Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:9783 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-10-2026 (BRE 25/3705, 25/3706, 25/3707, 25/3774)

Afvalstoffenheffing, beroepen ongegrond.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/3705, 25/3706, 25/3707, 25/3774 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, en De heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing voor de jaren 2022 tot en met 2025 (de aanslagen). Belanghebbende is het niet eens met de aanslagen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslagen afvalstoffenheffing 2022 tot en met 2025 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dit betekent dat de aanslagen in stand blijven. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De heffingsambtenaar heeft op 31 mei 2024 voor het jaar 2022 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 245,16 voor de woning aan [adres 1]. 2.1. De heffingsambtenaar heeft op 31 mei 2024 voor het jaar 2023 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 186 voor de woning aan [adres 1]. 2.2. De heffingsambtenaar heeft op 31 mei 2024 voor het jaar 2024 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 279,42 voor de woning aan [adres 1]. 2.3. De heffingsambtenaar heeft op 22 februari 2025 voor het jaar 2025 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 267,75 voor de woning aan [adres 1] en een aanslag afvalstoffenheffing van € 177,60 voor de woning aan [adres 2]. 2.4. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 juni 2025 en 22 juli 2025 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Feiten 2.6. Belanghebbende is voor de jaren 2022 tot en met 2025 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1]. 2.7. Belanghebbende is voor het jaar 2025 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan [adres 2]. Beoordeling door de rechtbank 2.8. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen afvalstoffenheffing 2022 tot en met 2025 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen afvalstoffenheffing 2022 tot en met 2025 terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 3. Belanghebbende stelt dat de aanslagen onterecht zijn opgelegd. Volgens belanghebbende zijn bij het opleggen van de aanslagen zonder wettelijke grondslag zijn persoonsgegevens verwerkt. Belanghebbende stelt dat de aanslagen en de uitspraken op bezwaar niet voorzien zijn van een originele handtekening en daarom sprake is van onbevoegde besluitvorming. Volgens belanghebbende is er geen privaatrechtelijke overeenkomst tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar gesloten die de betaling van afvalstoffenheffing rechtvaardigt. Daarnaast onderbreekt de onderbouwing waarom het object een zelfstandig belastbaar object zou zijn. De bevoegdheid van de heffingsambtenaar is volgens belanghebbende niet aangetoond. Belanghebbende verzoekt de rechtbank daarnaast om uitstel van betaling totdat er een onherroepelijk rechterlijk oordeel is. Belanghebbende stelt nog dat de beslissing op bezwaar te laat is genomen en verzoekt daarom om schadevergoeding vanwege een onrechtmatige daad als gevolg van een schending van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Belanghebbende heeft de rechtbank ter zitting verzocht te bevestigen dat de vraag ten aanzien van zijn trustnalatenschap buiten het bereik van deze procedure valt. 3.1. De heffingsambtenaar stelt dat het opleggen van een belastingaanslag een publiekrechtelijke rechtshandeling is waarbij wilsovereenstemming geen voorwaarde is. Het raadplegen van de basisregistratie door de heffingsambtenaar is daarbij toegestaan en proportioneel voor de uitvoering van de belastingtaak. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende voor de woning aan het adres [adres 1] een pasje ontvangen heeft voor het gebruik van containers en deze meermaals heeft gebruikt voor het aanbieden van afval. De heffingsambtenaar stelt voorts dat de afvalstoffenheffing wordt geheven per perceel waar huishoudelijk afval wordt ingezameld. Omdat in de onderhavige zaak er sprake is van twee verschillende objecten is geen sprake van dubbele heffing. De heffingsambtenaar stelt dat geen recht bestaat op schadevergoeding en dat hij niet in gebreke is gesteld en er daarom ook geen aanspraak op een dwangsom kan worden gemaakt. De trustnalatenschap 3.2. Belanghebbende heeft in zijn pleidooi ter zitting de rechtbank expliciet verzocht in de uitspraak op te nemen of de door hem opgeworpen vragen ten aanzien van zijn trustvermogen en trustnalatenschap buiten het bereik van deze procedure vallen. De rechtbank overweegt in reactie op het verzoek van belanghebbende dat de vragen met betrekking tot het trustvermogen of de trustnalatenschap buiten het bereik van deze procedure vallen. Is een originele handtekening vereist? 