Skip to content
Case Law · Gerechtshof 's-Hertogenbosch ·ECLI:NL:GHSHE:2026:2268 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Hof 's-Hertogenbosch: IB-aanslag 2019 en verzuimboete terecht, zorgkostenaftrek terecht

Belanghebbende woont in Roemenië, geniet inkomsten verkregen van het UWV en bezit een onroerende zaak in Nederland.

Status Not cited by any decision here yet

Original title: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-08-2026 (24/1690)

Judgment

Decision

Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Wessels, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, A. Muller E.P.A. Brakeboer Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Het Belastingverdrag Nederland-Roemenië van 5 maart 1998, Trb. 1998, 75 (hierna: het Verdrag). Artikel 6, eerste lid Verdrag. Artikel 18, derde lid Verdrag. Vgl. Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, rechtsoverweging 2.4.2. Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:908

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

In zijn Nederlandse aangifte IB/PVV 2019 voert belanghebbende een aftrek wegens zorgkosten op. De inspecteur corrigeert de aangifte en legt een verzuimboete op. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist of de aanslag IB/PVV 2019 juist is en zo ja, of de aanslag en de verzuimboete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld over de aanslag IB/PVV 2019. Na akkoord van partijen beslist het hof zelf over de juistheid van de aanslag. Het hof oordeelt vervolgens dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Ten aanzien van de verzuimboete oordeelt het hof dat de verzuimboete terecht is opgelegd en tevens passend en geboden is.

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/1690 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [plaats] , Roemenië hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 november 2024, nummer BRE 23/9035 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Daarbij is tevens bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de boete. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan, waarin hij het bezwaar ten aanzien van de aanslag gegrond en ten aanzien van de boete ongegrond heeft verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ten aanzien van de boete ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 7 oktober 2018 een zwaar auto-ongeluk gehad. Daarbij heeft hij meervoudige breuken aan zijn heup en een verlamming aan zijn rechter onderbeen opgelopen. 2.2. Belanghebbende heeft een doktersverklaring overgelegd van zijn Roemeense dokter, opgesteld op 29 september 2020. Daarin is vermeld dat de arts operaties heeft verricht bij belanghebbende op 15 oktober 2018, 30 oktober 2019 en 10 december 2019 als gevolg van het auto-ongeluk. 2.3. De inspecteur heeft een uitdraai uit het systeem ‘Beheer van Relaties’ (hierna: BVR) overgelegd. BVR is het basisregistratiesysteem van de Belastingdienst, waarin onder meer de persoonsgegevens worden geregistreerd die de Belastingdienst vanuit de Basisregistratie Persoons gegevens ontvangt. Hieruit volgt dat per 4 maart 2015 [adres 1] als het Roemeense adres van belanghebbende is geregistreerd in het BVR. 2.4. Met dagtekening 28 februari 2020 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) voor het jaar 2019 (hierna: de aangifte). Met dagtekening 5 januari 2021 is belanghebbende aangemaand tot het doen van de aangifte, waarin wordt vermeld dat de uiterste termijn voor het indienen van de aangifte 26 januari 2021 is. De uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van de aangifte zijn aan belanghebbende geadresseerd met het in 2.3. vermelde adres. 2.5. Op 25 maart 2021 heeft de inspecteur van belanghebbende een adreswijziging ontvangen, dat belanghebbende middels het formulier ‘Adreswijziging doorgeven Buitenland’ heeft ingediend. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om per 19 maart 2021 het adres [adres 2] te gebruiken als correspondentieadres. 2.6. Belanghebbende heeft met dagtekening 3 juni 2021 de aangifte ingediend. In de aangifte heeft belanghebbende bij de rubriek 5a: AOW, pensioen, lijfrenten en andere uitkeringen uit Nederland en afkoopsommen uit Nederland die onder de loonheffing vielen, een inkomen van € 19.438 opgegeven dat is verkregen van het UWV, waarop volgens deze aangifte € 1.695 aan loonheffing is ingehouden. Daarnaast heeft belanghebbende bij vragen ten aanzien van voordeel uit sparen en beleggen aangegeven dat hij zowel bezittingen (€ 125.000 aan onroerende zaken in Nederland) als schulden (€ 106.636) heeft. In de aangifte heeft belanghebbende tevens een bedrag van € 4.483 aan specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek vermeld. 2.7. Met dagtekening 18 november 2022 is aan belanghebbende de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: box 1) van € 18.437 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) van € 353. Daarbij heeft de inspecteur belanghebbende geen heffingskortingen toegekend en is een verzuimboete opgelegd van € 385 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte (hierna: de boete). De aanslag is aan belanghebbende geadresseerd met het in 2.5. vermelde adres. 2.8. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de inspecteur belanghebbende in een brief van 1 maart 2023 verzocht een inkomensverklaring in te sturen, om vast te kunnen stellen of belanghebbende aan de voorwaarden voor een kwalificerend buitenlands belastingplichtige voldoet. In deze brief is tevens gevraagd om de aftrek voor specifieke zorgkosten te specificeren. Op 26 mei 2023 heeft de inspecteur van belanghebbende de gevraagde inkomensverklaring ontvangen. 2.9. De uitspraak op bezwaar heeft een dagtekening van 30 juni 2023. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd door toekenning van heffingskortingen. De boete is gehandhaafd. 2.10. Het digitale formulier waarin belanghebbende beroep instelt tegen de uitspraak op bezwaar vermeldt, onder meer, het volgende: “ Reden om in beroep te gaan Ik ben het niet eens met de beslissing (…) Upload de pdf met de beslissing Belasting 2019 beslissing bezwaar [nummer] .pdf” 2.11. In een nader stuk van 28 juni 2024 dat belanghebbende bij de rechtbank heeft ingediend, staat onder meer: “Tevens wil ik er op wijzen dat ik sinds 16 mei 2011 al in Roemenië woon en ook hier belastingplichtig ben. Hierdoor zou ik in NL niet belastingplichtig moeten zijn om dubbelle belasting te voorkomen. Echter werd dat in het verleden door de belastingdienst in NL niet verwerkt en moest ik ook in NL nog eens belasting betalen. Pas sinds kort kun je het gewoon aanvinken in de belastingaangifte dat je in een ander land belastingplichtig bent en dan wordt je inkomsten belasting in NL automatisch 0,00 euro. Maar voordat je dit bij je inkomsten belasting opgave kon aanvinken was het een probleem en betaalde ik dubbelle belasting.” 2.12. De uitspraak van de rechtbank vermeldt het volgende: “1.3. Het door belanghebbende ingediende beroep ziet enkel op de aan hem opgelegde verzuimboete.” 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist of de aanslag terecht is opgelegd. Zo ja, dan is in geschil of de aanslag terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd. Daarnaast is in geschil of de boete terecht is opgelegd. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag en de boete. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil i. Heeft de rechtbank ten onrechte niet beslist ten aanzien van de aanslag? 4.1.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat hij geen inkomstenbelasting verschuldigd is geworden over 2019 en dat de rechtbank deze stelling ten onrechte niet heeft behandeld. 4.1.2. De uitspraak op bezwaar omvat zowel de aanslag als de boete. Uit de bewoordingen van het (digitale) beroepschrift volgt dat de gehele uitspraak op bezwaar wordt bestreden. Daarnaast blijkt uit het nader stuk van 28 juni 2024 duidelijk dat belanghebbende het niet eens was met de aanslag. De rechtbank naar het oordeel van het hof daarom moeten begrijpen dat het beroep van belanghebbende zich (eveneens) uitstrekte tot de aanslag zelf en niet enkel tot de boete. Hieraan doet niet af dat belanghebbende in zijn beroepschrift enkel gronden aanvoert met betrekking tot de opgelegde boete en niet met betrekking tot de aanslag. 4.1.3. Nu de rechtbank het beroep ten aanzien van de aanslag ten onrechte niet heeft behandeld, rijst de vraag hoe dit hersteld kan worden. Het hof heeft partijen daartoe middels een schriftelijk bericht van 17 april 2026 de volgende vraag gesteld: “Als het hof tot het oordeel zou komen dat de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft geoordeeld over de (hoogte van de) aanslag inkomstenbelasting/premieheffing voor 2019, kunnen partijen er dan mee instemmen dat het hof oordeelt over de (hoogte van de) aanslag inkomstenbelasting/ premieheffing voor 2019 en daarmee het geschil niet terugwijst naar de rechtbank. Het hof ziet uw reactie op bovenstaande vraag graag uiterlijk 15 mei 2026 tegemoet. Als het hof dan van een partij geen reactie heeft ontvangen, dan gaat het hof ervan uit dat die partij instemt met een oordeel van het hof over genoemde aanslag zonder terugwijzing naar de rechtbank.” 4.1.4. De inspecteur heeft op 28 april 2026 instemmend op dit bericht gereageerd en belanghebbende heeft niet op dit bericht gereageerd. Het hof zal daarom hieronder mede beslissen of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. ii. Is de aanslag terecht en voor het juiste bedrag opgelegd? 4.2.1. Belanghebbende stelt dat internationale verdragen er toe leiden dat hij geen Nederlandse inkomstenbelasting is verschuldigd. Verder stelt belanghebbende dat Roemenië hulp geeft aan personen met een handicap door geen belasting te heffen op hun inkomen. Omdat hij in Roemenië woont, stelt belanghebbende dat hij ook dat recht moet hebben ten aanzien van de Nederlandse belastingheffing. Belanghebbende verwijst verder naar een document van de Europese Commissie met de titel “ Union of Equality: Strategy for the Rights of Persons with Disabilities 2021-2030 ” van maart 2021 (hierna: het document van de Europese Commissie). 4.2.2. Welk land belasting mag heffen op inkomen is veelal vastgelegd in verdragen, zoals ook in het belastingverdrag tussen Nederland en Roemenië (hierna: het Verdrag). In het Verdrag staat, kort samengevat en voor zover hier relevant, dat:  Nederland belasting mag heffen over inkomsten uit in Nederland gelegen onroerende zaken ; en  Nederland belasting mag heffen over sociale-zekerheidsuitkeringen uit Nederland . 4.2.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte in Nederland gelegen onroerende zaken en in aanmerking te nemen schulden vermeld als bezittingen voor box 3. Daarnaast heeft belanghebbende het inkomen dat hij van het UWV heeft ontvangen aangegeven. De heffing van belasting over deze inkomsten is op grond van het Verdrag toegewezen aan Nederland, zoals volgt uit 4.2.2. Indien de heffing in een belastingverdrag aan een land is toegewezen, zoals in dit geval aan Nederland, is de regelgeving van het andere land niet meer relevant. Het standpunt van belanghebbende dat rekening gehouden moet worden met de Roemeense wetgeving, slaagt daarom niet. 4.2.4. Voor zover belanghebbende met zijn verwijzing naar het document van de Europese Commissie een beroep doet op het recht van de Europese Unie, slaagt dit evenmin. Dit document laat zien dat de Europese Commissie wil bevorderen dat personen met een handicap gelijk worden behandeld. Het hof leest in dit document echter niet dat de Europese Commissie daarin voorschrijft dat lidstaten personen met een handicap, zoals belanghebbende, anders moeten behandelen door geen belasting te heffen over hun inkomen. 4.2.5. Daarnaast merkt het hof op dat Nederland een eigen, andersoortige regeling kent ten bate van personen met een handicap in de vorm van de aftrek voor specifieke zorgkosten. Dit is belanghebbende bekend, aangezien hij in zijn aangifte € 4.483 aan specifieke zorgkosten heeft opgegeven. De inspecteur heeft naar aanleiding van deze aangifte gevraagd om de specifieke zorgkosten te specificeren, maar belanghebbende heeft niet voldaan aan het verzoek van de inspecteur. Belanghebbende heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt of en voor welk bedrag hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. 4.2.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. iii. Is de verzuimboete terecht opgelegd? 4.3.