Rechtbank Limburg, 08-09-2026 (ROE 23/1692)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 3 juli 2023 gegrond en vernietigt dit besluit wegens een motiveringsgebrek en voor zover daarbij is nagelaten informatie (deels) openbaar te maken, die op grond van de Woo openbaar had moeten worden gemaakt;
- verklaart het beroep tegen het bestreden herziene besluit van 29 januari 2026 gegrond, voor zover dit ziet op de in rechtsoverweging 12.13 genoemde (motiverings)gebreken;
- draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). De staatssecretaris heeft voor een aantal Woo-documenten de toepassing van de uitzonderingsgrond artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (het goed functioneren van de Staat) onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond. De openbaarmaking van de overige Woo-documenten mocht de staatssecretaris wel weigeren op basis van de toegepaste uitzonderingsgronden en de daarbij gegeven motivering.
Full text
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1692 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026. in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de staatssecretaris (gemachtigden: R.A.E van Bach en N. Jacobs). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het niet eens met deze (gedeeltelijke) afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De staatssecretaris heeft voor een aantal Woo-documenten de toepassing van de uitzonderingsgrond in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo onvoldoende gemotiveerd. Eiser krijgt op dit punt gelijk. De openbaarmaking van de overige Woo-documenten mocht de staatssecretaris wel weigeren op basis van de toegepaste uitzonderingsgronden en de daarbij gegeven motivering. Ook is de door de staatssecretaris verrichte zoekslag volledig geweest. Eiser krijgt op deze punten dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 21 juli 2022 een Woo-verzoek ingediend. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 21 februari 2023 deels toegewezen. Een deel van de door eiser opgevraagde informatie is niet door de staatssecretaris openbaar gemaakt. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 3 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en, onder aanvulling van de motivering, het besluit van 21 februari 2023 gehandhaafd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de staatssecretaris. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen een aantal documenten opnieuw te beoordelen, waaronder concepten, de integraal geweigerde documenten en de documenten waar grote blokken tekst zijn geweigerd. 2.4. De staatssecretaris heeft op 29 januari 2026 een herziene beslissing op bezwaar genomen. Met dit besluit wordt het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat aanvullende informatie openbaar wordt gemaakt. Daarbij heeft de staatssecretaris drie sets Woo-documenten naar de rechtbank gestuurd: een gelakte set documenten van de deels openbaar gemaakte documenten, een set met de ongelakte (dus volledig leesbare) documenten, die gedeeltelijk openbaar worden gemaakt en een set met de ongelakte documenten, die in het geheel niet openbaar worden gemaakt. Met betrekking tot deze laatste twee sets heeft de staatssecretaris een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend zij kennis mag nemen van deze stukken. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb is de in het vijfde lid bedoelde toestemming van rechtswege verleend, zodat de rechtbank kennis kan nemen van de stukken. 2.5. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van eiser van rechtswege ook gericht tegen dit herziene besluit. Eiser heeft op 27 februari 2026, 15 maart 2026 en 1 mei 2026 gereageerd op het bestreden (herziene) besluit. 2.6. Inmiddels is de rechter, die dit beroep in eerste instantie in behandeling heeft gehad, niet meer werkzaam bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. De rechtbank heeft het beroep daarom op 16 juli 2026 op een tweede zitting, met een andere rechter, behandeld. Hierbij waren eiser in persoon en de gemachtigden van de staatssecretaris, te weten [naam 1] en [naam 2] , via een video-verbinding, aanwezig. Beoordeling door de rechtbank De relevante feiten en omstandigheden 3. Eiser heeft bij de staatssecretaris, de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) en het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland Woo-verzoeken ingediend om stukken te krijgen die zien op de door hen met Tata Steel overeengekomen intentieverklaring “Afspraken met Tata Steel over CO2-reductie en verbetering leefomgeving” (dit is de zogenaamde Expression of Principles, hierna: de EoP). Hij heeft verzocht om alle documenten die betrekking hebben op het voorbereiden van deze EoP vanaf het begin van de gesprekken daarover tot de ondertekening op 15 juli 2022. Deze zaak gaat over het verzoek dat eiser gericht heeft aan de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft op basis van eisers verzoek 206 documenten geïnventariseerd. De informatie in deze documenten is (gedeeltelijk) openbaar gemaakt, maar er zijn ook documenten die geheel door de staatssecretaris zijn geweigerd. Specifiek gaat het in deze zaak over de zoekslag van de staatssecretaris, het weglakken van delen van documenten en de volledige weigering van andere documenten. Het wettelijk kader 4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. De toegepaste uitzonderingsgronden 5. De staatssecretaris heeft gegevens geweigerd op grond van: - artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De staatssecretaris hoeft geen informatie openbaar te maken als dit de persoonlijke levenssfeer schaadt en dit belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid; - artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo. De staatssecretaris maakt geen informatie openbaar voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; - artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. De staatssecretaris hoeft geen informatie openbaar te maken als dit het belang van het goede functioneren van de Staat schaadt en dit zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. - artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. De staatssecretaris maakt geen persoonlijke beleidsopvattingen, waaronder ambtelijke adviezen, meningen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad openbaar. 