Rechtbank Amsterdam, 08-10-2026 (13-199676-26)
Vervolgings-EAB uit Polen.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Tussenuitspraak. Artikel 6 OLW: Opgeeiste persoon doet een beroep op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: de aanvullende informatie roept vragen op over of de gegeven garanties die betrekking hebben op het Poolse remand regime. De rechtbank houdt de behandeling aan om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-199676-26 Datum uitspraak: 8 oktober 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 206 door the Regional Court in Olsztyn, II Criminal Department , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 9 september 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om in het kader van artikel 6 OLW een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst ( hierna: IND ) en, indien van toepassing, een terugkeergarantie op te vragen. Zitting van 30 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een arrestatiebevel van the District Court in Olsztyn van 10 januari 2022 met kenmerk II Kp 1568/21; Een beslissing van een Public Prosecutor of the Regional Public Prosecution Service in Olsztyn van 13 januari 2022 met kenmerk PO I Ds.41.2020, inhoudende the search for the suspect with an arrest warrant. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: oplichting. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Standpunt van de raadsvrouw De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat aan alle voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan. Ter onderbouwing van de eerste voorwaarde heeft de advocaat verschillende stukken overgelegd, waaronder belastingaanslagen. De opgeëiste persoon wil ook gebruik maken van de terugkeergarantie die intussen is verstrekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon met de ingediende stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer heeft aangetoond dat sprake is van vijf jaar rechtmatig verblijf. De opgeëiste persoon kan gelijkgesteld worden met een Nederlander. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 22 september 2026 volgt dat in het geval van de opgeëiste persoon verblijfsbeëindiging niet aan de orde is. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Garantie De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Polen veroordeeld wordt tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De Prokuratura Okręgowa w Olsztynie heeft op 28 september 2026 de volgende garantie gegeven: “With reference to the e-mail of 22 September 2026 and to the European Arrest Warrant under case reference II Kop 68/23 concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , I hereby guarantee that, following the surrender of [de opgeëiste persoon] and in the event of his being sentenced to a custodial penalty in Poland, he shall be entitled to serve that penalty in the Kingdom of the Netherlands.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW 6.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2. Poolse detentieomstandigheden Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op 22 juli 2026 aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 23 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: "(…) In dit verband moet worden opgemerkt dat de bepalingen van het Poolse recht betreffende de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis/vrijheidsstraffen, in het bijzonder het Wetboek van Strafuitvoering [Kodeks karny wykonawezy|, bepalen dat het besluit over de classificatie en plaatsing van een persoon aan wie de vrijheid is ontnomen in een bepaald type penitentiaire inrichting en in een concrete inrichting, na diens overdracht aan de bevoegde autoriteiten wordt genomen door de penitentiaire commissie. Om die reden is het niet mogelijk om vóór de overlevering van de persoon aan het grondgebied van de Republiek Polen formeel een concrete penitentiaire inrichting aan te wijzen. Gelet op het bovenstaande wijst de Arrondissementsrechtbank te Olsztyn erop dat, gezien de territoriale bevoegdheid in de lopende strafprocedure, kan worden verwacht dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een voor deze zaak aangewezen gevangenis of huis van bewaring, in het bijzonder in het Huis van Bewaring te Olsztyn of de Gevangenis te Barczewo, dan wel, indien zich objectieve belemmeringen voordoen, in een andere inrichting met een vergelijkbare standaard. (…) In het bijzonder moet worden benadrukt dat deze verzekering de garantie omvat dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een inrichting waar wordt voldaan aan de minimumnormen voor leefruimte per gedetineerde, passende sanitaire voorzieningen, toegang tot daglicht en ventilatie, en waar tevens medische zorg en de mogelijkheid om contact met de buitenwereld te onderhouden worden gewaarborgd. (…)” Het Openbaar Ministerie heeft op 27 juli 2026 opnieuw aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in reactie daarop op 11 augustus 2026 de volgende informatie verstrekt: “At the present stage of the proceedings, it is also not possible for this Court to indicate the specific prison or other penitentiary institution in which the person in question will be held in the future. In this context, it should be noted that the provisions of Polish law governing the enforcement of provisional detention/a custodial sentence, in particular the provisions of the Executive Penal Code, stipulate that the classification and placement of a person deprived of liberty in a particular type of penitentiary institution and in a specific institution are determined following that person’s admission into the custody of the competent authorities, by decision of the penitentiary commission. For this reason, it is not possible to formally assign a person to a specific penitentiary institution before the person is transferred to the territory of the Republic of Poland. When deciding on placement in a specific penitentiary institution, a number of circumstances relating to the person are taken into account, including, inter alia, their place of residence in Poland, age and state of health, whether they have previously served a custodial sentence, the degree of their demoralisation, any risk they may pose to themselves or other inmates, the risk of escape, as well as the need for appropriate therapeutic intervention. At the same time, it may be assumed with a high degree of probability that, if the person in question were placed in the penitentiary institution nearest to their registered or actual place of residence in Poland and falling within the territorial jurisdiction of this Court, they could be detained in one of the two penitentiary institutions located within that area, namely the Remand Centre in Olsztyn [Areszt Sledezy w Olsztynie] or the Prison in Barczewo [Zaklad Karny w Barczewie]. The above is, however, provided for information purposes only and does not constitute a guarantee that the person in question will be placed in either of these institutions. Accordingly, we are unable to specify the exact amount of personal space, expressed in square metres, to which an inmate would be entitled in a multi-occupancy cell, as this depends on the infrastructure of the building of the particular penitentiary facility. However, we would like to assure you that this person will be placed in an institution in which the minimum standards of living space per inmate and appropriate sanitary conditions are met, access to natural light and ventilation is provided, and medical care and the possibility of maintaining contact with the outside world are ensured. (…) Turning to the issue of the amount of time that a person held in a penitentiary institution may spend outside their cell, it should be pointed out that the provisions of Polish law do not prescribe a single, legally guaranteed “average number of hours” that may be spent outside the cell per day. It is, however, possible to identify the minimum entitlements arising from the provisions in force. In view of the above, the most precise and objectively justifiable answer is that, under normal circumstances, a person held in a penitentiary facility should be afforded the opportunity to take a walk of at least one hour per day. Inmates have the opportunity to participate in cultural and educational activities, as well as activities organised in the common rooms of the residential units, in accordance with a schedule approved by the director of the penitentiary institution. The activities take place twice a week and each session lasts one hour. In addition, inmates may participate in religious meetings held once a week, each session lasting approximately two hours. (…)” Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit, naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 12 augustus 2026, op 18 augustus 2026 de volgende informatie verstrekt: “With reference to the questions asked in your letter of 12 August 2026, as we mentioned earlier nevertheless, if the Sentenced Person is placed in a penitentiary facility which is located nearest to his address of residence (stay) in Poland and at the same time, within the jurisdiction of this Court, he will be detained in one of two penitentiary facilities located in this region, i.e. the Detention Centre in Olsztyn or the Prison in Barczewo. Neither the above Detention Centre nor the Prison can ensure that a detainee has a living area of 4 square meters per person in a multi-person cell. But the accommodation offered by these facilities is in compliance with the applicable standards, i.e. 3 square meters per person. excluding sanitary areas Moreover, detainees may participate in educational, cultural and recreational classes offered by recreational rooms in accordance with the schedule approved by the prison warden. Classes are held twice a week and last one hour. In addition, detainees may participate in religious meetings, which are held once a week and last about two hours. Please be informed that detainees are also entitled to a daily walk which lasts one hour. This means that both in the penitentiary facilities (the Detention Centre in Olsztyn and the Prison in Barczewo) that detainees don’t have to stay in their cels for 23 hours a day. Based on the information provided to us by the administration of the Detention Centre in Olsztyn and administration of the Prison in Barczewo we can confirm that, with regard to all activities mentioned, [de opgeëiste persoon] will be able to spend 2 hours a day outside his cel, if he chooses to attend all activities.