Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:13883 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 14-10-2026 (ROT 24/4498)

Stopzetting verrekening van ten onrechte ontvangen AIO-aanvulling met AOW-pensioen.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Eiseres wendt haar vermogen in Turkije niet aan voor de aflossing. Invordering is ter executie overgedragen aan advocaat in Turkije. Dit betreft geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Beroep ongegrond

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/4498 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen [naam eiseres] uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Küçükünal), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: mr. P. Stahl – de Bruin). Samenvatting 1. De rechtbank beoordeelt of de SVB terecht de verrekening van € 69,- per maand met de uitkering van eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanwege de terugvordering van de nog openstaande schuld ter hoogte van € 17.943,93, heeft stopgezet. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB een juiste beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft Procesverloop 2. De SVB heeft met het besluit van 17 november 2023 de verrekening van € 69,- per maand met de AOW-uitkering van wijlen [persoon A] en eiseres [naam eiseres] ten behoeve van een terugvordering van € 17.943,93 stopgezet en de invordering overgedragen aan een advocaat in Turkije. 2.1. Met het bestreden besluit van 9 april 2024 heeft de SVB het bezwaar van wijlen [persoon A] en eiseres tegen het besluit van 17 november 2023 ongegrond verklaard. 2.2. De SVB heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Totstandkoming van het besluit 3. Met een besluit van 17 oktober 2017 heeft de SVB de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) van wijlen [persoon A] en eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met terugwerkende kracht over de periode van maart 2009 tot en met december 2016 ingetrokken. Met een ander besluit van 17 oktober 2017 heeft de SVB de in verband met deze intrekking te veel ontvangen AIO-aanvulling tot een bedrag van € 20.098,53 teruggevorderd. Met een beslissing op het bezwaar van 5 februari 2018 heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard. 3.1. Met een besluit van 27 juni 2023 heeft de SVB de betalingsregeling voor de aflossing van de schuld vanaf juli 2023 vastgesteld op een verrekening van € 69,- per maand. Daarbij heeft de SVB erop gewezen dat in 2017 is vastgesteld dat wijlen [persoon A] en eiseres onroerend goed bezitten in Turkije, dat zij met de huidige verrekening nog meer dan 25 jaar bezig zijn met aflossen en dat zij verplicht zijn dit vermogen aan te wenden voor het terugbetalen van de vordering. Met het besluit van 17 november 2023 heeft de SVB de verrekening van de AIO-aanvulling van wijlen [persoon A] en eiseres stop gezet waarmee de uitstel van betaling is beëindigd. Daarbij heeft de SVB medegedeeld het dossier over te dragen aan een advocaat in Turkije. 3.2. De SVB heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aankondiging van de overdracht van de vordering aan de advocaat in Turkije een feitelijke handeling is en geen besluit op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar mogelijk is. De bezwaargronden die tegen de terugvordering zijn aangevoerd, zijn volgens de SVB niet relevant. Beoordeling door de rechtbank 4. Op de zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is overleden. Hierna wordt daarom alleen nog eiseres vermeld. 5. De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot terugvordering in rechte vaststaat, omdat dit besluit in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd. Voor zover eiseres gronden heeft aangevoerd die zien op de terugvordering, slagen die gronden daarom niet. 6. Eiseres heeft naar voren gebracht dat sprake is van een betalingsregeling die op grond van artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek niet eenzijdig mag worden opgezegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 60, derde lid, van de Pw is de SVB bevoegd om de terugvordering te verrekenen met de AOW-uitkering. Met het besluit van 27 juni 2023 is de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 69,- per maand. In dit besluit is ook meegedeeld dat eiseres niet binnen 36 maanden haar schuld afgelost zal hebben en dat zij haar vermogen, namelijk een woning in Turkije, dient aan te wenden om de schuld af te lossen. Voor zover dit besluit is aan te merken als een besluit waarbij uitstel van betaling is gegeven aan eiseres, kan de SVB op grond van artikel 4:96, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht de beschikking tot uitstel van betaling intrekken voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen het voortduren van het uitstel. Naar de rechtbank begrijpt, is in het onderhavige geval de reden van het intrekken van het uitstel van betaling dat eiseres, ondanks verschillende aanmaningen, tot op heden haar vermogen nog steeds niet heeft aangewend om aan de terugvordering te voldoen. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de SVB, na de verschillende aanmaningen, het uitstel van betaling intrekken nu de SVB een advocaat in Turkije opdracht heeft gegeven om executiemaatregelen te gaan nemen. De rechtbank zal dit toelichten. Op 7 april 2021 is verzocht om het verschuldigde bedrag terug te betalen binnen zes weken. Op deze brief van 7 april 2021 is niet gereageerd. De SVB heeft vervolgens op 15 oktober 2021 een aanmaning verstuurd. Op 27 juni 2023 is de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 69,-. Aan eiseres is op 27 juni 2023 opnieuw meegedeeld dat zij met een betaling van € 69,- per maand niet binnen 36 maanden de vordering zou hebben afgelost. Eiseres is er nogmaals op gewezen dat zij haar vermogen voor de aflossing dient aan te wenden. Eiseres heeft hier geen gehoor aan gegeven. Vervolgens heeft de SVB naar het oordeel van de rechtbank terecht het uitstel van betaling op 17 november 2023 mogen intrekken. 6.2. Voor zover eiseres naar voren heeft gebracht dat het opstarten van een incassoprocedure in Turkije onrechtmatig en ontoelaatbaar is, overweegt de rechtbank dat dit onderwerp niet in deze procedure voorligt. Voorop staat dat de SVB op grond van artikel 60, tweede lid, van de Pw de bevoegdheid heeft tot het uitvaardigen van een dwangbevel. De opdracht aan een advocaat in Turkije om tot executie van de vordering over te gaan, is geen rechtshandeling die gericht is op rechtsgevolg en is daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Eventuele executiegeschillen omtrent de invordering, zoals de vraag of een dwangbevel is afgegeven, zijn voorbehouden aan de civiele rechter. De vraag of de naam van de advocaat in Turkije bekend moet worden gemaakt is reeds beantwoord door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). 7. De beroepsgrond van eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Voor de financiële gevolgen van de terugvordering geldt dat eiseres bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 8. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd met het indruiscriterium is genomen omdat de SVB bijzondere persoonsgegevens van eiseres met een privaat advocatenkantoor in Turkije heeft gedeeld, zonder gebruik te maken van een modelcontract als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit 2021/914 van de commissie van 4 juni 2021 betreffende standaardcontractbepalingen voor de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming, Verordening (EU) 2016/679. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. De overdracht van de incasso aan een advocaat is geen publiekrechtelijke rechtshandeling en de vraag of daarbij gebruik had moeten worden gemaakt van een modelcontract valt buiten het bestek van deze procedure. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1404.