5.1. De documenten en de toegepaste uitzonderingsgronden zijn genoemd op de inventarislijst bij het bestreden (herziene) besluit en op de inventarislijst bij het bestreden besluit. De standpunten van partijen 6. Eiser trekt de volledigheid van de zoekslag in twijfel. Eiser is de staatssecretaris erkentelijk dat met het herziene bestreden besluit nog maar slechts enkele zinnen of woorden de kwalificatie ‘Buiten verzoek’ hebben gekregen, maar document 1004006 (documentnummer 15 op de herziene inventarislijst) ontbreekt in de gelakte versie van de Woo-documenten, zodat hij dit niet kan nagaan. Verder heeft de staatssecretaris de uitzonderingsgronden, te weten de bescherming van vertrouwelijke concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens, het belang van het goed functioneren van de Staat en de persoonlijke beleidsopvattingen, niet goed toegepast. Daarnaast dient in dit geval volgens eiser de belangenafweging uit te vallen in het voordeel van openbaarmaking nu het gaat om informatie die belangrijk is voor de gezondheid van burgers en het milieu. Eiser stelt dat op grond van artikel 5.3 van de Woo documenten waarop een uitzonderingsgrond van toepassing is in beginsel openbaar moeten worden gemaakt, althans moet de staatssecretaris goed motiveren waarom de uitzonderingsgrond na vijf jaar nog van toepassing is. Ook heeft eiser aangevoerd dat – mochten de Woo-documenten nog niet ouder zijn dan vijf jaar – de staatssecretaris sowieso het tijdsverloop in zijn belangenafweging had moeten laten meewegen. Eiser meent verder dat de staatssecretaris nergens aandacht heeft besteed aan het gegeven dat de EoP milieu-informatie betreft en zelfs informatie over milieu-emissies. In dat kader merkt eiser nog op dat bij het weigeren van persoonlijke beleidsopvattingen dan uitdrukkelijk moet worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking overeenkomstig artikel 5.2, vierde lid, van de Woo. Verder heeft eiser aangevoerd dat voor zover openbaarmaking is geweigerd van informatie, die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten voor intern beraad en zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming, de staatssecretaris deze informatie op grond van artikel 5.2, derde lid, van de Woo in niet tot personen herleidbare vorm openbaar had moeten maken. Ook heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 5.2, tweede lid, van de Woo, aldus eiser. Tot slot heeft eiser aangegeven dat hij feitelijke onjuistheden in de herziene inventarislijst heeft aangetroffen. 6.1. De staatssecretaris is (kort gezegd) van mening dat hij alle stukken, die onder eisers Woo-verzoek vallen en onder hem berusten, heeft beoordeeld. De zoekslag, die heeft plaatsgevonden, was voldoende. De staatssecretaris vindt verder dat hij de uitzonderingsgronden terecht toepast, juist om betere resultaten voor het milieu en gezondheid te kunnen behalen, terwijl in de onderhandelingen deze stukken vertrouwelijk moeten blijven. Als ze openbaar worden, verzwakt dit namelijk de onderhandelingspositie van de Staat in deze en soortgelijke onderhandelingen. Om diezelfde redenen ziet hij ook geen gebrek in de gemaakte belangenafweging. Opbouw van de uitspraak 7. De rechtbank zal eerst beoordelen of de staatssecretaris een goede zoekslag heeft gemaakt, zoals door eiser in beroep wordt betwist. Hierna zal de rechtbank enkele algemene overwegingen over de beoordeling van dit Woo-verzoek uiteenzetten. De rechtbank zal daarna de informatie die de staatssecretaris buiten de reikwijdte van de het Woo-verzoek heeft laten vallen, bespreken. Vervolgens zal de rechtbank nagaan of de staatssecretaris de uitzonderingsgronden (al dan niet in combinatie) terecht heeft toegepast en goed heeft gemotiveerd. Omdat eiser heeft aangegeven dat hij geen problemen heeft met het weglakken van persoonsgegevens (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo) en vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo) worden deze uitzonderingsgronden niet beoordeeld door de rechtbank. Dit neemt niet weg dat de rechtbank (op verzoek van eiser) wel controleert of daar waar artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo is toegepast, de Woo-documenten ook daadwerkelijk vertrouwelijke bedrijfs- of fabricagegegevens bevatten. De rechtbank zal tot slot nog ingaan op eisers beroep op artikel 5.3 van de Woo (het tijdsverloop) en de feitelijke onjuistheden in de herziene inventarisatielijst van de Woo-documenten. Aan het eind van de uitspraak staan de conclusies van de rechtbank. De zoekslag en de reikwijdte van het Woo-verzoek 8. Als een Woo-verzoek wordt ingediend dan heeft een bestuursorgaan een onderzoeksplicht. Het bestuursorgaan moet onderzoek doen naar de documenten die bij hem berusten. Die zoekslag moet het bestuursorgaan inzichtelijk maken. Als het bestuursorgaan niet ongeloofwaardig stelt dat het bepaalde documenten niet heeft dan is het in beginsel aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat een bepaald document wel bij het bestuursorgaan berust. 