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de overlevering moet worden geweigerd. In de aanvullende informatie worden twee detentie-instellingen genoemd waar de opgeëiste persoon mogelijk zal worden geplaatst, maar het is onvoldoende duidelijk of de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk in deze detentie-instellingen zal worden gedetineerd. Daarnaast is met de aanvullende informatie onduidelijk of de detentie-omstandigheden toereikend zijn, in het bijzonder wat betreft de specialistische medische zorg die de opgeëiste persoon nodig heeft. Het algemene gevaar wordt dus niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. In de brief van 18 augustus 2026 vermelden de Poolse autoriteiten: “(…) if the Sentenced Person is placed in a penitentiary facility (…)”. Hierdoor ontstaan vragen over of de opgeëiste persoon wel daadwerkelijk in het remand regime zal worden geplaatst. Bovendien blijkt niet duidelijk uit genoemde uren in de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk twee uur per dag buiten de cel kan doorbrengen. Hierover moeten ook aanvullende vragen worden gesteld. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Hoewel de inhoud van de garantie voldoende is om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, spreekt de aanvullende informatie van 18 augustus 2026 over de opgeëiste persoon als “ Sentenced Person ”. Hierdoor bestaan vragen over of de gegeven garantie daadwerkelijk betrekking heeft op het Poolse remand regime . In het geval hierover aanvullende vragen worden gesteld, kunnen ook aanvullende vragen worden gesteld over het aantal uren dat de opgeëiste persoon dagelijks buiten de cel zal kunnen doorbrengen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie - ook wel het arrest ML genoemd -, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de detentie-instelling(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. De rechtbank stelt vast dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 18 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in the Detention Centre in Olsztyn of in the Prison in Barczewo en dat 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd in een meerpersoonscel. Ook kan de opgeëiste persoon dagelijks twee uur buiten de cel doorbrengen wanneer hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 m2 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Dat is hier dus het geval, gelet op de aanvullende informatie van 18 augustus 2026. Ten aanzien van hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de medische problematiek van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hierboven overwogen ziet het algemene gevaar voor het Poolse remand regime op de situatie dat gedetineerden beschikken over een persoonlijke ruimte van 3 m2 en veelal 23 uur per dag op de cel moeten doorbrengen. Het algemene gevaar heeft dus geen betrekking op een gebrek aan toegang tot medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw een eventuele uitbreiding van het algemene gevaar niet onderbouwd met objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte stukken. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt dan ook verworpen. De rechtbank ziet wel om een andere reden aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hoewel de rechtbank in de aanvullende informatie van 23 juli 2026 en 11 augustus 2026 leest dat er respectievelijk wordt gesproken wordt over een “ Huis van Bewaring ” in Olsztyn en een “ Remand Centre” in Olsztyn, wordt er in diezelfde documenten ten aanzien van Barczewo gesproken over respectievelijk de “ Gevangenis” in Barczewo en de “ Prison” in Barczewo. Daarnaast verwijst de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 18 augustus 2026 naar de opgeëiste persoon als “ the Sentenced Person” , terwijl het hier gaat om een vervolgings-EAB en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf in Polen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie van 18 augustus 2026 vragen oproept over of de gegeven garanties betrekking hebben op het remand regime in Polen. Het is voor de rechtbank onduidelijk of de uitvaardigende justitiële autoriteit met de verstrekte aanvullende informatie heeft bedoeld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen naar alle waarschijnlijkheid in the Detention Centre in Olsztyn zal worden geplaatst en hij na een eventuele veroordeling naar alle waarschijnlijkheid zal worden overgeplaatst naar the Prison in Barczewo . De rechtbank ziet aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: Heeft de aanvullende informatie die tot dusver is verstrekt ten aanzien van opgeëiste persoon betrekking op de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon in het remand regime, direct na de overlevering wanneer hij nog verdachte is, of op het regime van strafexecutie in het geval de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar Polen wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf? De beslistermijn die op de zitting van 9 september 2026 reeds is verlengd, verstrijkt op 10 oktober 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, van dat artikel, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW verlengt zij de beslistermijn met 30 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 6.2 geformuleerde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 9 november 2026). VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en M.C. Nooij, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. HvJ EU van 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ). Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.