Rechtbank Amsterdam, 29-09-2026 (13-139882-26)
Overlevering. EAB Polen. Einduitspraak na tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:9465.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Beroep op art. 6a OLW slaagt. Certificaat en afschrift Pools vonnis ontvangen. Overlevering wordt geweigerd met overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-139882-26 Datum uitspraak: 29 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 15 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2016, geactualiseerd en aangepast op 30 december 2022, door the District Court of Lublin , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 9 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, onder gelijktijdige schorsing daarvan. Tussenuitspraak van 23 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om in navolging van het arrest C.J. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het betreffende vonnis op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen in dat vonnis opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 15 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 23 juli 2026 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4) en de dubbele strafbaarheid (onder 5). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Standpunt van de raadsvrouw en de officier van justitie De raadsvrouw en de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 6a OLW te weigeren onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, omdat inmiddels het vereiste certificaat en een kopie van het vonnis zijn ontvangen. Oordeel van de rechtbank Conform het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een afschrift van het vonnis van the Lublin-Wschód Provincial Court of Lublin seated in Świdnik van 23 september 2013 met kenmerk III K 914/13 waarbij de straf is opgelegd, toe te sturen. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin , Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 23 juli 2026 bedoelde vrijheidsstraf – een gevangenisstraf van zes maanden – in Nederland. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:9465. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ).