# Rechtbank Amsterdam, 29-09-2026 (13-199617-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:10150
- Date: 2026-09-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A10150
- Canonical: https://overview.legal/posts/599210

## Summary

Overlevering. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Polen opgelegde straf. Tussenuitspraak. Beroep op gelijkstelling. Voldaan aan eerste vereiste. Behandeling aangehouden in verband met het opvragen van een IND-advies, certificaat en afschrift van het Poolse vonnis.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-199617-26 Datum uitspraak: 29 september 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2026 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen), feitelijk verblijfsadres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Krakow-Podgórze Regional Court in Krakow van 22 mei 2024 met kenmerk: II K 1184/23/P. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 29 dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De verdediging en de officier van justitie hebben geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat – kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 augustus 2026 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het strafrechtelijk onderzoek op de hoogte is gebracht van de verdenking en is gehoord als verdachte. Daarbij is aan hem een zogenoemde adresinstructie gegeven. Hij is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen als hij dit niet zou doen. De oproep voor de zitting is vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd, maar niet in ontvangst genomen. Naar het oordeel van de rechtbank had de opgeëiste persoon onder de gegeven omstandigheden er rekening mee moeten houden dat officiële correspondentie omtrent de strafzaak zou worden verzonden naar het door hem opgegeven adres. Wanneer deze oproepingen hem vervolgens niet bereiken, is dit aan hemzelf te wijten, nu hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Overlevering leidt om die reden niet tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. 5 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat er voldaan is aan het eerste vereiste, gelet op alle overgelegde stukken met betrekking tot het rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland. De opgeëiste persoon woont en werkt al ruim zes jaar in Nederland. Dat volgt ook uit de inkomensgegevens en het aantal uren dat hij heeft gewerkt. Dat de opgeëiste persoon niet altijd in Nederland ingeschreven heeft gestaan, heeft te maken met zijn werk via uitzendbureaus. Het is algemeen bekend dat Poolse arbeidskrachten, die in dienst zijn van uitzendbureaus, zich meestal niet in Nederland kunnen inschrijven. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet aan het eerste vereiste is voldaan. Hoewel in de jaren 2021 tot en met 2025 een flink aantal uren is gewerkt in Nederland, blijft er – met name in de jaren 2023 en 2024 – ruimte bestaan voor verblijf van opgeëiste persoon in het buitenland. Uitgaande van een werkweek van 36 uur, zou in die jaren ruim 43 weken respectievelijk 47 weken zijn gewerkt. Subsidiair heeft de officier van justitie opgemerkt dat navraag is gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zodat de behandeling kort aangehouden kan worden om die informatie af te wachten. Oordeel van de rechtbank De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De rechtbank wijst in dit verband met name op de inkomensgegevens over de jaren 2021 tot en met 2025 (geregistreerd jaarinkomen tussen de € 21.040,- en 31.244,-) en de UWV-gegevens omtrent de gewerkte uren over die jaren (jaarlijks tussen de 1561 en 1910 uren). Het kan op basis van deze gewerkte uren niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon, zoals hij zelf ook heeft gesteld, de afgelopen jaren – in ieder geval vanaf 2021 – in Nederland moet hebben verbleven. De rechtbank merkt hierbij op dat in veel (overleverings)zaken een terugkerend thema is, dat Poolse arbeidskrachten in dienst bij uitzendbureaus zich dikwijls niet in Nederland kunnen inschrijven. Bovendien wordt bij de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht het ononderbroken karakter van het verblijf niet automatisch beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. De rechtbank merkt op dat een advies van de IND nog ontbreekt in het procesdossier. De officier van justitie heeft op de zitting wel al kenbaar gemaakt dat een IND-advies is opgevraagd. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de opgevraagde informatie van de IND aan het dossier toe te voegen. Als ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, wordt de officier van justitie verzocht om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen gelet op het arrest C.J. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden niet in de weg staan aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon voldoende economische en maatschappelijke banden met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn leven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Verlenging van de termijn Nu de officier van justitie is verzocht om, als de opgeëiste persoon naar de verwachting van het IND niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, het certificaat en het veroordelende vonnis in Polen op te vragen, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens maximaal 60 dagen verlengen. Aangezien de rechtspraktijk nog niet voldoende is ingesteld op de gevolgen van het arrest C.J. en de OLW naar aanleiding van dat arrest (nog) niet is aangepast, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen. De rechtbank zal gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak zal dan zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (aflopend op 19 december 2026) opnieuw op zitting moeten worden gepland. 8 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 7 genoemde informatie te verkrijgen van de IND en indien nodig een certificaat en onderliggend vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 19 december 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk nadat de benodigde stukken zijn ontvangen – maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn – opnieuw op zitting wordt aangebracht. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Zie artikel 16 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ). Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/599210 · 2026-10-16
