven, wordt huurder reeds nu al in de gelegenheid gesteld om bij dezelfde akte van 12 november 2026 haar aanspraak op huurvermindering nader (met stukken) te onderbouwen. Aangezien hij zijn concept-akte uiterlijk twee weken voor de roldatum aan verhuurder moet toesturen, gaat de kantonrechter ervan uit dat verhuurder in haar akte van 12 november 2026 tevens zal reageren op hetgeen huurder in zijn concept-akte over een eventuele aanspraak op huurvermindering naar voren heeft gebracht. 4.16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 12 november 2026 om 10.00 uur om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over hetgeen hiervoor onder 4.11 en 4.15 is benoemd, 5.2. bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk twee weken vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij, 5.3. houdt iedere verdere beslissing aan. in reconventie 5.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/593243 · 2026-10-08
