Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-10-2026 (200.360.637)
Prorogatie. Pensioenrecht.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Nabetaling bijzonder partnerpensioen. Wettelijke rente over de nabetaling deels verjaard? Valt de wettelijke rente onder art. 3:310 BW of art. 70 Wvb in plaats van art. 3:308 BW? Is art. 3:321 lid 1 BW van toepassing?
Full text
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.637 arrest van 6 oktober 2026 in de zaak van Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten, die is gevestigd in Zeist, hierna te noemen: SPMS, advocaat: mr. T. Huijg, en [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. P.H. van der Vleuten. 1 Kern van de zaak en de beslissing 1.1. SPMS, een verplicht gesteld beroepspensioenfonds, heeft op of omstreeks 21 december 2024 een nabetaling van bijzonder weduwenpensioen (hierna weduwenpensioen) gedaan aan [geïntimeerde] wegens het overlijden van haar ex-echtgenoot [in] 2018. Voor de nabetaling van het weduwenpensioen gold geen verjaringstermijn op grond van artikel 70 Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb). SPMS heeft op of omstreeks 13 mei 2025 aan [geïntimeerde] de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vergoed over de periode van 1 maart 2020 tot de betaaldatum. [geïntimeerde] maakt aanspraak op de wettelijke rente over de periode van 1 april 2018 tot 1 maart 2020. Het hof oordeelt dat deze rente-aanspraak is verjaard. Hieronder legt het hof uit hoe het tot deze beslissing is gekomen. 2 Het verloop van de procedure 2.1. Het hof heeft op 28 april 2026 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof aan partijen gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden en stukken over te leggen, wat zij bij aktes van 2 juni 2026 hebben gedaan. 2.2. Vervolgens heeft het hof datum voor arrest bepaald. 3 De beoordeling van het geschil De feiten 3.1. SPMS is het beroepspensioenfonds (in de zin van artikel 1 Wvb) van medisch specialisten. 3.2. [geïntimeerde] was tot [datum] 1987 gehuwd met de heer [naam1] (hierna [naam1] ), geboren [in] 1936. [naam1] bouwde gedurende zijn huwelijk met [geïntimeerde] sinds 1 januari 1973 als medisch specialist verplicht pensioen op bij SPMS. Bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk hebben [naam1] en [geïntimeerde] geen van de toen geldende wet- en regelgeving afwijkende afspraken gemaakt over de tot echtscheidingsdatum opgebouwde pensioenaanspraken (artikel 8a lid 3 Pensioen- en spaarfondsenwet (Psw)). 3.3. [naam1] is overleden [in] 2018. De echtgenote van [naam1] ten tijde van zijn overlijden (hierna: de tweede echtgenote) meldde dat aan SPMS op 13 februari 2018. Zij stuurde daarbij een in Frankrijk opgemaakte overlijdensakte mee. 3.4. SPMS heeft [geïntimeerde] nooit informatie verschaft met betrekking tot haar aanspraak op weduwenpensioen na de echtscheiding. Op 21 mei 2024 heeft [geïntimeerde] zich schriftelijk gewend tot SPMS met betrekking tot haar mogelijke aanspraken op weduwenpensioen en daarbij informatie verschaft. SPMS heeft vervolgens onderzoek gedaan naar deze aanspraak, mede in verband met de toegekende aanspraak van de tweede echtgenote, en uiteindelijk bij brief van 10 december 2024 aan [geïntimeerde] bericht dat zij recht had op weduwenpensioen (bijzonder partnerpensioen). Dit weduwenpensioen is vervolgens vanaf 1 maart 2018 verschuldigd geworden en nabetaald tot en met 21 december 2024. Op grond van art. 26 Pensioenreglement, diende de maandelijkse pensioenuitkering uiterlijk op de laatste dag van de maand te worden voldaan. Vanaf dat moment is de maandtermijn rentedragend. 