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangifte hem niet hebben bereikt, waardoor hij ook niet op de hoogte was van de verplichting om de aangifte in te dienen. Verder stelt belanghebbende dat zijn medische conditie hem heeft belemmerd om tijdig aangifte te doen. Belanghebbende betoogt daarom dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. 4.3.2. De inspecteur stelt dat belanghebbende woont op het in het BVR bekende adres. De uitnodiging, herinnering en de aanmaning voor het doen van aangifte zijn ook naar dit adres gestuurd. De inspecteur verwijst verder naar de door hem overgelegde gegevens met betrekking tot de verzending van zowel de uitnodiging als de aanmaning. De inspecteur stelt dat hieruit blijkt dat deze destijds daadwerkelijk zijn verzonden, waarbij deze zendingen zijn aangeboden aan PostNL. De inspecteur stelt daarom dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. Nu belanghebbende de aangifte niet tijdig heeft ingediend, is volgens de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd. Dat belanghebbende ten tijde van de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte nog revalideerde van het auto-ongeluk, is volgens de inspecteur onvoldoende om te concluderen dat hij niet in staat was om de aangifte in te dienen. 4.3.3. In gevallen waarin een geschrift van de inspecteur per post is verzonden, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging de daarin vervatte mededelingen bekend zijn gemaakt. Indien belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een geschrift van de inspecteur hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat geschrift begrepen. In dat geval moet de inspecteur bewijzen, dat betekent in het kader van de verzwaarde bewijslast bij boeten dat hij overtuigend moet aantonen, dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal de inspecteur overtuigend moet aantonen aan welk postvervoerbedrijf het poststuk is aangeboden. 4.3.4. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende woont op het in het BVR bekende adres, is niet door belanghebbende betwist. Daarnaast heeft de inspecteur de verzending via PostNL van zowel de uitnodiging als de aanmaning naar dit adres onderbouwd met verzendrapporten, die evenmin worden betwist door belanghebbende. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur daarmee overtuigend aangetoond dat zowel de uitnodiging als de aanmaning zijn verzonden en kan er dus van worden uitgegaan dat belanghebbende deze heeft ontvangen. De omstandigheid dat belanghebbende per 19 maart 2021 het correspondentieadres heeft laten wijzigen, maakt dit oordeel niet anders, aangezien dit na de datum van verzending van zowel de uitnodiging als de aanmaning heeft plaatsgevonden. 4.3.5. Het hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende door zijn revalidatie niet in staat zou zijn geweest om tijdig de aangifte in te dienen. Het auto-ongeluk heeft in 2018 plaatsgevonden, waarna belanghebbende in 2019 diverse operaties heeft moeten ondergaan. De aangifte moest uiterlijk 26 januari 2021 ingediend worden. Tussen de operaties en de uiterste datum voor de indiening van de aangifte is dus meer dan een jaar verstreken. Hoewel het hof begrip heeft voor het feit dat belanghebbende moest revalideren en de mobiliteit van belanghebbende beperkt is, acht het hof het niet aannemelijk dat belanghebbende om deze reden gedurende dat jaar geen enkele mogelijkheid heeft gehad om aan zijn aangifteplicht te voldoen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt daarmee. 4.3.6. Belanghebbende heeft tot slot gesteld dat de verzuimboete bij de aanslag voor het belastingjaar 2018 is vernietigd door een medewerker van de belastingdienst. Voorafgaand aan het indienen van het bezwaar met betrekking tot de onderhavige aanslag heeft hij gecorrespondeerd met diezelfde medewerker van de Belastingdienst. Belanghebbende veronderstelde daarom dat de boete voor 2019 ook vernietigd zou worden. In hoger beroep heeft belanghebbende geen nadere stellingen op dit punt aangevoerd. 4.3.7. Ten aanzien van deze stelling heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Voor zover belanghebbende met het voorgaande een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, slaagt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.4 Dat heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde correspondentie met betrekking tot de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 blijken geen toezeggingen van de zijde van de inspecteur en de enkele stelling dat de verzuimboete voor het belastingjaar 2018 is vernietigd, maakt nog niet dat de verzuimboete met betrekking tot het belastingjaar 2019 ook moet worden vernietigd.” Voetnoot: [4] Hoge Raad 19 juni 2020, ECLl:NL:HR:2020:1069. Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. 4.3.8. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die reden geven om deze boete te matigen. Het hof acht deze boete ook passend en geboden. Tussenconclusie 4.4. Het hoger beroep is ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.5. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Wessels, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, A. Muller E.P.A. Brakeboer Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Het Belastingverdrag Nederland-Roemenië van 5 maart 1998, Trb. 1998, 75 (hierna: het Verdrag). Artikel 6, eerste lid Verdrag. Artikel 18, derde lid Verdrag. Vgl. Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, rechtsoverweging 2.4.2. Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:908