Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:10012 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 29-09-2026 (13-147412-26)

Vervolging-EAB België: De opgeëiste persoon beroept zich op de terugkeergarantie.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

De verweren t.a.v. de detentieomstandigheden en artikel 13 OLW worden verworpen. De overlevering is toegestaan en de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen wordt bevolen.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-147412-26 Datum uitspraak: 29 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 juli 2026, en de aanvullende vordering van 29 juli 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 mei 2026 door de onderzoeksrechter, rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd op 20 mei 2026 door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen met kenmerk 2025/111. Op 8 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een aanvulling op het EAB uitgevaardigd middels een M-formulier. Dit EAB wijkt alleen op onderdeel a) af van het eerdere EAB: in het EAB van 20 mei 2026 staat de verkeerde datum als geboortedatum van de opgeëiste persoon. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, te weten: een oranje telefoon van het merk Apple met goednummer PL2700-26-066920-1; een zwarte telefoon van het merk Google met goednummer PL2700-26-066920-2; een zwart horloge van het merk Apple met goednummer PL2700-26-066920-3. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout heeft op 12 augustus 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 13 augustus 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: 1 In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht om de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling aan te houden voor het verkrijgen van een meer specifieke detentiegarantie door aanvullende vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht het EAB niet in behandeling te nemen. Het nieuwe rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) gepubliceerd op 8 september 2026 in combinatie met een recente zaak van foltering in de gevangenis van Antwerpen wijzen op slechte detentieomstandigheden in België. De detentiegarantie voldoet niet aan de vereisten die volgen uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), aangezien deze te algemeen is en niet duidelijk vermeldt hoe het toezicht op het gevangenispersoneel geregeld is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie afdoende is en er geen aanwijzingen zijn dat de garanties in België niet worden nageleefd, waardoor de overlevering kan worden toegestaan. In andere zaken met betrekking tot Belgische EAB’s heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat een nagenoeg identieke detentiegarantie volstaat. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden). Het door de raadsman aangehaalde recente CPT-rapport en de nieuwsberichten over de foltering in de gevangenis Antwerpen onderschrijven het door de rechtbank aangenomen algemene reële gevaar dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België kunnen worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De stukken leiden echter niet tot een bijstelling of uitbreiding van dit algemene reële gevaar. Verder zijn er geen stukken overgelegd die maken dat de rechtbank twijfelt over de naleving van de door de Belgische autoriteiten afgegeven detentiegarantie(s). Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Het feit heeft zich in het geheel op Nederlands grondgebied afgespeeld – rondom Eindhoven – en het onderzoek is onder leiding van de Nederlandse politie en justitie gestart. Het enkele feit dat het vermeende slachtoffer naar België is uitgeweken maakt dat niet anders. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Hoewel het feit zich op Nederlands grondgebied heeft afgespeeld en het onderzoek hier in aangevangen, is dat onderzoek op verzoek van België overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Het onderzoek is verder voortgezet in België en het vermeende slachtoffer is een Belgisch onderdaan. De vervolging in België dient te prevaleren. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat het strafrechtelijke onderzoek weliswaar in Nederland is aangevangen, maar dat het onderzoek officieel is overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Bovendien heeft het vermeende slachtoffer de Belgische nationaliteit en is de Belgische rechtsorde het meest geschokt . In dat licht vormt het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen, zodat de rechtbank daarvan afziet. Wat de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. Hieruit volgt dat ook de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7, 13, 49 en 50 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: een oranje telefoon van het merk Apple (goednummer PL2700-26-066920-1). een zwarte telefoon van het merk Google (goednummer PL2700-26-066920-2). een zwart horloge van het merk Apple (goednummer PL2700-26-066920-3). Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).