Rechtbank Amsterdam, 13-10-2026 (13-039300-25)
Executie-EAB Polen. Tussenuitspraak.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Artikel 12 OLW. Heropening van het onderzoek ter zitting om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-039300-25 Datum uitspraak: 13 oktober 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 13 augustus 2026 de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2025 door the Regional Court in Poznań , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres 1] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt de volgende vonnissen: een vonnis van the District Court in Leszno van 14 oktober 2022, met kenmerk II K 93/22 (hierna: vonnis I); een vonnis van the District Court in Leszno van 24 januari 2023, met kenmerk II K 717/22 (hierna: vonnis II). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van: zes maanden, nog geheel te ondergaan; zes maanden, nog geheel te ondergaan. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Onderdeel d) van het EAB vermeldt: “No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. (…) the person was not summoned in person but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision, in such a manner that it was unequivocally established that he or she was aware of the scheduled trial and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial. (…) In the course of pre-trial proceedings, [de opgeëiste persoon] pleaded not guilty to the charge. A summons for the hearing, which took place on 14 October 2022 in case II K 93/22, was mailed to the address provided by [de opgeëiste persoon] , but was not collected by him and he did not appear at the hearing which resulted in the guilty verdict. [de opgeëiste persoon] did not justify his absence. In the course of pre-trial proceedings, [de opgeëiste persoon] pleaded guilty to the charge. A summons for the hearing, which took place on 24 January 2023 in case II K 717/22, was mailed to the address provided by [de opgeëiste persoon] , but was not collected by him and he did not appear at the hearing which resulted in the guilty verdict. [de opgeëiste persoon] did not justify his absence. Pursuant to Article 133 Paragraph 1 of the Code of Criminal Procedure, if service cannot be effected in the manner indicated in Article 132 of the Code of Criminal, a letter sent via a postal operator within the meaning of the Act of 23 November 2012 - Postal Law shall be left at the nearest post office of that postal operator, and letters sent in any other way shall be left at the nearest police station or municipal office. If the letter is left as set forth in Paragraph 1, the deliverer shall place a notice in the mailbox or on the door of the addressee's apartment or in another conspicuous place stating where and when the letter was left and that it should be collected within 7 days; if the notice period expires without effect, the notice shall be repeated once again. If these actions are taken, the letter shall be deemed to have been delivered (Article 133, Paragraph 2 of the Code of Criminal Procedure). If a party, without providing a new address, changes their domicile or does not reside at the address indicated by them, also due to being deprived of liberty in another case, a letter sent to that address shall be deemed to have been delivered (Article 139, Paragraph 1, Sentence 1, of the Code of Criminal Procedure). [de opgeëiste persoon] was instructed to notify the investigating authority of any change in his place of residence or stay lasting longer than seven days. [de opgeëiste persoon] has not fulfilled this obligation.” Op vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie (gedateerd 21 september 2026) verstrekt over vonnis II: “1) Yes, on 23 September 2022, [de opgeëiste persoon] provided the following address for the record of the hearing: [adres 2] 2) Yes, the notice of the hearing date was sent to [de opgeëiste persoon] at the following address: [adres 2] 3) a. during the preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] was instructed of the consequences of failing to notify the Judicial authorities of his new address of residence b. during the preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] was not instructed that in the event of an unjustified absence from the hearing, the hearing, i.e. the proceedings before the Court, would proceed in his absence. The instructions referred to in points 3(a) and (b) above were mailed to him together with the notice of the first hearing on 24 January 2023 — the delivery notice was left at the following address: [adres 2] .” Op nadere vragen van het IRC heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals aanvullende informatie (gedateerd 24 september 2026) verstrekt over vonnis II: “re. point 4) he was not informed during the preparatory proceedings that, in the event of an unjustified absence from the hearing, the hearing — that is, the proceedings before the Court — would proceed in his absence, whereas such a notice was sent to him during the court proceedings together with the notice of the first hearing on 24 January 2023 — the delivery notice was left at the following address: [adres 2] ; re. point 5) he was informed of the obligation to notify the Polish authorities of any change of address, including upon service of a summons to a hearing; re. point 6) he was also informed of this obligation when he provided his address on 23 September 2023 during the preparatory