8.1. Eiser is van mening dat de staatssecretaris niet alle documenten waarover hij beschikt betrokken heeft bij het verzoek. Eiser wijst in dit kader op een aantal digitale omgevingen waarnaar in de stukken verwezen wordt maar waartoe hij geen toegang heeft. Op basis van zijn andere Woo-verzoeken weet eiser dat documenten bij het ene bestuursorgaan wel aanwezig zijn en vervolgens bij het ander bestuursorgaan niet genoemd worden. Eiser verwijst ook naar een brief waarin verwezen wordt naar 405-stukken terwijl in het besluit gesproken wordt van 206 documenten en hij slechts 205 documenten heeft ontvangen. Eiser stelt verder dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe gezocht is; zo worden er geen zoektermen genoemd. 8.2. De staatssecretaris is van mening dat hij zorgvuldig heeft gekeken naar alle relevante stukken die onder hem berusten. Documenten die niet onder hem berusten hoeft en kan hij niet openbaar maken. Daarbij heeft de staatssecretaris toegelicht dat de links waarnaar wordt verwezen in verschillende stukken die zijn geopenbaard, verwijzen naar beveiligde digitale samenwerkingsomgevingen van derde partijen waarin documenten ten behoeve van het onderhandelingsproces zijn geplaatst, die hij alleen heeft kunnen inzien. Dat laat onverlet - zo begrijpt de rechtbank - dat de staatssecretaris de documenten die onder hem berusten en die betrekking hebben op het Woo-verzoek heeft geïnventariseerd, bekeken en beoordeeld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er desondanks nog andere onder de staatssecretaris berustende documenten zijn die niet bij de beoordeling zijn betrokken. 8.3. Verder overweegt de rechtbank dat, nu eiser bij meerdere bestuursorganen een Woo-verzoek over hetzelfde onderwerp heeft ingediend, het niet ondenkbaar is dat die bestuursorganen andere en/of aanvullende informatie hebben beoordeeld en openbaar hebben gemaakt. Een vergelijking met de besluitvorming van andere bestuursorganen betekent echter niet dat de staatssecretaris documenten ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten of niet openbaar heeft gemaakt. 8.4. Voor wat betreft het aantal geïnventariseerde Woo-documenten heeft de staatssecretaris op de zitting van 5 november 2025 voldoende toegelicht dat het verschil in het aantal aangetroffen Woo-documenten verklaarbaar is en hoe de zoekslag feitelijk is gedaan. De staatssecretaris heeft op zitting verklaard dat de zoektermen ‘Tata’, ‘TSN’ en ‘Tata Steel Nederland’ zijn gebruikt en dat van daaruit de documenten, die zijn aangetroffen, getrechterd en gefilterd zijn met de term ‘expression of principles’ en ‘EoP’. Verder heeft de staatssecretaris intern gezocht in de e-mailboxen van de beleidsmedewerkers, die betrokken waren bij de onderhandelingen. Ook is er gezocht op de interne schrijf van het ministerie en de computers van de betrokken beleidsmedewerkers. 8.5. Eiser verwijt de staatssecretaris dat hij uitsluitend de zoektermen heeft gebruikt, zoals hiervoor vermeld, en dat de staatssecretaris meer had moeten zoeken op de inhoud, zoals de leefomgeving rondom Tata Steel en de gezondheid. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. De staatssecretaris heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe naar documenten is gezocht en er is geen aanleiding om te oordelen dat de staatssecretaris daarbij onjuiste of onvolledige zoektermen heeft gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in dit geval – gelet op de bewoordingen van het Woo-verzoek – het gebruik van de zoektermen ‘Tata’, ‘TSN’ en ‘Tata Steel Nederland” in combinatie met ‘expression of principles’ en ‘EoP’ het meest voor de hand. 8.6. De inventarislijst vermeldt 206 Woo-documenten. De staatssecretaris heeft op de zitting van 5 november 205 naar voren gebracht dat de aangetroffen documenten in een systeem zijn geüpload, waarin documenten soms zijn opgeknipt en als afzonderlijke bestanden zijn verwerkt. Hierdoor leek het alsof er 405 documenten waren gevonden. Na het samenvoegen van de losse onderdelen bleek echter dat het daadwerkelijk om 206 documenten ging. Hiermee is het in het bestreden besluit genoemde aantal van 206 documenten voldoende verklaard. Dat document 206 (op de inventarislijst van het bestreden besluit) volgens eiser niet aanwezig is, komt doordat dit document niet openbaar is gemaakt. De rechtbank volgt het standpunt van de staatssecretaris dat het overleggen van niet-openbare documenten in dit verband geen redelijk doel dient, omdat dit eiser geen inzicht verschaft. 8.7. De rechtbank merkt verder nog op dat eiser in zijn Woo-verzoek van 21 juli 2022 concreet heeft gevraagd om alle documenten openbaar te maken die zien op de voorbereiding van de EoP, vanaf de start van de besprekingen tot de ondertekening van de EoP op 15 juli 2022. Daarbij is aangegeven dat deze besprekingen hebben plaatsgevonden tussen het ministerie van de staatssecretaris enerzijds en het ministerie van KGG, de provincie Noord-Holland en Tata Steel anderzijds. Dit ziet op de periode tussen 1 april 2022 tot 15 juli 2022. Het voorgaande is dus de informatie, die eiser met zijn verzoek heeft beoogd openbaar te maken voor een ieder op grond van de Woo en dat is ook de afbakening van het Woo-verzoek. 8.8. Omdat de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris dat hij alle informatie heeft verstrekt niet ongeloofwaardig acht, is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat er – in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door de staatssecretaris – toch meer informatie zou zijn, die onder de staatssecretaris berust. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Algemene overwegingen 9. Het Woo-verzoek ziet op een groot aantal documenten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de geweigerde (onderdelen van) documenten. De rechtbank heeft deze ongelakte documenten in zijn geheel en op alinea-niveau vergeleken met de gelakte versie van de documenten. 9.1. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris het Woo-verzoek zorgvuldig en correct heeft behandeld en of alle relevante informatie voldoende openbaar is gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 9.2. De rechtbank duidt de documenten aan met de nummers die de staatssecretaris daaraan op de inventarislijst behorend bij het bestreden (herziene) besluit van 29 januari 2026 heeft toegekend en voor de overige documenten, die niet in deze lijst zijn opgenomen, wordt teruggegrepen op de inventarisatielijst behorend bij het bestreden besluit van 3 juli 2023. 9.3. De rechtbank merkt op dat, voor zover de niet (of deels niet) openbaar gemaakte Woo-documenten milieu-informatie bevatten, is nagegaan of de staatssecretaris hiermee bij de gemaakte belangenafweging voldoende rekening heeft gehouden. Verder overweegt de rechtbank dat in de ongelakte Woo-documenten geen actuele emissiegegevens zijn aangetroffen. 9.4. Gebleken is dat eiser vergelijkbare Woo-verzoeken heeft ingediend bij drie verschillende overheidsinstanties. De verzoeken hebben grotendeels betrekking op dezelfde documenten. Dit kan ertoe leiden dat de betrokken overheidsinstanties tot verschillende beslissingen over openbaarmaking komen. De rechtbank is zich daarvan bewust. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank ieder beroep afzonderlijk beoordeelt op basis van het bestreden besluit, de motivering daarvan en de in die procedure aangevoerde beroepsgronden. 9.5. De rechtbank merkt verder nog op dat de vergelijking van de gelakte- en ongelakte documenten mensenwerk is. Daarbij valt niet uit te sluiten dat in een enkel geval meer informatie is weggelakt dan strikt noodzakelijk was. Dit doet echter niet af aan het algemene beeld dat de rechtbank na bestudering van de documenten heeft verkregen en dat aan de hierna volgende beoordeling ten grondslag ligt. Informatie die buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt 10. Zoals hiervoor al is vermeld, is eiser de staatssecretaris erkentelijk dat in het bestreden herziene besluit nog slechts enkele zinnen of woorden als ‘buiten verzoek’ heeft aangemerkt. 10.1. Deze informatie is opgenomen in de documenten 31, 51, 62, 73 en 96. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ongelakte versie van de hiervoor genoemde documenten. De rechtbank stelt vast dat de zinnen, die zijn weggelakt inderdaad buiten het Woo-verzoek vallen, omdat deze geen betrekking hebben op publieke informatie, waarop het Woo-verzoek ziet. De vermelding ‘buiten verzoek’ in de betreffende Woo-documenten is dus correct toegepast. Vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo) 11. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. 11.1. Op verzoek van eiser zal de rechtbank vaststellen of de gegevens in de Woo-documenten, waar een beroep door de minister is gedaan op artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, inderdaad vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens zijn. 11.2. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de gelakte en ongelakte documenten 35 en 51. Dit zijn de enige Woo-documenten waar voornoemde uitzonderingsgrond is toegepast. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris dat dit vertrouwelijk aan de overheid verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens zijn. Belang van het goed functioneren van de Staat (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo) 12. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. 12.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan artikel 5.1, tweede lid, van de Woo zonder terughoudendheid toetst of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft beoordelingsruimte bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op toegang tot informatie bestaat, dient in deze afweging zwaar te wegen. 12.2. De systematiek van de Woo vergt in het algemeen een belangenafweging op documentniveau, waarbij de term ‘voor zover’ in de aanhef van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo betekent dat binnen een document moet worden beoordeeld in hoeverre de uitzonderingsgronden aan de orde zijn. Een bestuursorgaan moet in beginsel per document of per passage van een document motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. 12.3. De staatssecretaris heeft in de inventarislijst per document aangegeven welke uitzonderingsgrond van de Woo van toepassing is en heeft ook aangegeven wat de documentnaam is. Ook heeft de staatssecretaris in de gelakte documenten per zin/tekstblok aangegeven welke uitzonderingsgrond van toepassing is. De staatssecretaris heeft dus bij het toepassen van (in dit geval) artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo de documenten per zin/tekstblok op hun concrete inhoud beoordeeld. Verder heeft de staatssecretaris in het bestreden herziene besluit de toegepaste uitzonderingsgrond gemotiveerd en toegelicht. 12.4. De staatssecretaris is in het bestreden herziene besluit teruggekomen van de toepassing van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo (het belang van de economische of financiële belangen van de Staat) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Woo (het belang van de bescherming van het milieu) op bepaalde informatie in Woo-documenten. In plaats daarvan heeft de staatssecretaris voor die informatie de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo aan het besluit ten grondslag gelegd. 12.5. De staatssecretaris heeft voor een groot aantal documenten de openbaarmaking geheel of gedeeltelijk geweigerd op de uitzonderingsgrond in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo, omdat deze informatie betrekking heeft op de nog lopende onderhandelingen met Tata Steel in het kader van de maatwerkaanpak (of maatwerkaanspraken). Het betreffen onder meer concepten van de EoP of ambtelijke concepten (nota’s), interne mailwisselingen, mailwisselingen met andere bestuursorganen, WhatsAppgesprekken en gespreksverslagen. Volgens de staatssecretaris worden in de e-mails onderhandelingsinzet en onderhandelingsstrategie (inhoudelijk) besproken of bevatten zij geciteerde teksten uit de concepten van de EoP. Openbaarmaking van deze informatie zou volgens de staatssecretaris inzicht geven in de keuzes die de Staat en/of andere overheden hebben gemaakt in het onderhandelingsproces om te komen tot het sluiten van definitieve maatwerkafspraken met Tata Steel. 12.6. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat indien informatie uit het vertrouwelijke onderhandelingsproces openbaar wordt, bedrijven (zoals Tata Steel) in het vervolg minder bereid zullen zijn hun standpunten vrijelijk te delen. Tegelijkertijd krijgen Tata Steel en derden volgens de staatssecretaris inzicht in de wijze waarop de Staat onderhandelt en welke afwegingen daarbij worden gemaakt. Dit verzwakt de onderhandelingspositie van de Staat en belemmert naar de mening van de staatssecretaris ook het bereiken van een zo gunstig mogelijk onderhandelingsresultaat met Tata Steel en andere bedrijven. 12.7. Verder is volgens de staatssecretaris (gedeeltelijke) openbaarmaking van de conceptversies van de EoP niet mogelijk. De definitieve versie van het EoP is inmiddels openbaar gemaakt. Volgens de staatssecretaris wordt het goed functioneren van de Staat geschaad als ook concepten van de EoP, die ten behoeve van de onderhandelingen zijn opgesteld, in het openbaar in omloop zijn. De staatssecretaris meent dat dit ertoe kan leiden dat elk concept publiekelijk ter discussie komt te staan. 12.8. Bij openbaarmaking verkrijgen derden – waarmee de Staat soortgelijk onderhandelingstraject doorloopt of wil doorlopen – inzicht in de onderhandelingsstrategie van de Staat en de andere betrokken overheden, waaronder de ingenomen standpunten, de gedane concessies en de belangen, die gedurende de onderhandelingen een rol hebben gespeeld. Dit kan volgens de staatssecretaris de onderhandelingspositie van de Staat en andere overheden in lopende en toekomstige onderhandelingstrajecten schaden. Zelfs openbaarmaking van informatie over onderwerpen waarover nauwelijks is onderhandeld en waarvan de inhoud gedurende het onderhandelingstraject over de EoP vrijwel ongewijzigd is gebleven, geven volgens de staatssecretaris inzicht in de onderhandelingsstrategie, omdat zij laten zien welke onderdelen niet verder zijn uitonderhandeld. Voor de ambtelijke concepten geldt naar de mening van de staatssecretaris dezelfde motivering als voor de concepten van de EoP. 12.9. De rechtbank kan het standpunt van de staatssecretaris volgen met de algemene motivering in de bestreden besluiten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de documenten die (deels) zijn geweigerd op deze uitzonderingsgrond. Uit de gelakte informatie in deze documenten blijkt evident dat openbaarmaking het goed functioneren van de Staat zal schaden. Vast staat dat de onderhandelingen tussen (onder meer) de staatssecretaris en Tata Steel om te komen tot maatwerkafspraken nog lopen, waarbij de EoP bij deze onderhandelingen als uitgangspunt geldt. De staatssecretaris heeft terecht gesteld dat openbaarmaking van de informatie, die ziet op de voorbereiding van de EoP, ertoe leidt dat de onderhandelingspositie van de Staat wordt geschaad. Tata Steel zou de gevraagde informatie kunnen gebruiken om haar onderhandelingspositie te versterken, wat ten koste kan gaan van de onderhandelingspositie van de Staat. Openbaarmaking verschaft bovendien andere partijen, met wie de Staat de intentie heeft een vergelijkbaar onderhandelingstraject te voeren, inzicht in de onderhandelingsstrategie en -ruimte van de Staat. Dit kan de onderhandelingspositie van de Staat ook in die trajecten schaden. Verder heeft de staatssecretaris terecht gesteld dat de mogelijkheid van openbaarmaking tijdens een onderhandelingstraject afbreuk kan doen aan de bereidheid van partijen om vrijelijk te onderhandelen, waardoor het bereiken van een optimaal onderhandelingsresultaat wordt bemoeilijkt. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorgaande belangen door openbaarmaking onevenredig zouden worden benadeeld. 12.10. De rechtbank is – na bestudering van de ongelakte Woo-documenten – van oordeel dat niet is gebleken dat de staatssecretaris de conceptversies van de EoP met toepassing van de uitzonderingsgrond onder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de Woo niet van toepassing is op die delen van de conceptdocumenten die overeenkomen met de reeds openbaar gemaakte definitieve versie van het betreffende document. Openbare informatie valt immers niet onder de werking van de Woo. 12.11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de staatssecretaris met betrekking tot de weigering om de documenten openbaar te maken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het goed functioneren van de Staat zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van de betreffende informatie. 12.12. Het voorgaande geldt echter niet voor de informatie, die is weggelakt met de i-grond, in de volgende documenten: - document 1 (1004266): de rechtbank kan het weglakken van informatie met toepassing van deze uitzonderingsgrond in algemene zin volgen met uitzondering van de tekstblok op pagina 4, onder 2Ic. De rechtbank begrijpt niet zonder toelichting hoe deze informatie het goed functioneren van de Staat schaadt; - document 4 (1004165): het weglakken in bijlage 2, onder actielijn 1, derde bullet, betreft hetzelfde tekstblok als in document 1. Ook ten aanzien van dit tekstblok kan de rechtbank de weglakking, om dezelfde reden als hiervoor overwogen, niet volgen; - document 28 (1004166): de rechtbank stelt vast dat in dit document onder meer het doel van het project en een planningsoverzicht is weggelakt. De rechtbank ziet niet in waarom het openbaar maken van de tijdsplanning problemen oplevert, terwijl het doel van het project algemeen bekend is. De staatssecretaris zal voor dit document de toepassing van de i-grond mocht hij deze grond willen handhaven nader moeten onderbouwen. 12.13. De rechtbank is – gezien het bovenstaande – van oordeel dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom door openbaarmaking van de informatie, zoals hierboven nader uiteengezet, in de documenten 1, 4 en 28 het goed functioneren van de Staat wordt belemmerd. 12.14. Voor zover eiser naar voren heeft gebracht dat hij bepaalde bijlagen mist bij e-mails, overweegt de rechtbank het volgende. De bijlage die, zoals eiser stelt, ontbreekt bij document 54 (1004469) is een tussenversie van de EoP en is document 55 op de inventarisatielijst bij het bestreden herziene besluit. Deze bijlage is niet openbaar gemaakt met toepassing van de i-grond. De rechtbank heeft dit document volledig bekeken en is van oordeel dat document 55, gelet op de in het bestreden herziene besluit opgenomen algemene motivering, niet openbaar mag worden gemaakt. Eiser heeft ook gesteld dat ten aanzien van de documenten 77, 79 en 80 de bijlage ontbreekt. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de e-mail in document 80, anders dan eiser stelt, niet blijkt dat daaraan een bijlage is toegevoegd. De rechtbank constateert verder dat de bijlage bij de e-mail van document 77, document 78 betreft, de beslisnota onderhandelingsresultaat EoP, die reeds openbaar is. Als informatie al voor iedereen openbaar is, hoeft de staatssecretaris dit niet opnieuw openbaar te maken. De rechtbank acht verder voldoende aannemelijk dat de bijlage bij document 79, document 82 betreft. Eiser heeft verder aangevoerd dat de bijlagen bij documenten 86, 88 en 90 ontbreken. De rechtbank is gebleken dat deze bijlagen respectievelijk documenten 87, 89 en 91 zijn, die reeds openbaar zijn. Voor wat betreft de door eiser gestelde ontbrekende bijlage bij document 103, overweegt de rechtbank dat dit een aanvulling is op een persbericht, te weten document 104, en dit document zit gewoon bij de stukken. Met de weglakkingen van de passage in document 104 met toepassing van de i-grond gaat de rechtbank akkoord. De bijlagen waarnaar wordt verwezen in de documenten 105 en 106 is eveneens document 104. Tot slot leidt de rechtbank uit de stukken af dat document 108 de door eiser gestelde ontbrekende bijlage bij documenten 107 en 109 is; document 108 is openbaar. Persoonlijke beleidsopvattingen in een document voor intern beraad (artikel 5.2, eerste lid, van de Woo) 13. Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. 13.1. Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo heeft een dwingend karakter. Of sprake is van een document voor intern beraad en of een document persoonlijke beleidsopvattingen bevat wordt door de bestuursrechter zonder terughoudendheid getoetst. 13.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) , de voorganger van de Woo, volgt dat het doel van de in deze bepaling neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen is de bescherming van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen "brainstormen" zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten. 13.3. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan per zelfstandig onderdeel – zoals een alinea – van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid moet bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvatting bevat. Wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, moet het bestuursorgaan bezien of de persoonlijke beleidsopvattingen zo met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet van elkaar zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel openbaarmaking van het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document, per zin of zinsdeel, te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen. 13.4. De staatssecretaris heeft aangegeven dat in concepten van de EoP en overige ambtelijke concepten vaak persoonlijke beleidsopvattingen staan. Deze concepten bevatten volgens de staatssecretaris in de kantlijn (ambtelijke) adviezen, visies, standpunten en overwegingen van intern beraad, waarbij het gaat om uitingen van persoonlijke voorkeur of voorstellen die met name tekstueel of redactioneel zijn. Met hun opmerkingen en voorstellen geven de betrokken ambtenaren volgens de staatssecretaris invulling aan hun adviserende rol binnen het interne beraad en moeten daarom worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen in de zin van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. De staatssecretaris stelt verder dat openbaarmaking van de in deze concepten opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden. Een zorgvuldige beleids- en besluitvormingsproces vereist volgens de staatssecretaris dat ambtenaren in alle openheid interne standpunten en afwegingen kunnen bespreken. Openbaarmaking kan deze open gedachtewisseling belemmeren en daarmee de kwaliteit van de beleidsvoorbereiding nadelig beïnvloeden, aldus de staatssecretaris. Vrije onderlinge communicatie is volgens de staatssecretaris essentieel voor een gedegen beleidsontwikkeling en voor het voeren van constructieve onderhandelingen, die een onderhandelingsresultaat opleveren dat in lijn is met de beleidsdoelen van het kabinet. 13.5. De rechtbank is na kennisname van de ongelakte Woo-documenten van oordeel dat de toepassing van deze uitzonderingsgrond in dit geval voldoende is gemotiveerd.. Daarbij is van belang dat de algemene motivering in de bestreden besluiten, bezien in samenhang met de vermelding van de toegepaste uitzonderingsgrond in de Woo-documenten, een toereikende motivering oplevert. 