Rechtbank Amsterdam, 13-10-2026 (13-099141-26)
Executie-EAB uit Hongarije.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Tussenuitspraak. Er is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Artikel 6a OLW: voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd om informatie bij de IND, het certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-099141-26 Datum uitspraak: 13 oktober 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 14 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 maart 2025 door the Tribunal of Debrecen Law Enforcement Department, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Hongarije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis met kenmerk 9.B.74/2022/172 van 11 mei 2023 van the Tribunal of Debrecen , dat met het arrest met kenmerk Bf.II.563/2023/13 van the Court of Appeal of Debrecen op 6 december 2023 kracht van gewijsde heeft verkregen. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Hongarije. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en één dag. Het hiervoor genoemde arrest ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Onderdeel d) van het EAB vermeldt: “No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. (…) being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended bv that counsellor at the trial (…) Op vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie (gedateerd 7 september 2026) verstrekt: “1. Judgment No. Bf.I.563/2023/13 of the Debrecen Court of Appeal constitutes a final decision, against which no further ordinary appeal may be lodged, and which accordingly definitively settles the merits of the case. 2. Section D of the European Arrest Warrant applies to both the first-instance proceedings under case number 9.B 74/2022 and the appeal proceedings before the Debrecen Court of Appeal under case number Bf.M.563/2023. 3. The Court of Appeal heard the case in a panel session at second instance; consequently, the parties (and thus the defendant, [opgeëiste persoon] ) did not appear in person before the Court of Appeal, and the defendant, [opgeëiste persoon] , did not receive personal service (in person, into his own hands), but did grant a power of attorney to a solicitor who actually represented him: On 23 February 2023, at the hearing held at the Debrecen District Court, the defendant, [opgeëiste persoon] . waived his right to be present at further hearings and instructed his defence counsel, Dr Zoltán Dankó, to act as his authorised representative for service of process (which he agreed to do), that is to say, the defendant, [opgeëiste persoon] , authorised his lawyer to represent him in person at the hearing (Debrecen Regional Court, Minutes No. 9.B.74/2022/160 dated 23 February 2023, pages 7-8). 4. The defendant, [opgeëiste persoon] , provided the Hungarian authorities with his address for service at an earlier stage of the criminal proceedings leading to the Court of Appeal’s judgment of 6 December 2023; both his registered address and his place of residence in the Netherlands were known to the courts. 5. However, given that the defendant, [opgeëiste persoon] , waived his right to be present at further hearings and instructed his defence counsel to handle service of documents (that is to say, he was represented by his lawyer at the subsequent hearings), the Court of Appeal was not required to serve the order notifying him of the date of the hearing directly at the defendant’s address, but instead sent it to his defence counsel, as the person authorised to receive service. (…)” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zijn geschonden. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon de advocaat die hem in hoger beroep heeft vertegenwoordigd, heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds 2014 in Nederland verblijft en dat bij de Hongaarse autoriteiten bekend was dat hij een Nederlands adres had waarop hij bereikbaar was. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De opgeëiste persoon heeft een volmacht verleend (“ did grant a power of attorney ”) aan de advocaat die hem ook daadwerkelijk heeft verdedigd. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon op 23 februari 2023 afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en heeft verzocht verdere processtukken aan zijn advocaat te laten toezenden. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal of Debrecen van 6 december 2023 toetsen aan artikel 12 OLW. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, maar dat hij een advocaat heeft gemachtigd om hem te verdedigen, die daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bevestigd dat de informatie in onderdeel d) van het EAB zowel betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg als op de procedure in hoger beroep. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Uit de aanvullende informatie van 7 september 2026 blijkt verder dat de opgeëiste persoon domicilie heeft gekozen op het adres van zijn raadsman, dat de opgeëiste persoon hem gemachtigd heeft om zijn verdediging op het proces te voeren en dat hij zijn raadsman heeft aangewezen om betekeningen in ontvangst te nemen. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is aan zijn raadsman toegezonden. De rechtbank overweegt dat daarmee is voldaan aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in de zin van het Höldermann -arrest. De verzending van die oproep naar het adres van het kantoor van de raadsman die de opgeëiste persoon heeft gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die hij in de beslissingsstaat heeft aangewezen om de betekeningen in ontvangst te nemen staat namelijk gelijk aan een kennisgeving aan de opgeëiste persoon zelf. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander op basis van de stukken die hij op 24 september 2026 aan de rechtbank heeft gestuurd. De opgeëiste persoon verblijft sinds 2014 in Nederland, staat sinds 2017 ingeschreven op een adres in Nederland en heeft een langdurig arbeidsverleden in Nederland. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gelijkstellingsstukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig zijn ingediend. Subsidiair is gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat het ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren niet is aangetoond. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat de gelijkstellingstukken niet binnen de daarvoor geldende termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. In het onderhavige geval zal de rechtbank, ondanks dat de stukken vijf dagen voor de zitting zijn ontvangen, de gelijkstellingsstukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank acht daarvoor relevant dat de raadsman heeft toegelicht dat de trajectbegeleider van de opgeëiste persoon over de stukken beschikte en dat deze niet eerder toegezonden konden worden. Ter onderbouwing daarvan is een verklaring van de trajectbegeleider overgelegd. Daarnaast gaat het om een relatief gering aantal overzichtelijke stukken. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Werknemers en zelfstandigen moeten aantonen dat zij ‘reële en daadwerkelijke arbeid verrichten die niet louter marginaal en bijkomstig is’. De rechtbank zoekt bij de invulling van dit criterium aansluiting bij het door de IND gehanteerde beleid. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de IND in ieder geval sprake als: - de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; óf - de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. Uit het overgelegde UWV-overzicht blijkt dat de opgeëiste persoon in de periode van (in ieder geval) de jaren 2015 tot en met 2019 ruimschoots heeft voldaan aan de urennorm van 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd. Daarmee is sprake van daadwerkelijke en reële arbeid. De opgeëiste persoon stond vanaf 28 juni 2017 ingeschreven op een adres in Nederland. Met betrekking tot de periode voorafgaand aan deze inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij zich op het adres van het uitzendbureau waar hij was gehuisvest – een bungalow in [plaatsnaam] – niet mocht inschrijven. Gelet op het grote aantal uren dat hij in die periode in Nederland heeft gewerkt, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon ook in de periode van begin 2015 tot 28 juni 2017 ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon na 2019 zijn duurzame verblijfsrecht heeft verloren. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie nog geen advies bij de IND opgevraagd, omdat het van mening was dat het gelijkstellingsverweer niet kon slagen. Omdat de rechtbank nog niet beschikt over het IND-advies kan zij de tweede voorwaarde (nog) niet beoordelen. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen. Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om uit oogpunt van efficiëntie alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Hongarije een certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende arrest op te vragen. De rechtbank acht namelijk zeer goed denkbaar dat de uitvraag bij de IND oplevert dat ook aan de tweede voorwaarde zal zijn voldaan en in dat geval zullen voor beoordeling van de vraag of de straf overgenomen kan worden het certificaat en het arrest opgevraagd moeten worden. Verlenging van de beslistermijn Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Naar vaste jurisprudentie ziet de rechtbank de situatie waarin in het kader van de beoordeling van artikel 6a OLW de toezending van een certificaat en vonnis moet worden afgewacht als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis , in een situatie als in het onderhavige geval waarin zeer goed denkbaar is dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan en waarin met het oog efficiëntie de toezending van het certificaat en het vonnis al wordt verzocht. Daarom verlengt de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunten van partijen De raadsman heeft over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW geen standpunt ingenomen De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het onderzoek is aangevangen in Hongarije, de bewijsmiddelen en de medeverdachten bevinden zich daar en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Hongarije heeft plaatsgevonden, de verdovende middelen daar zijn ingevoerd en bovendien is de opgeëiste persoon Hongarije inmiddels onherroepelijk veroordeeld. In dat licht vormt het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 8 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde informatie op te vragen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 25 december 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 11 december 2026, opnieuw op zitting wordt gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 32. HvJ EU 21 mei 2026, C 447/24, ECLI:EU:C:2026:417 ( Höldermann ). HvJ EU 21 mei 2026, C‑447/24, ECLI:EU:C:2026:417 (Höldermann), punten 62-64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47.