proceedings.” Op vragen van het IRC heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie (gedateerd 25 september 2026) verstrekt over vonnis I: “The Regional Court in Poznań, 3rd Criminal Division, hereby provides responses to inquiries regarding case no. K 93/22 concerning [de opgeëiste persoon] : 1.Yes, [de opgeëiste persoon] provided the address [adres 3] for the record of the suspect's interrogation; 2. Yes, the notice of the hearing was sent to the address [adres 3] ; 3. a) during the preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] was informed of the consequences of failing to notify the justice authorities of a new address of stay (residence); b) during the preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] was not informed that, in the event of an unjustified absence from the hearing, the hearing—i.e. the court proceedings—would proceed in his absence. The notifications regarding points (a) and (b) were sent to him—along with the notice regarding the adjournment of the hearing—on May 27, 2022, to the address [adres 3] ; the delivery attempt resulted in a notice of attempted delivery (the item was held at the post office).” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor beide vonnissen moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Op basis van de verstrekte aanvullende informatie kan niet worden vastgesteld dat de oproepingen voor de zittingen in beide zaken de opgeëiste persoon hebben bereikt of dat hij anderszins op de hoogte was van de procedures. Voor beide vonnissen geldt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidende onderzoek niet is geïnformeerd over het feit dat de procedure bij niet verschijnen buiten zijn aanwezigheid kon worden voortgezet. Dat deze informatie pas later samen met de oproeping voor de zitting naar hem is verzonden, kan het ontbreken van een voorafgaande waarschuwing niet repareren. Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van vonnis I heeft de officier van justitie verzocht de zaak aan te houden om nadere informatie te vragen aan de Poolse autoriteiten. Uit de aanvullende informatie van 25 september 2026 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidende onderzoek is geïnformeerd over de gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging, maar niet over de consequentie dat bij niet verschijnen de zaak buiten zijn aanwezigheid kon worden behandeld. Onder verwijzing naar Poolse wetgeving en jurisprudentie van deze rechtbank heeft de officier van justitie aangevoerd dat behandeling bij afwezigheid juist één van de gevolgen is van het niet doorgeven van een adreswijziging. De verstrekte informatie is op dit punt innerlijk tegenstrijdig. Ten aanzien van vonnis II heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet voorafgaand aan de oproeping op de hoogte was van de verplichting om adreswijzigingen door te geven en de gevolgen van het niet naleven daarvan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom van toepassing. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. Ten aanzien van vonnis I heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij op 19 september 2022 door de politie staande is gehouden in verband met het rijden zonder rijbewijs, maar dat hij niet op een politiebureau als verdachte is gehoord. Uit de aanvullende informatie van 21 september 2026 volgt dat hij, enkele dagen later, op 23 september 2023 (de rechtbank begrijpt: 2022), een adres heeft opgegeven. Uit de aanvullende informatie volgt niet duidelijk in welk kader of op welke wijze deze adresopgave heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van vonnis II volgt uit de aanvullende informatie van 25 september 2026 dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidende onderzoek is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Uit diezelfde informatie volgt echter dat hij tijdens het voorbereidende onderzoek niet is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Voor de rechtbank is niet duidelijk op welke gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging de opgeëiste persoon is gewezen. De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie over de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedures die hebben geleid tot vonnis I en vonnis II. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen over die procedures aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: Ten aanzien van vonnis II 1. Hoe was de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep? Ten aanzien van vonnissen I en II 2. Is aan de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidende onderzoek een schriftelijke adresinstructie uitgereikt? Zo ja, bij welke gelegenheid is deze uitgereikt en heeft de opgeëiste persoon voor ontvangst daarvan getekend? 3. Op welke gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging is de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidende onderzoek gewezen? 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; telkens: overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 8 november 2026. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de raadsvrouw. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Engelse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mr. E. de Rooij en mr. L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. o.a. ECLI:NL:RBAMS:2024:1054, ECLI:NL:RBAMS:2026:9484, ECLI:NL:RBAMS:2024:2652 en ECLI:NL:RBAMS:2025:13. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .