Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:9156 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-09-2026 (BRE 24/7353)

Verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden besluiten 1, 2 en 3; draagt de staatssecretaris op – met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak – een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak; draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Einduitspraak na bestuurlijke lus.

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen), en De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , de staatssecretaris (gemachtigde: mr. L. Bouwman). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Autoriteit Persoonsgegevens uit Den Haag (AP) (gemachtigde: mr. O.S. Nijveld). Procesverloop 1. Eiser heeft op 27 november 2020 een verzoek om openbaarmaking gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, thans Wet open overheid (Woo). De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 7 mei 2021 (het primaire besluit) gedeeltelijk toegewezen en een aantal documenten openbaar gemaakt. Met een besluit van 29 april 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en opnieuw een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. In een uitspraak van 10 april 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 29 april 2022 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Met een besluit van 17 september 2024 (het bestreden besluit 1) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser opnieuw deels gegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering. Daarbij heef de staatssecretaris wederom een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld tegen dit besluit. 1.1. De rechtbank heeft dat beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris, vergezeld door [persoon] . De AP is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. 1.2. In de tussenuitspraak van 23 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. 1.3. De staatssecretaris heeft in reactie op de tussenuitspraak twee nieuwe besluiten genomen op 11 maart 2026. In het eerste besluit ex artikel 4.1 van de Woo (het bestreden besluit 2) heeft de staatssecretaris het bestreden besluit 1 vervangen met betrekking tot de documenten met nummers B.2.4 & 19.1, B.4.4, B.6, B.7 & 34, B.36, B.52.2, B.53, B.68, B.86, B.87 en B.95 en deze documenten alsnog (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Voor de overige documenten heeft de staatssecretaris bepaald dat het bestreden besluit 1 van kracht blijft. In het tweede besluit ex artikel 5.5 van de Woo (het bestreden besluit 3) heeft de staatssecretaris het bestreden besluit 1 vervangen met betrekking tot de documenten met nummers B.2.6.6, B.6.1, B.7.1 & 34.1, B.18, B.21.2, B.37.1, B.63.1, B.75, B.76, B.77, B.78, B.79, B.93, C.2, C.3, C.8 en D.1 en deze documenten – die volgens de staatssecretaris onderdeel zijn van het persoonlijk dossier van eiser – rechtstreeks verstrekt aan eiser op grond van artikel 5.5 van de Woo (met uitzondering van de daarin opgenomen persoonsgegevens van de betrokken ambtenaren en advocaat namens de Staat). Voor de overige documenten heeft de staatssecretaris bepaald dat het bestreden besluit 1 van kracht blijft. 1.4. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking op bestreden besluiten 2 en 3, nu partijen daarbij voldoende belang hebben. 1.5. Eiser heeft in zijn reactie van 22 april 2026 laten weten dat hij het ook niet eens is met bestreden besluiten 2 en 3. Volgens eiser heeft de staatssecretaris hiermee niet voldaan aan de verplichtingen uit de tussenuitspraak. 1.6. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 14 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, geoordeeld dat:  de staatssecretaris de in rechtsoverweging 30 van de tussenuitspraak genoemde (in het geheel niet openbaar gemaakte) documenten opnieuw moet beoordelen en als onderdelen hiervan niet openbaar gemaakt kunnen worden per documentonderdeel moet motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures, ondanks het tijdsverloop, onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht moet geven in deze documenten/documentonderdelen.  de staatssecretaris de in rechtsoverweging 34 van de tussenuitspraak genoemde (gedeeltelijk openbaar gemaakte) documenten opnieuw moet beoordelen en als onderdelen hiervan niet openbaar gemaakt kunnen worden per documentonderdeel moet motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures, ondanks het tijdsverloop, onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht moet geven in deze documentonderdelen.  de staatssecretaris de drie financiële onderbouwingen die bij de brief van 30 september 2013 zaten alsnog openbaar moet maken (eventueel met gebruikmaking van de toepasselijke weigeringsgronden), dan wel nader moet onderbouwen dat hij als het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de betreffende financiële onderbouwingen te achterhalen. 4. De rechtbank maakt uit de bestreden besluiten 2 en 3 op dat de staatssecretaris de in rechtsoverwegingen 30 en 34 van de tussenuitspraak genoemde documenten opnieuw heeft beoordeeld en ten aanzien van een aantal documenten tot de conclusie is gekomen dat (onderdelen van) deze documenten toch openbaar kunnen worden gemaakt. De op de inventarislijst bij bestreden besluit 2 genoemde documenten zijn naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. 4.1. Met betrekking tot de (onderdelen van) documenten ten aanzien waarvan de staatssecretaris bij zijn standpunt blijft dat deze niet openbaar gemaakt kunnen worden, heeft de staatssecretaris echter nagelaten om per documentonderdeel te motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures, ondanks het tijdsverloop, onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht geeft in deze documenten/documentonderdelen. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris in het bestreden besluit 2 slechts de algemene bewoordingen heeft herhaald die hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht met betrekking tot de bescherming van de procespositie van de staat (zoals weergegeven in rechtsoverweging 24 van de tussenuitspraak). De staatssecretaris heeft niet per documentonderdeel concreet gemaakt waarom artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo zich tegen openbaarmaking verzet. De enkele algemene stelling dat de informatie mogelijk relevant zou kunnen zijn voor toekomstige vergelijkbare procedures acht de rechtbank in dit geval, mede gelet op het ruime tijdsverloop, onvoldoende om aan te nemen dat het belang van de bescherming van de procespositie van de staat zwaarder zou moeten wegen dan het belang van openbaarheid. 4.3. In het bestreden besluit 3 heeft de staatssecretaris het verzoek om openbaarmaking van eiser met betrekking tot een deel van de stukken kennelijk behandeld als een verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo. Het betreft documenten waarvan de rechtbank in de tussenuitspraak van 23 december 2025 heeft vastgesteld dat deze in het geheel niet openbaar zijn gemaakt en de drie in de tussenuitspraak genoemde financiële onderbouwingen. Op grond van artikel 5.5 van de Woo verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij toegang op hem betrekking hebbende informatie. 4.4. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat het verzoek van eiser door de staatssecretaris steeds is opgevat als een verzoek om openbaarmaking voor een ieder. Eiser heeft zijn verzoek van 27 november 2020 gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Daarin was geen equivalent van artikel 5.5 van de Woo opgenomen. De staatssecretaris heeft in het primaire besluit van 7 mei 2021 ook vastgesteld dat bij openbaarmaking sprake was van openbaarheid ten aanzien van een ieder. In de gronden van bezwaar van eiser van 2 juli 2021 wordt ook uitdrukkelijk verzocht om het openbaar maken van documenten. De staatssecretaris heeft het verzoek van eiser tijdens het verdere verloop van de procedure ook niet eerder opgevat als een verzoek om verstrekking aan enkel eiser in de zin van artikel 5.5. van Woo. Als de staatssecretaris twijfelde over de bedoeling van het verzoek, had het op zijn weg gelegen om hierover duidelijkheid te vragen bij eiser. Op basis van de beroepsgronden en hetgeen tijdens de zitting is besproken, was naar het oordeel van de rechtbank echter ook duidelijk dat eiser openbaarmaking wil voor een ieder van alle documenten. Ook de rechtbank heeft het verzoek opgevat als een verzoek in de zin van artikel 4.1 van de Woo. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak dan ook uitdrukkelijk overwogen dat de staatssecretaris de drie financiële onderbouwingen alsnog openbaar dient te maken (eventueel met gebruikmaking van de toepasselijke weigeringsgronden) en de toepasselijkheid van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo op de in het geheel niet openbaar gemaakte documenten opnieuw per zelfstandig documentonderdeel dient te beoordelen en nader dient te motiveren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris de in het bestreden besluit 3 genoemde documenten ten onrechte enkel aan eiser heeft verstrekt op grond van artikel 5.5 van de Woo. 4.4. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de staatssecretaris met de bestreden besluiten 2 en 3 de in het bestreden besluit 1 geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. Conclusie en gevolgen 5. Gelet op het voorgaande en de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten 1, 2 en 3 zal vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om nogmaals een bestuurlijke lus toe te passen, nu dat geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 5.2. De rechtbank zal de staatssecretaris opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Daarbij moet de staatssecretaris rekening houden met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De staatssecretaris dient het nieuwe besluit uiterlijk twee maanden na het verzenden van deze uitspraak te nemen. 5.3. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. 5.4. De rechtbank zal de staatssecretaris veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden besluiten 1, 2 en 3; draagt de staatssecretaris op – met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak – een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak; draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 22 september 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet open overheid (Woo) Artikel 4.1. Verzoek 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. (…) Artikel 5.1. Uitzonderingen (…) 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…) e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; (…) i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. (…) Artikel 5.2. Persoonlijke beleidsopvattingen 1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. (…) Artikel 5.5. Verstrekking van informatie die de verzoeker betreft 1. Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. (…) Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2435 (r.o 6.4).