3.5. SPMS heeft over deze nabetaling aanvankelijk geen wettelijke rente betaald. Na correspondentie tussen partijen is wettelijke rente, als bedoeld in art. 6:119 BW, betaald over de periode 1 maart 2020 tot en met 21 december 2024. SPMS heeft geweigerd wettelijke rente te betalen over de nabetaling die betrekking had op de periode 21 maart 2018 tot 1 maart 2020. Het geschil 3.6. SPMS stelt zich op het standpunt dat de aanspraak van [geïntimeerde] op wettelijke rente over de nabetaling van het bijzonder weduwenpensioen over de periode van 1 april 2018 tot 1 maart 2020 (hierna: de rente-aanspraak) op grond van art. 3:108 BW is verjaard. [geïntimeerde] bestrijdt dat en stelt, samengevat, dat SPMS jegens haar is tekortgeschoten en dat het nalaten over te gaan tot toekenning van bijzonder weduwenpensioen (ook) als een onrechtmatige daad dient te worden aangemerkt. In dat kader stelt zij dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 3:321 lid 1 onder f BW in relatie tot art. 3:108 BW (het opzettelijk verborgen houden van het bestaan van een schuld of de opeisbaarheid daarvan). Voorts stelt zij dat de rente-aanspraak moet worden gezien als schadevergoeding, zoals bedoeld in art 3:310 BW en op die grond niet is verjaard. Ook wijst zij op het bepaalde in art. 70 Wvb waarin is bepaald dat een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een uitkering niet verjaart bij leven van de pensioengerechtigde. Hieronder valt volgens haar ook de rente-aanspraak. Afbakening van het geschil 3.7. Partijen hebben op 30 september 2025 een prorogatie-overeenkomst gesloten. Daarin is, voor zover voor de beoordeling van dit geschil relevant, opgenomen: IN AANMERKING NEMENDE DAT: (…) E. Tussen Partijen bestaat nu een meningsverschil over de vraag of - en over welke periode - het recht van [geïntimeerde] op wettelijke rente ex art. 6:119 BW is verjaard, met dien verstande dat geen meningsverschil bestaat over de te vergoeden rente voor zover die ziet op de partnerpensioenuitkeringen die SPMS had moeten betalen aan [geïntimeerde] vanaf 1 maart 2020. SPMS heeft op of rond 13 mei 2025 een bedrag ad € 38.256,07 betaald aan [geïntimeerde] , wat de wettelijke rente vertegenwoordigt die ziet op laatstgenoemde (betaling van) partnerpensioenuitkeringen. (…) KOMEN ALS VOLGT OVEREEN: 1.1 Partijen zullen zich middels art. 329 Rv en art. 96 Rv tot het Hof Arnhem-Leeuwarden (Hof) wenden en zijn beslissing inroepen met betrekking tot de volgende vragen: a. Is de rechtsvordering van [geïntimeerde] op SPMS tot het betalen van wettelijke rente (ex art. 6:179 BW) - verband houdende met de verlate betaling door SPMS van de onder de preambule (3) genoemde reglementaire partnerpensioenuitkeringen - verjaard? b. En zo ja, ten aanzien van welke reglementaire partnerpensioenuitkeringen geldt dat die wettelijke rente is verjaard? waarbij deze vragen nadrukkelijk niet zien op de in de laatste volzin onder overweging E. genoemde (betaling van) partnerpensioenuitkeringen (kort gezegd: over de laatste vijf jaar) en Partijen ook geen beroep doen op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW. (…) 1.6. Partijen behouden zich het recht voor om cassatie in te stellen. (…) 1.9 SPMS draagt de in redelijkheid gemaakte redelijke proceskosten van alle Partijen. (…)”. 3.8. Op basis van deze overeenkomst heeft SPMS als vorderingen geformuleerd: SPMS vordert dat Uw Gerechtshof bij arrest: A. verklaart voor recht dat op de verjaring van rechtsvorderingen tot betaling van wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de te laat betaalde Partnerpensioenuitkeringen alleen het verjaringsregime van art. 3:308 BW van toepassing is. B. verklaart voor recht dat op de verjaring van rechtsvorderingen tot betaling van wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de te laat betaalde Partnerpensioenuitkeringen niet het verjaringsregime van art. 3:310 BW van toepassing is. C. verklaart voor recht dat op de verjaring van rechtsvorderingen tot betaling van wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de te laat betaalde Partnerpensioenuitkeringen niet het verjaringsregime van art. 70 Wvb van toepassing is. D. verklaart voor recht dat alle Rentes zijn verjaard op grond van art. 3:308 BW. met compensatie van de proceskosten (…) . 3.9. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat de vorderingen van SPMS moeten worden afgewezen, met compensatie van de proceskosten. De wettelijke rente 3.10. Vastgesteld is dat partijen het recht van [geïntimeerde] op weduwenpensioen tot uitgangspunt hebben genomen en het geschil zich beperkt tot de vraag of over de vertraagde uitkering van dat pensioen wettelijke rente verschuldigd is die verder strekt dan SPMS al heeft vergoed. Het hof zal eerst aandacht besteden aan het karakter van de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW. 3.11. In art. 6:119 lid 1 BW is bepaald: De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest . Art. 6:119 ziet op de niet of niet tijdige nakoming van een verbintenis tot betaling van een geldsom. Het normeert de omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting van de debiteur wegens vertraging in de nakoming van een geldverbintenis. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is deze schadevergoeding gefixeerd op het bedrag van de wettelijke rente, hier niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten. Hieruit volgen twee dingen. Het eerste is dat de aanspraak op wettelijke rente afhankelijk is van de hoofdverplichting (de verbintenis tot betaling van een geldsom) en het tweede is dat de schadevergoeding wegens te trage betaling gefixeerd is op het bedrag van die wettelijke rente. Daarnaast hoeft de vordering tot vergoeding van wettelijke rente niet noodzakelijkerwijze tegelijk te worden ingesteld met de vordering tot betaling van de hoofdsom . 3.12. Voor het geschil dat hier aan de orde is, stelt het hof vast dat de hoofdverbintenis (de verplichting tot betaling van de geldsom) de verschuldigde (weduwen)pensioenuitkering aan [geïntimeerde] is en dat de rente-aanspraak de gefixeerde schadevergoeding wegens te trage betaling is. Geen zelfstandige vordering die valt onder art. 3:310 BW 3.13. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de vordering tot vergoeding van wettelijke rente gezien moet worden als een vordering tot schadevergoeding, waarop het verjaringsregime van art. 3:310 BW van toepassing is. 3.14. Art. 3:310 BW regelt de verjaring van (onder andere) vorderingen tot vergoeding van schade. In Boek 6, titel 1, afdeling 10 BW is geregeld wat onder schade moet worden verstaan. In art. 6:95 lid 1 BW is bepaald dat schade bestaat in vermogensschade en ander nadeel. Hiermee wordt bedoeld het feitelijk nadeel dat uit de wanprestatie of de onrechtmatige daad voortvloeit. Deze vorderingen vallen onder het bereik van art. 3:310 BW, tenzij sprake is van een speciale regeling. De vordering tot betaling van wettelijke rente is niet gelijk te stellen aan een vordering tot vergoeding van schade. Zij is gekoppeld aan de verplichting tot betaling van een geldsom, geregeld in Boek 6, titel 1, afdeling 11 BW. Deze afdeling ziet op alle privaatrechtelijke verbintenissen tot betaling van een geldsom, ongeacht hun bron en ongeacht of zij strekken tot betaling van Nederlands of buitenlands geld. Zoals hierboven al is opgemerkt, is de wettelijke rente een vorm van (gefixeerde) schadevergoeding - als gevolg van een andere tekortkoming. De wetgever heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente dan ook niet gelijk gesteld aan de hoofdverplichting, maar die als gevolg van de vertraging aangemerkt: Wat het eerste door de Commissie ter sprake gebrachte geval betreft - de geldontwaarding tijdens het verzuim van de schuldenaar -, hier gaat het in feite om de vraag of bij de vaststelling van schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom naast de wettelijke rente nog afzonderlijk rekening moet worden gehouden met schade door geldontwaarding. In artikel 8 van deze afdeling is een stelsel gekozen waarin voor een dergelijke afzonderlijke vergoeding geen plaats is.(…) Dit stelsel brengt mee dat ingevolge artikel 8 lid 1 van de onderhavige afdeling de wettelijke rente begint te lopen, zodra de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Hiermee staat al vast dat de vordering tot betaling van wettelijke rente geen vordering tot vergoeding van schade (als zodanig) is. De rente-aanspraak is dus niet onder art. 3:310 BW te brengen. 3.15. De stelling van [geïntimeerde] dat zij ook schade heeft geleden doordat informatie over het haar toekomend pensioenrecht werd onthouden, vertaalt zich in de vordering tot betaling van dat pensioen, eventueel vermeerderd met wettelijke rente. Zij heeft niet uitgelegd waaruit de schade wegens het niet verstrekken van informatie bestaat en dit geschil is door partijen uitdrukkelijk beperkt tot de rente-aanspraak over de vertraagde pensioenuitkering. 3.16. Voorzover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een onrechtmatige daad, hetzij een zelfstandige, dan wel een kwalificatie van een zeer ernstige tekortkoming, komt het hof daarop in het kader van de bespreking van art. 3:321 lid 1 onder f BW nader terug. Geen vordering die valt onder art. 70 Wvb 3.17. [geïntimeerde] heeft betoogd dat de rente-aanspraak (ook) valt onder het bepaalde in art. 70 Wvb. In dat artikel wordt gesproken over een ‘uitkering’ die door de pensioenuitvoerder moet worden gedaan. Een vordering op zo’n uitkering verjaart niet gedurende het leven van de gerechtigde. Daar valt volgens [geïntimeerde] ook de uitkering wegens verschuldigde wettelijke rente onder. Het hof volgt deze stelling niet. 3.18. Art. 70 Wvb, dat gelijkluidend is aan art. 59 Pensioenwet, bepaalt dat zolang de pensioengerechtigde in leven is, de vordering van een pensioenuitkering niet verjaart. Art. 70 Wvb is opgenomen in Hoofdstuk 3 van de Wvb: Eisen met betrekking tot de inhoud en uitvoering van de beroepspensioenregeling , § 3. Opbouw, financiering en aanspraken. De artikelen in dit onderdeel van de wet hebben betrekking op de reguliere verplichtingen van de pensioenuitvoerder, namelijk het doen van uitkeringen op basis van een pensioenregeling. Een rente-aanspraak (over een vertraagde betaling) kan niet als zodanig worden beschouwd. 3.19. Daarnaast is bij de invoering van de Pensioenwet een harmonisatie doorgevoerd van terminologieën en regelingen. Inhoudelijk vond op het hier relevante onderdeel geen wijziging plaats. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel over de Pensioenwet is als antwoord van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vragen uit de Tweede Kamer opgenomen: In het wetsvoorstel wordt het begrip pensioenaanspraak gebruikt voor een nog niet ingegaan pensioen en de term pensioenrecht voor een wél ingegaan pensioen. Iemand kan dus op grond van het wetsvoorstel pas een uitkering claimen wanneer er sprake is van een pensioenrécht. De regering begrijpt uit de vraag van de CDA-fractie dat men zich afvraagt, waarop een deelnemer recht heeft wanneer de pensioenuitvoerder niet of te laat uitkeert. Voor die situatie is in het wetsvoorstel geen aparte bepaling opgenomen omdat Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voorziet in een vergoeding van de wettelijke rente in geval van vertraging van de voldoening van een geldsom . Deze passage duidt erop dat de wetgever het (eventuele) recht op wettelijke rente wegens een vertraagde uitkering van een pensioenuitkering niet gelijk heeft willen stellen met het recht op dat pensioen. Uitgaande van de harmonisatie van de Pensioenwet en de Wvb brengt een redelijke wetsuitleg in dit geval mee dat de vergoeding van de wettelijke rente (ook) niet onder de reikwijdte van de Wvb valt. Dit leidt ertoe dat het beroep op art. 70 Wvb faalt. De rente-aanspraak valt onder art. 3:308 BW 3.20. In art. 3:308 BW is bepaald: Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden. huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden . 3.21. Uit de wetsgeschiedenis volgt wat onder “renten” moet worden verstaan: Renten zijn uitdrukkelijk vermeld, omdat het om wettelijke rente kan gaan, huren en pachten, omdat ook van deze soms betoogd kan worden dat zij geheel of ten dele uit de wet voortvloeien (huurbescherming) en overigens omdat het hier voor de praktijk zeer belangrijke gevallen betreft . Dit betekent dat de wettelijke rente onder het verjaringsregime van art. 3:308 BW valt. 3.22. Het moment van het recht op deze wettelijke rente is het moment van de opeisbaarheid. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] aanspraak kon maken op het weduwenpensioen, ingaande op de eerste dag van de maand volgend op de maand van het overlijden van [naam1] . Partijen zijn uitgegaan van 1 maart 2018, waarbij de uitkering over de maand maart 2018 opeisbaar was op 31 maart 2018 (laatste dag van de maand). De eerste (niet betaalde) termijn was dan ook vanaf 31 maart 2018 opeisbaar en rentedragend met ingang van 1 april 2018. Op grond van art. 3:308 BW was de rentevordering berekend over de eerste termijn na vijf jaren verjaard. Voor de daarna verschenen termijn geldt dezelfde systematiek. Uit de standpunten van partijen leidt het hof af dat [geïntimeerde] eerst aanspraak heeft gemaakt op wettelijke rente bij e-mail van 28 februari 2025. Hierop heeft SPMS over de laatste vijf jaren rente vergoed. De rente over de langer geleden vervallen pensioentermijnen was volgens haar op grond van art. 3:308 BW verjaard. Op dit punt merkt het hof op dat het moment van opeisbaarheid niet hoeft samen te vallen met de bekendheid van [geïntimeerde] op deze aanspraak. Die eis stelt het artikel ook niet. Verlenging van de verjaringstermijn? 3.23. Dan blijft over de vraag of SPMS zich terecht op de werking van art. 3:308 BW kan beroepen, of dat sprake is van een situatie die leidt tot verlenging van de verjaringstermijn, zoals bedoeld in art. 3:321 lid 1 onder f BW (het opzettelijk verborgen houden van het bestaan van een schuld of de opeisbaarheid daarvan). Anders dan SPMS stelt, is dit door partijen niet uitgesloten in de prorogatie-overeenkomst. De daar genoemde uitsluiting heeft (slechts) betrekking op het bepaalde in art. 6:2 BW (algemene werking van redelijkheid en billijkheid). 3.24. Het beroep van [geïntimeerde] op art. 3:321 lid 1 onder f BW faalt. Uitgangspunt van de wetgever is dat de vordering verjaart, maar dat hierop (voor zover voor dit geschil relevant) een uitzondering mogelijk is, gelegen in het gedrag van de schuldenaar: Wel zal de schuldeiser tegenover een beroep op verjaring als bedoeld in artikel 3.11.11 soms een verweer kunnen ontlenen aan artikel 3.11.20 onder f. De schuldenaar die «het bestaan van de schuld» opzettelijk voor de schuldeiser verborgen houdt, zal zich een beroep op verlenging van de verjaring moeten laten welgevallen. Het zelfde behoort te gelden in geval van het opzettelijk verborgen houden van de verschijning van het onzekere tijdstip of de vervulling van de voorwaarde, wanneer hij dit tijdstip of deze vervulling kent, maar de schuldeiser niet. 3.25. Voor de beoordeling van de stelling dat art. 3:321 lid 1 onder f BW van toepassing is, is het volgende van belang. SPMS stelt nooit informatie betreffende [naam1] , zijn huwelijk met [geïntimeerde] en de echtscheiding te hebben ontvangen van de (voorganger van de) Basisregistratie Personen (BRP) of van een soortgelijke informatiesysteem. Tot 1 oktober 1994 bestond er voor pensioenfondsen – en dus ook voor SPMS – geen automatische koppeling met de gemeentelijke basisadministratie (GBA, later BRP). Dat is pas met art. 68b Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens met ingang van 1 oktober 1994 voor het eerst mogelijk gemaakt, dus pas ruim na het huwelijk en de echtscheiding tussen [geïntimeerde] en [naam1] . SPMS stelt dat zij daarom niet automatisch kennis kon nemen van het huwelijk en de echtscheiding. Voor de periode vanaf 1 oktober 1994 stelt SPMS dat zij nooit (ook niet in 2018) voor het dossier van [naam1] een koppeling had met het BRP. Alle informatie is altijd handmatig doorgegeven en aangepast door of voor [naam1] en in geval van overlijden door zijn tweede echtgenote. 