13.6. De rechtbank volgt het standpunt van de staatssecretaris. De passages in documenten waarvoor de staatssecretaris een beroep heeft gedaan op artikel 5.2, eerste lid, van de Woo bevatten persoonlijke beleidsopvattingen, die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Het gaat hier met name om weggelakte opmerkingen en vragen in de kantlijn van conceptversies van de EoP en passages in andere ambtelijke concepten, zoals (gespreks)nota’s, e-mails over de EoP, adviezen voor de ministerraad of persberichten. Uit de aard en de inhoud van deze documenten volgt dat de daarin opgenomen opmerkingen uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en gedachtevorming tussen ambtenaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris terecht de passages in de Woo-documenten heeft geweigerd openbaar te maken met toepassing van deze uitzonderingsgrond. 13.7. De staatssecretaris heeft afgezien van geanonimiseerde openbaarmaking van de documenten op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. De rechtbank acht voldoende gemotiveerd dat openbaarmaking van de documenten op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden, omdat dit afbreuk zou kunnen doen aan de onderhandelingspositie van de Staat. 13.8. Eiser heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris in het bestreden (herziene) besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of artikel 2.5, derde lid, van de Woo van toepassing is. Daarbij verwijst hij naar een besluit genomen door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland van 14 april 2026 naar aanleiding van een gelijkluidend Woo-verzoek dat eiser bij dit bestuursorgaan heeft ingediend en dat wel op grond van dit artikel onderdelen van documenten openbaar heeft gemaakt. 13.9. Uit artikel 5.2, derde lid, van de Woo volgt dat uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester en een wethouder, informatie wordt verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad. 13.10. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris heeft kunnen afzien om passages in Woo-documenten met persoonlijke beleidsopvattingen op grond van artikel 5.2, derde lid, van de Woo geanonimiseerd openbaar te maken. De staatssecretaris heeft tijdens de zitting van 16 juli 2026 terecht gesteld dat er geen sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, aangezien het slechts gaat om beleidsopvattingen die zijn geuit in opmerkingen in de kantlijnen van concepten of passages van e-mails of nota’s, waarin ambtenaren van gedachten wisselen. Artikel 5.3 14. Eiser heeft aangevoerd dat de eerste EoP op 30 maart 2021 is getekend en dat de eerste onderhandelingen daarover inmiddels meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. Volgens eiser ziet zijn Woo-verzoek op documenten over de voorbereiding van de EoP vanaf de aanvang van de onderhandelingen tussen de drie overheidsinstanties en Tata Steel. Dat de onderhandelingen over de eerste EoP uitsluitend met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn gevoerd, staat er volgens eiser niet aan in de weg dat hij een beroep doet op artikel 5.3, eerste lid, van de Woo. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de staatssecretaris, ook indien de gevraagde documenten niet ouder zijn dan vijf jaar, het tijdsverloop in de belangenafweging had moeten meewegen. 14.1. De rechtbank is van oordeel dat het in artikel 5.3 bedoelde tijdsverloop zich in dit geval nog niet voordoet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de periode waarop het Woo-verzoek betrekking heeft (1 april 2022 tot 15 juli 2022) en de geïnventariseerde Woo-documenten nog geen vijf jaar oud zijn. Van een verzwaarde motiveringsplicht als bedoeld in artikel 5.3 van de Woo is daarom geen sprake. Voor zover eiser heeft betoogd dat de staatssecretaris het tijdsverloop hoe dan ook had moeten meewegen, overweegt de rechtbank dat het te beschermen belang, ondanks het tijdsverloop sinds het opstellen van de documenten, nog steeds actueel is. Zo zijn de onderhandelingen met Tata Steel nog niet afgerond. Het betoog van eiser treft dan ook geen doel. Feitelijke onjuistheden in de herziene inventarisatielijst 15. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat document 5 (1004006) ontbreekt, overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris tijdens de zitting van 16 juli 2026 heeft toegelicht dat dit document identiek is aan document 4, dat wel is overgelegd. Om die reden is document 5 niet afzonderlijk overgelegd. Met betrekking tot het ontbrekende document 34 (1004631) heeft de staatssecretaris verklaard dat dit document gelijk is aan document 19 dat wel aan eiser is overgelegd en deels openbaar is gemaakt. In zoverre zijn de door eiser gestelde feitelijke onjuistheden in de herziene inventarislijst verduidelijkt. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat deze foutieve weergave op de inventarislijst niet leidt tot een ander oordeel. 15.1. Eiser heeft verder betoogd dat 38 documenten, die op de inventarislijst staan, ontbreken en niet aan hem zijn overgelegd. De rechtbank stelt vast dat 18 documenten , conceptversies van de EoP, volledig niet openbaar zijn gemaakt met toepassing van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Woo in samenhang met artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. De staatssecretaris heeft deze beslissing in het bestreden herziene besluit toegelicht en ter zitting bevestigd. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat openbaarmaking van de integraal gelakte versies van deze concepten geen redelijk doel dient, zodat deze documenten niet gepubliceerd en/of verstrekt hoeven te worden. Voor wat betreft document 98 stelt de rechtbank vast dat dit de definitieve versie van de EoP is en openbaar is gemaakt. Het aanbiedingsformulier voor de Ministerraad, een voorbereidingsdocument, is echter niet openbaar gemaakt door de staatsecretaris met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. De staatssecretaris heeft dit uitgebreid gemotiveerd in het bestreden herziene besluit en de rechtbank sluit zich daarbij aan. De staatssecretaris heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat door openbaarmaking van dit document het goed functioneren van de ministerraad, die vertrouwelijkheid vereist van wat is besproken, in het gedrang komt. 15.2. Voor wat betreft de 20 ontbrekende documenten , die gekwalificeerd zijn als ‘reeds openbaar’, overweegt de rechtbank dat – zoals hiervoor overwogen – openbare informatie niet op grond van de Woo alsnog openbaar gemaakt kan worden en dus niet hoeft te worden verstrekt. Conclusie en gevolgen 16. Aangezien de staatssecretaris naar aanleiding van een informele bestuurlijke lus met het herziene bestreden besluit van 29 januari 2026 de motivering van het bestreden besluit 3 juli 2023 heeft aangepast en meer informatie openbaar heeft gemaakt, heeft hij tijdens deze beroepsprocedure het gebrekkige bestreden besluit gewijzigd en aangevuld. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit van 3 juli 2023 gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek en voor zover daarbij is nagelaten informatie (deels) openbaar te maken, die op grond van de Woo openbaar had moeten worden gemaakt. 16.1. Het beroep tegen het bestreden herziene besluit van 29 januari 2026 is eveneens gegrond. Eiser heeft namelijk met zijn beroep gedeeltelijk gelijk gekregen. Voor zover eiser gelijk heeft gekregen kan het bestreden herziene besluit niet blijven bestaan. De rechtbank zal dat besluit daarom vernietigen op de punten waar eiser gelijk heeft, zoals overwogen en beoordeeld in de rechtsoverweging 12.13. Voor het overige blijft het bestreden herziene besluit in stand. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal daarom aan de staatssecretaris een herstelopdracht geven. De staatssecretaris zal in het nieuw te nemen besluit deugdelijk moeten motiveren waarom door openbaarmaking van de thans weggelakte informatie in de documenten 1, 4 en 28 het goed functioneren van de Staat wordt belemmerd. 16.2. De rechtbank heeft in deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiser zich niet met die verwerping kan verenigen, dient hij tijdig hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak. Laat eiser dit na, dan bestaat het risico dat de bestuursrechter in een eventuele vervolgprocedure uitgaat van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de verworpen beroepsgrond(en). 16.3. Omdat het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten gesteld. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 3 juli 2023 gegrond en vernietigt dit besluit wegens een motiveringsgebrek en voor zover daarbij is nagelaten informatie (deels) openbaar te maken, die op grond van de Woo openbaar had moeten worden gemaakt; - verklaart het beroep tegen het bestreden herziene besluit van 29 januari 2026 gegrond, voor zover dit ziet op de in rechtsoverweging 12.13 genoemde (motiverings)gebreken; - draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026. de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 september 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:19 1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. (…) Artikel 6:29 1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. 3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. 6. Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend. Wet open overheid Artikel 5.1. Uitzonderingen 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. 3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. 4. Openbaarmaking kan tijdelijk achterwege blijven, indien het belang van de geadresseerde van de informatie om als eerste kennis te nemen van de informatie dit kennelijk vereist. Het bestuursorgaan doet mededeling aan de verzoeker van de termijn waarbinnen de openbaarmaking alsnog zal geschieden. 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden. 6. Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Artikel 5.2. Persoonlijke beleidsopvattingen 1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. 2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester, een wethouder, het dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van dat bestuur, informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad. 4. In afwijking van het eerste lid wordt bij milieu-informatie het belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Artikel 5.3. Informatie ouder dan vijf jaar Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367 ( r.o. 5.1). Zie onder meer de Afdeling 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3027 ( r.o. 6) en 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:266 (r.o. 5.1). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870 (r.o. 5.1). Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627 (r.o. 6.2), en 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6388 (r.o. 5.2). Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699 (r.o. 8.2). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2568 (r.o. 4.1). Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 14 en 38. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497 (r.o. 11.2). Te weten de documenten 32, 38, 43, 44, 46, 47, 49, 52, 53, 55, 56, 57, 61, 63, 64, 66, 67 en 71. Dit zijn de documenten 5, 7, 10, 11, 12, 21, 29, 34, 69, 70, 74, 78, 85, 87, 89, 91, 92, 93, 97 en 98. Dit is de zogenaamde Brummen-jurisprudentie. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801 (r.o. 2.3).