Rechtbank Amsterdam, 13-10-2026 (13-217397-26)
Tussenuitspraak. Spaans vervolgings-EAB.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
De rechtbank heropent het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een terugkeergarantie op te vragen. Verweer ten aanzien van de detentieomstandigheden verworpen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-217397-26 Datum uitspraak: 8 oktober 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 17 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2026 door de onderzoeksrechtbank Nr. 2- Nationaal Hof - Madrid, Spanje, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats], inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], nu uit anderen hoofde gedetineerd in de [P.I.], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.S. Apeldoorn, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. A.D. Kloosterman, beiden advocaat in Amsterdam.. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 22 juli 2026 door Juzgado Central de Instruccion Nº 2. - Audiencia Nacional. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is, omdat het geen handtekening of officiële stempel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bevat. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is, nu het EAB digitaal is ondertekend. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB onderaan elke pagina elektronisch is ondertekend met als datum 30 juli 2026. Een officiële stempel is niet vereist. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - deelneming aan een criminele organisatie; - illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien de overlevering wordt toegestaan, de overlevering van de opgeëiste persoon afhankelijk te maken van een terugkeergarantie. De opgeëiste persoon heeft immers de Nederlandse nationaliteit. Hoewel hij langere tijd deels in Spanje heeft gewoond, wonen zijn partner en dochter inmiddels in Nederland en gaat zijn dochter hier naar school. Na afloop van zijn detentie, wenst de opgeëiste persoon samen met zijn partner en dochter in Nederland te blijven wonen. Ook woont de rest van zijn familie hier. Hij heeft voldoende binding met Nederland, waardoor het ondergaan van een eventuele straf in Nederland bijdraagt aan zijn maatschappelijke re-integratie. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet voldoende is onderbouwd dat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon in Nederland ligt. De opgeëiste persoon heeft gedurende lange tijd in Spanje verbleven en slechts incidenteel, voor kortere periodes, in Nederland. Ook heeft de opgeëiste persoon voornamelijk in Spanje gewerkt. Om die reden is geen terugkeergarantie opgevraagd. Oordeel van de rechtbank Vast staat dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon voldoende familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Spanje. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de partner van de opgeëiste persoon zich inmiddels in Nederland heeft gevestigd, dat zijn minderjarige dochter nu in Nederland naar school gaat en dat daarmee het centrum het gezinsleven van de opgeëiste persoon en zijn belangen inmiddels weer in Nederland liggen. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Spanje wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, ontbreekt in het dossier. Gelet op het voorgaande heropent de rechtbank het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een terugkeergarantie op te vragen. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW aan de overlevering in de weg staat, omdat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Allereerst is er sprake van een reeds voltooide schending van artikel 4 Handvest, aangezien de opgeëiste persoon tijdens eerdere detentie in Spanje slachtoffer is geworden van ernstig geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag door medegedetineerden, als gevolg waarvan bij hem PTSS is vastgesteld. Volgens de raadsvrouw is voldoende aannemelijk geworden dat de Spaanse autoriteiten de opgeëiste persoon onvoldoende hebben beschermd tegen dit geweld. Daarnaast bestaat bij een hernieuwde detentie in Spanje een reëel gevaar voor een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest. De raadsvrouw heeft in dit kader gewezen op rapporten van het European Committee for Prevention of Torture and Inhuman and Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT). In het CPT-rapport van 28 juli 2026 wordt ten aanzien van de gevangenissen Algeciras, Huelva en Puerto III onder meer fysiek geweld door gevangenispersoneel en tekortkomingen in de medische en psychologische zorg beschreven. Daarnaast worden in het CPT-rapport van 31 juli 2025 voor vijf penitentiaire inrichtingen in Catalonië eveneens tekortkomingen geconstateerd die raken aan de fysieke veiligheid van gedetineerden en de beschikbaarheid van psychologische zorg. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw primair verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Spaanse autoriteiten om nadere informatie te vragen over de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon zal worden geplaatst, de wijze waarop hij daar tegen geweld door medegedetineerden zal worden beschermd en de maatregelen die zullen worden getroffen in verband met zijn PTSS die hij heeft overgehouden aan zijn periode in detentie in Spanje. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Ten aanzien van Spaanse detentie-instellingen heeft de rechtbank geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. Ook met inachtneming van de door de raadsvrouw overgelegde informatie en de CPT-rapporten kan geen algemeen reëel gevaar worden aangenomen. Er wordt daarom niet toegekomen aan de beoordeling van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon en nadere vragen aan de Spaanse autoriteiten zijn niet nodig. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft vastgesteld dat gedetineerden in detentie-instellingen in Spanje onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank heeft kennisgenomen van de CPT-rapporten van 28 juli 2026 en 31 juli 2025. Daarin is het CPT kritisch over de behandeling van gedetineerden in de bezochte penitentiaire inrichtingen in Andalusië en Catalonië, in het bijzonder over gebruik van geweld door gevangenispersoneel. Daarnaast is het CPT kritisch over eenzame opsluiting en over de psychologische zorg aan gedetineerden die in afzondering of een gesloten regime verblijven. De rechtbank stelt voorop dat zij gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. De rechtbank stelt vast dat het niet waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in een penitentiaire inrichting in Andalusië of Catalonië zal worden geplaatst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het EAB is uitgevaardigd door een justitiële autoriteit in Madrid, dat de opgeëiste persoon eerder gedetineerd is geweest in Madrid en dat hij daar thans wordt vervolgd. De feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zouden bovendien deels in Galicië hebben plaatsgevonden, en in ieder geval niet in Andalusië of Catalonië. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de opgeëiste persoon na overlevering in een isolatie- of gesloten regime zal worden geplaatst. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de in de CPT-rapporten beschreven omstandigheden een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de betreffende beschreven inrichtingen opleveren. Overigens beschikt de rechtbank niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit volgt dat in Spaanse detentie-instellingen geen bescherming wordt geboden tegen onderling geweld tussen gedetineerden. De rechtbank ziet geen aanleiding de Spaanse autoriteiten nadere vragen te stellen over de penitentiaire inrichting waarin de opgeëiste persoon zal worden geplaatst en de detentieomstandigheden aldaar. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde terugkeergarantie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. BEPAALT dat de zaak tijdig vóór het verstrijken van de beslistermijn op 28 oktober 2026 (dus uiterlijk op 20 oktober 2026) weer op zitting wordt gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de raadsvrouw. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije )), punt 117.