3.26. Deze stellingen van SPMS zijn door [geïntimeerde] niet (voldoende) gemotiveerd bestreden. Zij stelt in haar memorie: “De (tijdige) betaling van (partner)pensioenuitkeringen is van dien aard, dat het niet tijdig daaraan voldoen onrechtmatig is gelet op artikel 6:162 BW. Immers, [geïntimeerde] had mogen verwachten van SPMS als pensioenuitvoerder dat men op een juiste wijze en zodanig de administratie heeft ingericht dat zij betaling zou hebben ontvangen” (MvA sub 12). Dat is echter in het licht van de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis onvoldoende. Daar staat immers voorop dat de schuldenaar over bepaalde kennis beschikt, maar er (bewust) voor koos om die niet te delen met de schuldeiser. Daarvan is hier echter geen sprake. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat bij een veel actievere opstelling van SPMS na het overlijden van [naam1] informatie beschikbaar zou komen die kon duiden op eventuele rechten van (in dit geval) [geïntimeerde] , maar dit is niet voldoende om te komen tot het oordeel dat sprake is van “onrechtmatig handelen of nalaten”, of, zoals [geïntimeerde] ook heeft bepleit, een algemene onrechtmatige daad. Daarbij komt dat SPMS onbetwist heeft gesteld dat een verzoek tot het doen van een uitkering schriftelijk dient te worden gedaan. Nadat [geïntimeerde] dit ook daadwerkelijk deed, is dat in behandeling genomen, met de huidige uitkomst tot gevolg. 3.27. In dit verband gaat ook het beroep van [geïntimeerde] op HR 10 september 1993 niet op. Er moet immers onderscheid worden gemaakt tussen (in dat geval) de werknemer die erop mag vertrouwen dat de werkgever op correcte wijze pensioenpremies afdraagt en het pensioenfonds dat deze premies behoort te ontvangen. Er was in die zaak sprake van het bewust niet betalen van premies, wat jegens de werknemer onrechtmatig was. “Op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig nalaten is art. 2012 BW [de voorloper van het huidige 3:308 BW - hof] niet van toepassing. Dat geldt óók indien het, zoals hier, gaat om nalaten van het doen van periodieke betalingen aan een derde (SFB) die ter zake een eigen vorderingsrecht heeft dat wèl onderworpen is aan deze bepaling”. 3.28. Hieruit volgt dat van een grond tot verlenging van de verjaringstermijn geen sprake was. De vordering van [geïntimeerde] betreft immers haar eigen relatie tot het pensioenfonds en niet die tussen dat fonds en een derde. Het door haar gekozen uitgangspunt is dat zij een eigen aanspraak heeft op SPMS. 3.29. Uit hetgeen hierboven is overwogen, is ook geen sprake van meerdere grondslagen voor de vordering van [geïntimeerde] , waarvan zij er één kon kiezen. 3.30. De slotsom is dat de rente-aanspraak onder de werking van art. 3:308 BW valt en deze (voor zover niet is betaald) is verjaard. Het hof zal dat in het dictum opnemen en preciseren naar dit geschil. Bij de overige verklaringen, voor recht, gezien hetgeen hierboven is overwogen, heeft SPMS geen belang. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren, nu zij dit uitdrukkelijk hebben gevraagd. 4 De beslissing Het hof: 4.1. verklaart voor recht dat op de rente-aanspraak ex art. 6:119 BW over de te laat betaalde Partnerpensioenuitkeringen het verjaringsregime van art. 3:308 BW van toepassing is; 4.2. verklaart voor recht dat de rente-aanspraak is verjaard op grond van art. 3:308 BW; 4.3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J. Sap, D. Visser en A.C.M. Kuypers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. Zie o.a. HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4777, rov. 3.5 en HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220, rov. 3.5.4. HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304 Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2025/13 Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 457-458 (M.v.A. II). Vgl. Kamerstukken II 2005-06, 30655, nr. 3, p. 2. Kamerstukken II 2005-2006, 30413 nr. 24, p. 28 (Nota naar aanleiding van het Nader Verslag). Kamerstukken II 1981-1982, 17541, nr. 3, p. 7. Vgl. H.N. Schelhaas in Stein, Tweehuysen & Bartels, Verjaring (O&R nr. 120) 2020/4.5.1 Kamerstukken II 1981-1982, 17541, nr. 3, p. 7 HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1054, rov. 3.4.