3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is, in tegenstelling tot wat belanghebbende stelt, door het ontbreken van een originele handtekening in dit geval geen sprake van onbevoegde besluitvorming. De rechtbank overweegt daartoe dat voor het opleggen van een aanslag of het doen van een uitspraak op bezwaar niet is vereist dat een originele handtekening wordt geplaatst door een natuurlijk persoon. Zijn de aanslagen afvalstoffenheffing terecht opgelegd? 3.4. Ten aanzien van de afvalstoffenheffing is in artikel 15.33, lid 1, Wet milieubeheer bepaald: “1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. (…)” 3.5. Deze bevoegdheid moet vervolgens door de gemeentelijke wetgever worden uitgewerkt in een gemeentelijke Verordening. In de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2022 (in essentie ongewijzigd voor 2023, 2024 en 2025) van de gemeente Reimerswaal (de Verordening) is bepaald: Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit ‘’1. Onder de naam ‘’afvalstoffenheffing’’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;’’ Artikel 3 Voorwerp van de belasting ‘’1. Voorwerp van de belasting is een perceel.’’ ‘’2. Als perceel wordt aangemerkt: a. De onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; (…) Artikel 4 Belastingplicht ‘’ De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.’’ 3.6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende opgelegd. Uit artikel 15.33 van de Wet milieubeheer volgt dat degene die gebruik maakt van een perceel belastingplichtig is. Deze verplichting is nader uitgewerkt in de Verordening. Dat is door belanghebbende ook niet betwist. Uit artikel 3 van de Verordening volgt dat het voorwerp van de belasting een perceel betreft en dat als perceel een onroerende zaak kan worden aangemerkt als bedoeld in de aldaar genoemde bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken. Belanghebbende is in 2025 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] en in de overige belastingjaren van de eerstgenoemde onroerende zaak. Deze onroerende zaken betreffen gebouwde eigendommen in de zin van de wet Waardering onroerende zaken. Per onroerende zaak kan daarom afvalstoffenheffing worden geheven. De bevoegdheid tot het heffen van afvalstoffenheffing volgt uit de wet. Van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar is dan ook geen sprake en de heffingsambtenaar behoeft vanuit deze bevoegdheid ook geen individuele privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten met belanghebbende voor het heffen van afvalstoffenheffing. 3.7. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van het onterecht gebruiken van persoonsgegevens voor het opleggen van de aanslagen en uitspraken op bezwaar. Uit de aanslagen en uitspraken op bezwaar volgt dat enkel de naam van belanghebbende en het adres is gebruikt. Dat er meer persoonsgegevens door de heffingsambtenaar gebruikt zouden zijn, is door belanghebbende ook niet gesteld. Deze gegevens heeft de heffingsambtenaar nodig om een aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende op te kunnen leggen en een uitspraak op bezwaar te kunnen doen. Nu hiervoor is gebleken dat de heffingsambtenaar de aanslag afvalstoffenheffing kon opleggen, kon hij daarbij ook deze persoonsgegevens gebruiken. Verzoek om schadevergoeding 3.8. Belanghebbende heeft nog verzocht om schadevergoeding omdat volgens hem de uitspraken op bezwaar te laat zijn genomen door de heffingsambtenaar. De rechtbank overweegt dat als belanghebbende van mening is dat de heffingsambtenaar niet tijdig een uitspraak op bezwaar doet daartoe rechtsmiddelen openstaan. Belanghebbende had een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar kunnen sturen en bij het uitblijven van het ontvangen van een besluit een beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank kunnen indienen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, van een dwangsom kan naar het oordeel van de rechtbank daarom ook geen sprake zijn. Nu het beroep ongegrond is en geen sprake van een onrechtmatig besluit genomen door de heffingsambtenaar, bestaat ook geen recht op schadevergoeding. Over een eventuele schadevergoeding op grond van het Burgerlijk Wetboek is niet de bestuursrechter maar de civiele rechter bevoegd om te oordelen. 3.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de aanslagen afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende opgelegd. Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen behandeling meer, omdat dit hierop geen betrekking heeft. Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen afvalstoffenheffing 2022 tot met 2025 gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 9 oktober 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 5, eerste en tweede lid van de Algemene Wet Rijksbelastingen. Artikel 16, onderdeel a, van de Wet waardering onroerende zaken. O.g.v. artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht.